Raad voor beginners.
September is de maand, waarin de heidehonig geoogst wordt, ik zal daarom beginnen met iets over de heidehonig en het slingeren van heidehonig te schrijven.
Heidehoning bezit een zeer merkwaardige eigenschap, thixotropie genaamd, die enerzijds oorzaak is, dat de heidehonig buitengewoon geschikt is voor raathonig, anderzijds echter bij het slingeren moeilijkheden veroorzaakt. Hij bevindt zich namelijk in de raten in een gelatineachtige toestand, waardoor heideraathonig door kleine beschadigingen gedurende het transport niet gaat lekken, zoals zomerhonig. Ook wanneer men heideraathonig voor het verpakken in blikken of cartonnen doosjes in stukken moet snijden, lopen de over de lengteas doorgesneden cellen niet leeg, hetgeen een groot voordeel is.
Het nadeel is echter, dat heidehonig niet zonder meer. zoals de zomerhonig, kan worden geslingerd.
Voor het slingeren moet de heidehonig in de cellen eerst in beweging worden gebracht, waardoor de samenhang als het ware verbroken wordt en de honig van de genoemde gelatineachtige toestand in vloeibare toestand overgaat. Deze overgang van een gelatineachtige in de vloeibare toestand kan men zeer goed waarnemen bij een flacon heideslingerhonig, die reeds enige tijd heeft gestaan. Een dergelijke flacon kan men zonder deksel omdraaien zonder dat de honig eruit loopt. Brengt men daarna de honig in beweging door hem met een lepel om te roeren dan krijgt men duidelijk een vloeibare honig, die men uit de flacon kan gieten.
In de raten moet het in beweging brengen geschieden met behulp van het handkolbtoestel, het kan ook met de ericaborstel, de raten worden dan echter meer beschadigd.
Daar de aanschaffingsprijs van het handkolbtoestel vrij hoog is ( f 8.- à f 9.-) verdient het aanbeveling, dat de afdelingen naar gelang van het aantal leden één of meer handkolbtoestellen aanschaffen en deze, eventueel tegen een vergoeding, ter beschikking van de leden stellen.
Bij het slingeren van heidehonig en het gebruik van het kolbtoestel moet vooral op het navolgende gelet worden.
1e. Het beste is het de ramen dadelijk na het afnemen van de kasten te slingeren, omdat de honig dan nog warm is. Is dit door omstandigheden niet mogelijk, dan verdient het aanbeveling de ramen voorzichtig te verwarmen, echter niet te hoog, daar het was van de raten dan zacht wordt en zijn weerstandsvermogen verliest.
2e. Het slingeren moet geschieden in een verwarmd vertrek (75° tot 80° F.), omdat door de warmte de viscositeit, de taaiheid, van de honig vermindert.
3e. Het handkolbtoestel moet verwarmd worden. Het eenvoudigst gaat dit door het in een pannetje met kokend water te plaatsen dat op een petroleum- of gasstel staat, zodat het water ook werkelijk voortdurend kookt. Voor het gebruik moet dan door het afschudden het aan het kolbtoestel hangende water worden verwijderd, opdat geen water in de honig wordt gebracht.
4e. Het handkolbtoestel moet bij het gebruik rechtstandig op en neer worden bewogen, enigszins schuin in de richting van de cellen. Het te bewerken raam moet op een stevige, enigermate veerkrachtige onderlaag liggen. Zeer geschikt is daarvoor een leeg, oud, dus donkergekleurd, broedraam.
5e. Bij het slingeren moet in de aanvang slechts langzaam worden gedraaid. Het is aan te bevelen die zijde van het raam, welke het eerst geslingerd wordt, slechts voor de helft te slingeren, daarna het raam om te draaien en de andere zijde geheel leeg te slingeren. Dan wordt het raam nog eens gekeerd om de eerstgenoemde zijde ook geheel leeg te slingeren. Men krijgt dan veel minder beschadigde raten.
6e. De geslingerde honig moet worden gezeefd door een kaasdoek, daar deze hoewel het vreemd lijkt, de honig sneller doorlaat dan een metalen zeef. Bovendien kan men met een houten lepel de op de kaasdoek liggende wasdeeltjes wegschuiven, terwijl men ze bij een metalen zeef door de openingen wrijft. Alle soorten kaasdoek zijn echter niet even geschikt. Men moet een kaasdoek gebruiken, welke bestaat uit een zeer fijn weefsel van dunne draden. Het Bijenhuis te Wageningen brengt een zeer goede soort in de handel.
Het is raadzaam de honig voor het zeven te verwarmen tot circa 50° Celc. en gedurende het zeven met een houten lepel van tijd tot tijd langzaam te roeren. De honig gaat namelijk, wanneer we hem rustig laten staan weer van de vloeibare toestand over in de gelatineachtig toestand, waardoor het zeven onmogelijk wordt. Het roeren moet zodanig geschieden, dat de lepel niet boven het honigoppervlak uitkomt, daar we zeer gemakkelijk kleine luchtbelletjes in de honig brengen, die niet verwijderd kunnen worden, terwijl de honig door deze luchtbelletjes zijn mooie heldere kleur verliest.
Uit deze voorschriften volgt, dat het slingeren van heidehonig moeilijker gaat en meer werk vereist dan het slingeren van zomerhonig. Ik ken dan ook imkers, die de heidehonig niet oogsten, zij stellen zich dan op het standpunt, dat de opbrengst het werk niet loont, vooral omdat, naar ze zeggen, minstens de helft van de honig in de raten blijft zitten. Deze redenering is echter niet juist. Wanneer men het slingeren op de juiste wijze uitvoert blijft hoogstens 10 tot 15% honig in de ramen. De geslingerde honig heeft steeds een veel grotere waarde dan de gedenatureerde suiker, die men er voor moet invoeren, terwijl deze laatste voor de bijen een beter overwinteringsvoedsel is dan de dextrine-bevattende heidehonig.
Na deze raadgevingen, de honig betreffende, gaan we eens zien, wat er in September aan de bijen te doen is.
Tegen het einde van de heidedracht krimpen de volken hun broednesten in, doordat de koningin steeds minder eitjes gaat leggen. Voor de imker is het echter van zeer groot belang, dat in het najaar nog een groot aantal jonge bijen geboren wordt. Een groot gedeelte van de van de heide teruggekomen bijen is namelijk afgeleefd en versleten door het werken op de heide, zodat deze bijen gedurende de winter of in de eerste maanden van het volgende jaar sterven. De in September en October geboren bijen daarentegen hebben dit jaar geen werk te verrichten, waardoor ze langer leven en het volgend voorjaar veel beter in staat zijn het jonge broed te voederen en te verzorgen dan de oudere bijen (voor zover deze nog leven.)
We moeten dus trachten de inkrimping van het broednest te verhinderen en gaan daartoe dadelijk na het afnemen van de honig onze volken drijfvoeren, door ze kleine hoeveelheden van een dunne suikeroplossing (één gewichtsdeel suiker op 1½ tot 2 gewichtsdelen water) toe te dienen.
De resultaten van dit drijfvoeren lopen in de verschillende jaren zeer uiteen. In sommige jaren wordt nog weer een flink broednest aangezet, in andere daarentegen ziet men zo goed als geen resultaat. Volgens mijn mening is de oorzaak hiervan te zoeken in de omstandigheid in hoeverre de koningin reeds met het leggen van eitjes was opgehouden. In volken, die als het ware reeds in een rusttoestand van de winter waren gekomen, krijgen we zo goed als geen broedaanzet meer. Het is dus aan te bevelen de volken niet te lang op de heide te laten staan, doch ze dadelijk na afloop van de dracht naar huis te halen.
Een ander middel om in het voorjaar sterke volken te krijgen is de volken dadelijk na hun terugkomst van de heide te versterken met bijen. In de meeste streken van ons land waar nog korfteelt is, zijn tegen redelijke prijs wel afgesalpeterde of afgeveegde bijen te krijgen, die zich zeer gemakkelijk met de standvolken laten verenigen. Zeker heidshalve kan men het standvolk zowel als de toegevoegde bijen met wat suikerwater besprenkelen. Indien men naakte volken met koningin voor het versterken gebruikt moet natuurlijk de koningin uit het naakte volk verwijderd worden.
E., L.