Uit de Jaagkieps.


In aansluiting op het aangehaalde in de vorige jaagkieps inzake het bijengift in de geneeskunde volgt hier een bericht uit de Beeworld 1939/4.
M. Gruensfeld, vroeger verbonden als Hoofd-geneesheer aan de Kuranstalt te Weenen geeft een artikel met de volgende titel: Vooruitgang in de behandeling met bijengift-injecties. Hij zegt, dat, als wij na ongeveer 11 jaar proefneming onze resultaten nagaan, wij kunnen zien, dat de gunstige uitslagen na een observatie van 2 jaar zich niet alleen bestendigd, maar ook uitgebreid hebben.
Verschillende soorten Rheumatiek zijn met succes behandeld, maar ook andere ziekten blijken met bijengift bestreden te kunnen worden. Deze ziekten zijn zeer van elkander verschillend, zodat niet gemakkelijk een afdoende verklaring voor de feiten te geven is. Onderzoekingen om deze vraag op te lossen zijn nog in bewerking.

Tot deze ziekten behoren om de meest belangrijke te noemen: migraine, trachoma (een oogontsteking), moeilijk te genezen wonden (fistel). In de laatste tijd komt hierbij nog een tandheelkundige behandeling, de tandwortel betreffende.
Bij de behandeling van rheumatiek-lijders kwam men tot de ervaring, dat een patient, die met bijengift was behandeld, tegen verschillende ziekten beter bestand was en dit was vooral het geval met kouvatten. Op grond hiervan zijn zeer goede resultaten bereikt met proefnemingen tegen kouvatten en tegen de vatbaarheid hiervan. Misschien is de tijd niet ver meer, aldus deze geneesheer, dat mensen in bepaalde beroepen, die aan slecht weer en dergelijke risico's zijn blootgesteld, bij wijze van voorzorg met bijengift zullen worden behandeld (wat een uitkomst zou dat zijn voor de soldaten aan het front, die weer het slechte jaargetijde ingaan.)

Bij het lezen van dit artikel in de Beeworld dacht ik aan de steken die je wel eens in de omgeving van je neusgaten mocht ontvangen. Je hebt een raam vol bijen in de je handen en daar komt zo'n rakker je zonder enig ultimatum in het tussenschot van je neus steken. Tijd om het raampje neer te zetten heb je haast niet. Je neus begint te kriebelen en weldra begin je te niezen, het water loopt uit je ogen, in één woord je bent snip verkouden, maar voor een paar minuten. alleen de rode neus blijft de aangelaat nog wat sieren. Ik ben een leek op het gebied der geneeskunde, maar waarom zou ons lichaam, gelijk bij het inenten tegen pokken en andere ziekten, niet tegen de vatbaarheid voor verkoudheid door een kunstmatige opwekking daarvan, gehard kunnen worden?

Het overnemen van nieuws uit buitenlandse vakbladen kan wel eens tot minder prettige dingen aanleiding geven, vooral als het een Aprilmop betreft.
In het Aprilnummer van de Ukrainische Imker kwam van de hand van een Ingenieur Borwsky een artikel voor, dat door tal van bladen werd overgenomen en later een grap bleek te zijn. Schrijver deelde mede, het leven der hommels te hebben bestudeerd. Hij had waargenomen, dat hommel-moeren die uitgevlogen waren en buiten overwinteren wilden, de winter niet doorkwamen, hetgeen wel het geval was met moeren die in het volk bleven. Hij besloot hieruit, dat er méér nodig was voor een goede overwintering dan een stille droge plaats. Hij opende in de winter een kast, waarin een hommelvolk was ondergebracht en trof de koningin slapende aan bij een vijftal cellen, gevuld met een vloeistof. De koningin lag daar als dood, maar toen de kast in een verwarmd vertrek gebracht werd begon zij te herleven en ging uit de cellen drinken.

Schrijver zond de vloeistof hieruit naar Berlijn en daar constateerde men, dat het zuivere honing van de rode klaver was. Hierna werden proeven genomen met bijen-koninginnen, die uitstekend gelukten, hij schreef dit toe aan bijzondere eigenschappen van deze honing. Hij liet deze te Berlijn op vitamine onderzoeken en kreeg het volgende antwoord, dat de gehele geschiedenis waar deed schijnen, maar dat verzonnen was
"Ik wens U geluk. Gij hebt het geheim van de winterslaap der bijen gevonden. Sinds vijf jaar houdt ons Instituut zich met deze vraag bezig. De rode klaver bevat een tot heden onbekende vitamine, die de bijen in slaap doet vallen. De hommels hebben U daarin geholpen. Wees zo goed deze nieuwe vitamine te dopen".
w.g. Prof. Ulrich en J. Drolaty.
Het artikel trok veel aandacht en men wendde zich om nadere inlichtingen tot den Professor, die slechts kon mededelen geheel buiten de zaak te staan en dat het als een Aprilgrap moest worden beschouwd.
De Redactie van het blad, waaruit ik dit heb overgenomen, zal het mij wel niet kwalijk nemen, dat ik geen naam noem.

Finland staat de laatste tijd in het middelpunt van de belangstelling. Een kort verslag over de bijenteelt in dit land neem ik over uit een artikel van den Fin Lauri Tuomanen in de Deutsche Imkerführer 1937/8.
Schrijver zegt, dat zijn noordelijk gelegen vaderland, een groot land, voor de meesten van ons zo goed als onbekend is. De klimatologische verhoudingen zijn uiterst gunstig. De zomer is weliswaar kort, maar voldoende warm voor de werkzaamheden op de weiden. De winter is ook niet al te bar, zodat de bijen niet behoeven om te komen, als de kasten goed zijn en de behandeling zorgvuldig is.
Eerst in het midden der 18e eeuw is men met proefnemingen met bijen begonnen, maar deze mislukten. Het jaar 1765 kan als het aanvangsjaar der bijenteelt gerekend worden. De bijenvolken werden van Zweden ingevoerd en wel 24 stuks, nu kan men op 17.000 volken rekenen.

Na half October vliegen de bijen haast niet meer en gaat de winterrust in, die gemiddeld 144 dagen duurt, reinigingsvlucht einde Maart. De bijenteelt moet hiermede terdege rekening houden. De bijen worden in kasten van zeer verschillende typen gehouden, terwijl men nog 30 % korven telt. De meeste volken worden in de open lucht overwinterd, maar men heeft ook bijenhuizen. De late dracht valt in de heidestreken einde Juli tot begin Augustus.
Het landsgemiddelde van de honingopbrengst is hoog en wel 15 k.g., maar een volk kan 30 tot 50 k.g. opleveren en hoeveelheden van 80 tot 100 k.g. zijn onder gunstige omstandigheden geen zeldzaamheid, maar dan spreekt de bekwaamheid van den imker ook een woordje mee, In slechte jaren, die echter zeldzaam zijn, voert men suiker bij.
De Wight-ziekte is nog onbekend, Nosema veroorzaakte in de jaren 1916-1920 bijzonder grote schaden, maar de ernstigste ziekten zijn het boos- en goed-aardig vuilbroed.

Jékavé.