Het Internationale Congres voor Bijenteelt te Zürich.


(Slot.)


Professor Dr. B. Milojevic uit Belgrado, JoegoSlavië, hield twee voordrachten, namelijk over: "Een nieuwe opvatting over het sociale leven der honingbij" en "Over de mogelijkheid van koninginneteelt buiten het bijenvolk".
Professor Milojevic is professor in de biologie aan de universiteit te Belgrado en tracht door middel van de bijen te komen tot het verklaren van psychologische verschijnselen in het dierenleven. Hij laat daartoe (meestal kleine) groepen van bijen werken onder zeer abnormale voorwaarden (Zwangsbedingungen), om te kunnen nagaan in hoeverre de individuen zich als individu aanpassen aan deze abnormale omstandigheden en in hoeverre zij blijven gehoorzamen aan het sociale instinct en zich dus zullen gedragen als onderdeel van de groep bijen, waarin zij werken.

Spreker beschreef de wijze van uitvoering en de resultaten van een reeks onderzoekingen, welke door hem waren verricht. Het is bekend, dat in het bijenvolk een zeer ver doorgevoerde arbeidsverdeling bestaat, de zeer jonge bijen verzorgen de larven. In verband hiermede zijn de kop- en borstklieren van deze jonge bijen, waarin het voedersap voor larven wordt afgescheiden, sterk ontwikkeld. Bij de oudere bijen zijn deze klieren verschrompeld of gereduceerd.
Prof. Milojevic liet nu kleine volkjes voortdurend broeden door telkens het gesloten broed weg te nemen, zodat er dus geen jonge bijen geboren werden, die de voedstertaak van de ouder wordende bijen konden overnemen. Het bleek, dat deze ouder wordende bijen toen eenvoudig met het voeden der larven voortgingen, terwijl door microscopisch onderzoek werd vastgesteld, dat de kop- en borstklieren niet verschrompelden.
Verder stelde spreker kleine volkjes samen, uit bijen, welke 72 dagen oud waren. Deze volkjes stelde hij ruimschoots voedsel (honing en stuifmeel) ter beschikking. Het bleek, dat de larven, die uit de door de koningin gelegde eitjes tevoorschijn kwamen, door de oude bijen gevoed werden. Het microscopisch onderzoek toonde aan, dat de kop- en borstklieren, die gereduceerd waren, zich opnieuw ontwikkelden, hetgeen duidelijk te zien was op een micro-foto, die prof. M. als lantaarnplaatje toonde.
We zien dus, dat de bijen zich individueel (instinctief) aanpassen om haar sociale plichten te kunnen vervullen.

Prof. Milojevic nam ook proeven door groepjes van drie gemerkte bijen in kooitjes onder te brengen, waarin zich een stukje raat en een hoeveelheid voedsel in een schaaltje bevonden. De bijen zouden dus door eenvoudig voedsel uit het schaaltje op te nemen hebben kunnen leven. Zij deden dit echter niet. Zij brachten het voedsel uit het schaaltje over in de raat, waarbij nog duidelijk een arbeidsverdeling naar voren kwam. Wanneer de bijen in ouderdom verschilden, zorgden steeds de oudere bijen voor het transport, fungeerden dus als haalbij, terwijl de jongere het voedsel in ontvangst namen om het in de cellen op te bergen.
Bij de bijen moet dus een individuele, een specifiek sociale factor werken, die het doel van het werken der individuen bepaalt.

In zijn tweede lezing besprak prof. M. zijn proefnemingen op het gebied der koninginneteelt, waarbij hij zocht naar een methode, de bijen zodanig te behandelen, dat met weinig bijen een groot aantal koninginnen zou gefokt kunnen worden. Hij begon met gesloten koninginnecellen in een broedstoof bij een temperatuur van 33° Celc. te laten uitlopen. Dit gelukt zonder meer, geeft geen moeilijkheden en wordt ook in de praktijk wel hier en daar toegepast.
Daarna liet hij de koninginnen door enkele bijen in een kooitje in een broedstoof bij een temperatuur van 30 tot 33° Celc. verplegen. Het gelukte hem op deze wijze bevruchte koninginnen zeven à acht maanden buiten het bijenvolk in leven te houden. Hij toonde door middel van een lantaarnplaatje een foto van een raam met gesloten broed, dat belegd was door een koningin, die vier maanden opgesloten was geweest en daarna in een sterk volk werd ingevoerd. Het raam was onberispelijk belegd, zodat de koningin blijkbaar geen enkel nadeel van deze gevangenschap had ondervonden.
Tenslotte probeerde prof. M. uit eitjes koninginnen te fokken in volkjes van 60 tot 80 bijen, eveneens in een broedstoof bij een temperatuur van 30 tot 33 graden Celc. En inderdaad gelukte het hem bij zijn eerste proefnemingen drie koninginnen te telen, twee ervan hadden de normale grootte, de derde was kleiner dan de normale koningin. Het merkwaardige is echter, dat hem nadien niet weer gelukt is op deze wijze koninginnen te fokken, hoeveel pogingen hij daartoe ook heeft gedaan en hoeveel moeite hij zich ook gegeven heeft alle omstandigheden gelijk te maken aan die van de eerste proefnemingen, toen het hem wel gelukte.

Spreker verzocht de aanwezigen, die daartoe de gelegenheid mochten hebben, onderzoekingen in dezelfde richting te willen doen, omdat hieruit zowel voor de wetenschap als voor de practijk belangrijke resultaten en voordelen kunnen voortvloeien.

De Heer R. Lunder uit Hvalstad, Noorwegen, sprak over: "Bijenteelt in Noorwegen".
Deze lezing was vooral interessant, omdat de bijenteelt in Noorwegen veel overeenkomst vertoont met onze eigen bijenteelt, maar toch door klimatologische omstandigheden ook weer grote verschillen voorkomen.
Bijen worden in Noorwegen naar het Noorden tot de 70ste Breedtegraad gehouden. De omstandigheden zijn hier echter slecht, zodat men er slechts amateurs aantreft. In Norland wordt het reeds beter en nog verder naar het Zuiden in Trondelag b.v. vindt men een economisch lonende bijenteelt. In het bergland worden daar tot op een hoogte van 400 meter bijen gehouden. Gedurende de wintermaanden ligt in het bergland de sneeuw 2 meter hoog, zodat men een tunnel door de sneeuw zou moeten graven om bij de bijen te kunnen komen. Dit is echter niet nodig. Door de sneeuw dringt voldoende lucht voor de ademhaling der bijen. Wel heeft men in die streken zeer veel last van vochtige kasten en vochtige raten.
Door de lange dagen en de korte nachten in de zomer (men denke aan de middernachtzon) werken de bijen soms bijna dag en nacht op de honingdauw, omdat deze voortdurend wordt afgescheiden. Op de bloemen vliegen ze minder lang, omdat de hoeveelheid nectar in de bloemen op een bepaald ogenblik is uitgeput en de plant zich als het ware moet herstellen. Toch zijn er dagen, waarop de bijen van 's nachts drie of vier uur tot 's avonds tien uur de bloemen kunnen bevliegen.

In het algemeen zijn de honingoogsten in het bergland beter dan in het laagland, het schijnt, dat het leven in de bergen intensiever is, de geur der planten b.v. is er veel sterker. De Heer Lunder heeft gepoogd de opbrengst der bijenvolken te verhogen door met de bijen te reizen naar de heide in het bergland tot ongeveer 1000 meter hoogte, en inderdaad schijnen deze pogingen met succes bekroond te zullen worden. Men heeft bij dit reizen bovendien het voordeel, dat de bijen eerst de heide in het laagland kunnen bevliegen, daar de heide in de bergen later bloeit.

De beste honingoogsten bedragen circa 20 k.g. per volk, het gemiddelde voor het gehele land is 11.7 k.g.
Klaver geeft in Noorwegen slechts in bepaalde gebieden honing, waarbij de temperatuur en niet de gesteldheid van de bodem de grootste invloed heeft. Klaver geeft bij temperaturen beneden 23 gr. Celc. geen honing.

De Heer M. Schreck uit Zürich, Zwitserland, die lange tijd in Argentinië verbleef, sprak over : "De bijenteelt in Argentinië".
Door de langgerekte vorm van Argentinië (afstand van het Noorden naar het Zuiden bedraagt ongeveer 3600 k.m.) bestaan er in Argentinië wat het klimaat betreft zeer grote verschillen. Het Noordelijk deel is sub-tropisch, terwijl in het Zuiden een koel klimaat wordt gevonden.
Het middengedeelte, de Pampas, bestond vroeger uit prairies, doch is nu door kunstmatige bevloeiing in cultuur gebracht. In het Noorden vindt men hoofdzakelijk verschillende mimosa soorten, in centraal Argentinië treft men een belangrijke fruitteelt aan, terwijl er veel luzerne voor de zaadwinning verbouwd wordt. Deze luzerne wordt dus niet gemaaid. Bovendien is er zeer veel witte klaver en als onkruid een groot aantal soorten distels.
Het is duidelijk, dat deze planten tezamen een uitstekende bijenweide vormen.

De oogsten bedragen er gemiddeld 60 tot 80 k.g. per volk, doch men vindt er ook opbrengsten van 150 tot 200 k.g. per volk. Als gevolg van deze goede oogsten heeft zich de bijenteelt in Argentinië buitengewoon ontwikkeld, hetgeen moge blijken uit de volgende cijfers.
In 1869 waren er 93 volken, in 1895 was dit aantal gegroeid tot 39920 en in 1923 tot 133070, waarvan 43862 in vaste bouw en 89208 in losse bouw. In 1937 was de vaste bouw geheel verdwenen, deze werd door de regering verboden, terwijl het totaal aantal volken was gestegen tot 262322. Het gebruik van honing per hoofd van de bevolking steeg in de jaren van 1913 tot 1937 tot het achtvoudige.

De overwintering der bijen in Argentinië verloopt zeer gunstig. Een overwinteringsprobleem kent men niet, daar de bijen de gehele winter door kunnen vliegen. Vooral bevliegen ze dan de eucalyptus, die ondanks nachtvorsten overdag bloeit en honing geeft.

Van de lezing van den Heer Dr. Winkel uit Rotterdam over: "Nosema in Nederland" zal ik geen uittreksel geven. omdat binnenkort in het Maandschrift het boek van Dr. Winkel, dat hetzelfde onderwerp behandelt, zal worden besproken.

LAMMERINK.