HET BOVENVLIEGGAT


(Voordracht, gehouden op het Internationale Bijenteeltcongres in Zürich, Aug 1939 , hier en daar gewijzigd en aangevuld.)

Veel is er in de laatste jaren geschreven en gesproken over het bovenvlieggat, doch zelden ziet men het aan kasten, zeer dikwijls aan korven. In het mooie boek van Dr. Karl Freudenstein, 1938, staat een foto van een paar honderd korven, gekocht met het oog op kale volken, alle met het vlieggat boven. Een imker, die bij kasten er proeven mee genomen had, oogstte daarvan in een onzer bijentijdschriften, in plaats van waardeering, niets dan spot.

De theoretische beschouwingen over dit vlieggat krijgen naar mijn meening geen voldoende steun van de proeven. Sinds een jaar of 4 verschijnt er van de twee Amerikaansche bijentijdschriften: "The American Bee Journal" en "Gleanings in Bee Culture", bijna geen nummer zonder een of meer artikelen er over, de meeste ter aanbeveling voor een uitstekende overwintering. Deze gaat in de noordelijke landen van de Ver. Staten nog met heel wat meer moeilijkheden gepaard dan hier. In het Augustusnummer van het Engelsche tijdschrift "The Bee World" lees ik: "De vraag, voor eenige jaren in het tijdschrift gesteld, of van volken met het vlieggat boven, bijen en broed minder te lijden hebben van ziekten, is nog steeds onbeantwoord gebleven". Een beslissende uitspraak durf ook ik niet te geven; maar als het waar is en ook wel algemeen aangenomen, dat vochtige bijenwoningen, juist met het oog op bijenziekten zeer slecht zijn, dan waag is het te verklaren: geef de volken een bovenvlieggat; de woningen blijven droog en de vochtigheid kan de ziekte niet in de hand werken.

Op het Internationaal Bijenteeltcongres te Brussel in 1935, heeft daarop vooral gewezen Dr. Lardinois, wiens gevolgtrekking luidde: Houd de kasten vrij van schimmel door ze droog te houden. Monnaie, die voor dat doel een vlieggat vóór beneden en een groote opening achter boven bepleitte, kreeg de opwerpingen te hooren van een te sterke luchtstrooming en dus te sterke afkoeling, te groot voedselgebruik met de gevolgen daarvan; en wegens volslagen gebrek aan vocht geen vroege vorming van een broednest, b.v. in Februari. Ik zou niet graag zoo'n luchtstrooming in de kasten hebben, als Monnaie dat verlangt, maar tegen het bezwaar van laat broed durf ik opmerken liever wat later broed en een gezond volk, dan vroeg in het jaar veel jonge bijen en groote sterfte. Dat late vormen van een broednest haalt een flink volk spoedig in. Eén van mijn volken had op 1 April tengevolge van het slechte weer maar een klein partijtje eieren, geen enkele larve zelfs. Toen het van het fruit terugkeerde - ook tijdens de bloei van 18 April tot 23 Mei was, zooals bekend, het weer bijna voortdurend ongunstig - besloeg het broednest 9 ramen, zoodat ik onmiddellijk de zwermverhinderingswijze van Snelgrove te hulp riep.

Het begin van mijn eigen proeven met het bovenvlieggat kon mij niet van zijn deugdelijkheid overtuigen. Een niet geringe moeilijkheid bestond in de toepassing bij een voldoend aantal kasten zonder groote veranderingen. Ondanks alle bezwaren ging ik er toch toe over, nadat mijn bijen begin Mei 1936 aangetast werden door nosema. Het jaar te voren waren bij mijn buurman iederen dag 1000-en slachtoffers gevallen; bij mij bleef het gelukkig bij honderden. Zonder te pochen mag ik gerust zeggen, dat op mijn stand groote zindelijkheid heerscht, maar toch kreeg alles een flinke beurt, vooral de drinkplaats: een hellend betonnen blok, met mos begroeid, waarop uit een kraantje van de waterleiding water bleef druppelen. Al het mos moest verdwijnen hierin toch kon een besmettingshaard schuilen - en na afwassching glom de steen van blankheid. Juist toen de sterfte zeer groot was, 10 Mei, had de redactrice van The Bee World, Mej. A. Betts, de vriendelijkheid mij haar werkje: „The Disaeses of Bees" te zenden. Daarin las ik een middel tegen nosema, aanbevolen door Borchert en Polzin: voeren met honingwater 1 op 1, onder toevoeging van 1¼% formaline. Aanvankelijk namen de bijen deze oplossing zeer goed op, na eenige dagen niet meer. Daags na de eerste toediening vond ik nog vele dooden, maar de sterfte nam zeer snel af en op 21 Mei was de ziekte verdwenen. Mag ik dit toeschrijven aan de werking van formaline? De Amerikanen noemen nosema: the disappearing disaese, de verdwijningsziekte, omdat de bijen de woning verlaten om buiten te sterven, derhalve verdwijnen en na eenigen tijd ook de ziekte verdwijnt, van zelf. De gestelde vraag beantwoorden met ja, acht ik niet gerechtvaardigd, maar in ieder geval vind ik het toch zeer merkwaardig, dat zoo spoedig na de farmolinevoedering mijn bijen in volle gezondheid weer rondvlogen. (Einde Mei '38 hadden de volken, ook die in de omgeving, nog een aanval van nosema te verduren, doch slechts een zwakke: ik voerde maar eens met formaline-suikerwater.) Veertien dagen na genezing - in '37 - was het weer mis: nu hadden de bijen de Meiziekte te pakken. Ik gaf suikerwater, 1 op 1, met 5 tot 6 druppels formaline per k.g., volgens Perret-Maisonneuve: L' Apiculture intensive. Spoedig kwam alles weer in orde. Maar tegelijk met het toedienen van formaline-suikerwater begon mooi weer, een uitstekend middel tegen die ziekte, zoodat vermoedelijk niet de formaline, doch het weer de genezing bewerkte.

De nosema overviel mijn bijen, nadat de kasten gedurende de winter sterk van vocht te lijden hadden: in drie was alles beschimmeld. De oorzaak er van zal ik maar niet beschrijven. Bij al mijn kasten, op deze drie na, heeft de bodem ongeveer de vorm van een omgekeerde, vierzijdige, holle pyramide, met het vlieggat een beetje vóór het midden (fig. 1 stelt een middendoorsnee voor, van voor naar achter; de inwendige middendoorsnee van rechts naar links heeft de vorm van een omgekeerd trapezium zonder basis). Het condensatiewater loopt van tijd tot tijd met straaltjes er uit, vooral in '36. ¹) Vóór dit benedenvlieggat laat de figuur een ruimte zien, die afgesloten kan worden en in de winter ook afgesloten wordt, met een plankje (p), dat aan weerszijden van de onderrand een kleine uitsnijding heeft. Door deze openingen vliegen de bijen naar buiten, na door het gewone vlieggat in het portaal gekomen te zijn. Dit plankje zal wel een tochten in de kast verhinderen,- ook bij aanwezigheid van een vlieggat vóór boven.

In het Decembernummer 1936 van "Gleanings in Bee Culture" vond ik door A.H. Gates een inrichting beschreven voor het bovenvlieggat. Vele had ik er reeds gelezen, maar deze leek mij zeer eenvoudig en doelmatig, zoodat ik besloot hem de volgende winter toe te passen. Volkomen geslaagd mocht ik deze eerste proef niet noemen, Maar in den afgeloopen winter onderwierp ik bijna alle kasten er opnieuw aan en wel met het beschreven vlieggat beneden en een tweede vóór boven.
De inrichting van dit laatste toont figuur 2 zoo duidelijk, dat ik een lange beschrijving overbodig acht. Spijker 4 latten van een 10 cm. hoog en een lengte gelijk aan de lengte en de breedte van de kast, haaks aan elkaar, na in het midden van de voorste 2 gaten (a, a) van b.v. 1½ tot 2 cm. middellijn geboord te hebben (of zaag uit de onderkant een rechthoekig stukje van 10 X 1.2 cm.). Een stuk jutezak vormt de bodem. Achter de voorlat komt een bakje (b), dat als portaal dienst doet. Het gemakkelijkst verkrijgt men dit, door aan een kant van een niet te groot, doch stevig plat sigarenkistje (van 50) een stuk af te zagen.



(Een pientere imker spijkert natuurlijk het deksel vast en verwijdert de dunne bodem.) Langs elk van de 3 randen dan nog een latje (d) getimmerd en het vastzetten tegen de achterkant kost geen moeite meer. Het spreekt van zelf, dat de jutezak aan de onderkant van het portaal weggesneden wordt (c) na hem aan de plankjes bevestigd te hebben. Ik gebruik daarvoor smalle reepjes van sigarenplankjes. Op de 4 latten spijker ik eveneens latjes: de jutezak blijft zo veel beter zitten dan b.v. met omgeslagen nageltjes alleen, ofschoon ook die hem heel goed vasthouden. Door de opening in de jutezak komen de bijen van de raten in het portaal en naar buiten. Om het inwaaien te beletten, hang ik vóór de boorgaten een zinken plaatje (z). Bij een rechthoekige opening komt de gleuf in de zijrand horizontaal te liggen i.p.v. vertikaal.

In de winter '37-'38 lag op de jutezak een laag droge bladeren, boven op deze het kussen. Wijl de bladeren echter bijna geen vocht opnamen, spreidde ik er de vorige winter een laag papierstroken overheen, die dat zeer goed deden. Met de lucht tusschen hen ingesloten als slechte warmtegeleider, vormen zij een eerste kussen, overdekt door het tweede.

Waarom thans de toepassing bij zoo vele kasten?²) In het voorjaar van '38 liet ik een kast maken heel en al van glas, met dubbele wanden, waarin de lucht zonder te kunnen ontwijken, opgesloten zat. (Bij simplexkasten is dit volstrekt niet het geval en daardoor gaat het voordeel van de dubbelwandigheid voor een groot deel verloren: alleen lucht, volkomen in rust, is een slechte warmtegeleider. Met het oog op de "Snelgrove" heb ik bij mijn simplexen de binnenaan de buitenbak vastgespijkerd en alle reten met vloeibaar hout dichtgemaakt: bij hen is de omgevende lucht dus in rust.) De afstand van de geka-wanden (geka = glazen kast) is ongeveer 3 cm., vóór en achter aan de onderkant echter veel grooter, omdat de ramen, waarop hij berekend was, boven een langere lat hebben dan beneden (raam met trapeziumvorm). Ook de afdekplaat, in het midden met een voeropening, was van glas. Een zwerm werd er ingeslagen en aan zich zelf overgelaten. Hij kreeg voldoende voedsel en 10 latten met een strookje kunstraat van 5 m.m. hoogte, om raten te krijgen van voor naar achter. De zwerm deed, wat van hem verwacht werd en bouwde 10 raten, achter aan het glas vastgeplakt, dus recht; aan de voorkant echter, in de dwarste en onder afgerond, zóó dat het geheel een kwart bol vormde. Het begin van September bracht echt koude nachten: ´s morgens waren de binnenruiten volslagen ondoorzichtig van het vocht, terwijl het water onder door het vlieggat naar buiten dreef. - Misschien zal hier iemand opmerken: dat komt van het glas; in houten kasten is het zoo vochtig nooit. Maar dan denk ik aan het ware gebeurde, dat een snuggere bij het vegen - stofzuigers bestonden nog niet - ramen en gordijnen zorgvuldig sloot, zoodat geen zonnestraaltje naar binnen kon gluren. Op de vraag naar de beteekenis daarvan luidde het verbluffende antwoord: dan stuift het niet. Zoo toont zich ook het water misschien niet in gewone kasten, maar het is er toch: het trekt in het hout en perst de verf er af aan de buitenkant. Ik herinner mij nog uit mijn eerste bijenhoudersjaren, hoe na een winter sommige mijner (reeds lang gebruikte) simplexkasten er grootendeels ongeverfd bijstonden. Om het water gemakkelijk er uit te laten trekken, zag ik in een buitenlandsch tijdschrift den raad gegeven, kasten, die altijd binnenstaan - hoeveel zijn er dat in ons land? - te laten, zooals zij van den timmerman komen.

Een paar dagen na het optreden van die groote vochttoestand lagen elken morgen eenige larven, poppen en pas of nog niet uitgekomen bijtjes dood voor de geka. Toen ging de glazen dekplaat er af en de beschreven inrichting er op, met vlieggat onder en boven; dit laatste in de vorm van een rechthoek met een vliegplankje er voor. Gevolg ?... Daags daarna de kast volkomen droog. ³) De tweede dag vond ik nog een paar lijken, maar toen was het ook gedaan: de sterfte kwam niet terug Van ziekte bij larven enz. was niets te vinden; de groote vochtigheid alleen had schuld. Bij de strenge vorst in December, tot -18 °, waren de binnenruiten zoo prachtig versierd met ijsbloemen, dat er aan doorkijken niet te denken viel, doch de thermometer in de tros wees 25 ° : de bijen hadden het daar heerlijk warm. Twee raten rechts en een links (de kast van achter gezien) waren onbezet. Alle raten samen bedroegen ongeveer drie vierde van de binnenruimte, die om en om 80 dm3 bedraagt. lederen morgen, af en toe ook overdag, verwijderde ik de fijne ijsnaalden, die het bovenvlieggat poreus afsloten, wel een bewijs, dat heel wat waterdamp ontweek. Bij andere kasten prijkten boven de twee boorgaten 2 strooken van bevroren waterdamp; terwijl twee met een rechthoekige opening zooals de geka, aan de achterkant van het zinken plaatje (z) een dikke ijslaag aangezet toonden. (Wegens gevaar voor afsluiting der opening door ijs, mag het plaatje dus niet te dicht er bij hangen.)
Toen het dooiweer inviel, verdwenen snel de ijsbloemen in de geka: hij was onmiddellijk weer droog. Bij het voorjaarsonderzoek nergens beschimmelde raten (ik laat een volk ter overwintering slechts zoo veel ramen, als zij op een killen Septembermorgen kunnen bezetten). Ofschoon de 3 bovengenoemde raten van de geka den heelen winter zonder bijen bleven, toonden ook zij geen spoor van schimmel. Onnoodig te zeggen, dat al deze volken uitstekend overwinterden, frisch en gezond hun voorjaarswerk begonnen.


Een ander voordeel van het bovenvlieggat, waarop de Amerikaansche voorstanders sterk den nadruk leggen, wil ik nog vermelden: geen gevaar voor dichtsneeuwen, zooals op 9 December '37 bij mijn 5 buitenstaande volken gebeurde: de sneeuw lag ¾ m. hoog. Deze zelf laat genoeg lucht door, maar erg wordt het als na kort zwak dooien opnieuw vriezen volgt: de sneeuw verandert in ijs en de bijen stikken. Bij ons dreigt dit gevaar niet sterk, omdat de volken dicht genoeg bij huis staan en geholpen kunnen worden. Maar ik heb het toch beleefd, dat door afdruipend water het vlieggat dichtvroor: zoo iets gebeurt boven nooit. Ook doode bijen kunnen geen afsluiting veroorzaken.

Menig lezer zal wellicht moeilijkheid maken tegen het ontwijken van warmte tegelijk met de waterdamp. Warmte gaat er zeer zeker uit: de
Amerikanen beweren zelfs, dat deze de sneeuw voor het bovenvlieggat wegsmelt. Maar voor voldoende warmte late de imker gerust de zorg aan de bijen zelf over. Kunnen zij rekenen op de zorg van den imker voor voldoende voedselvoorraad, dan komt alles terecht: de ondervinding leert het. Ik twijfel geen oogenblik, of ik kan na dezen winter eenzelfde gunstige uitslag melden als na de vorige.

Ten slotte nog de vraag: maken de bijen gebruik van het bovenvlieggat? Bij storing komen er aanstonds eenige door naar buiten; anders bij de reinigingsvlucht b.v., niet vele en die het doen, keren beneden terug: die weg kennen zij. Toen er in het voorjaar geen gevaar meer bestond voor verkleumen, sloot ik bij de geka het benedenvlieggat en dwong de bijen tot gebruik van het bovenste. Na een maand ongeveer kregen zij de keuze tusschen beide: een partijtje hernam de oude gewoonte, maar het aantal slonk voortdurend en ten slotte was er zoo goed als geen meer. Ook in de laatste maanden gaan alle boven uit en in; dat schijnt hun derhalve het best te bevallen.

Honing heb ik niet van de geka gehad. Het volk mocht doen, wat het wilde; dus ook zwermen. Dat deed het dan ook, maar zoo, dat niemand het merkte, op 1 Juni. Er bleef nog een flink volk over, dat bij een gunstige lindebloei zeker zijn best gedaan zou hebben. (Het plan was de zwerm terug te geven, zonder de oude moer, na alle doppen op een na verwijderd te hebben.)
De andere volken hadden na de uitwintering enkel het benedenvlieggat.

Dr. L. PEETERS S.J.

NIJMEGEN, 30 November 1939.

¹) Sinds het aanbrengen van de inrichting, aanstonds te beschrijven, gebeurt dit niet meer.

²) Sinds begin October hebben al mijn kasten (15 van 10, 1 van 6 en 3 van 5 ramen) een vlieggat onder en boven en de beschreven inrichting. Bij 5 van 10, die buiten staan in weer en wind, heb ik de grens tusschen de 4-lattenbak en de kast omspannen met een opengesneden fiets-binnenband, zoodat geen regenwater naar binnen kan. Op de bovenrand van de band ligt het deksel.

³) Ook nu geen spoor van beslagen ruiten, noch in de koude dagen van October, noch van November.