De hazelaar

Wanneer het vaalgrijs van den winter, door de stijgende zon langzamerhand omgetooverd wordt in mild lentegroen, het heirleger der insecten uit zijn winter- of doezeltoestand geraakt en teekenen van nieuw leven begint te geven, dan verheugt de imker en natuurliefhebber zich reeds op al het komende en voelt ook hij zich weer verjongd en opnieuw mensch. Koude en guur weer trotseerende begeeft hij zich naar buiten en vergenoegt zich reeds, wanneer hij tusschen de nog schijndoode takken van den hazelaar de katjes in opgerolden, doch reeds meer lossen en slankeren vorm aanschouwt.
De hazelaar, afgezien van de diverse sagen en legenden welke hem omringen of van de tooveren wonderkachten welke men hem toeschreef door wichelroede enz., is een mooie heester of boom, welke de imker gaarne ziet. Immers het is een lentebode en soms ook een gedekt tafeltje voor onze bijen.
De gewone hazelaar (corylus avellana) alsmede diverse soortgenooten behooren tot de familie der napjesdragers of cupuliferaƫen en zijn voor in wilden en gekweekten toestand, kunnen best wat schaduw verdragen en worden dan ook veel gebruikt voor z.g.n. onderbeplanting. De vrouwelijke bloempjes zijn beduidend veel kleiner dan de mannelijke, vallen weinig in het oog en hebben den vorm van bladknoppen.
De slierende gele mannelijke katjes zijn reeds op afstand zichtbaar en een sieraad voor het gewas. Reeds bij zeer lage temperatuur bloeien zij, zoodat het meermalen voorkomt, dat het kostbare stuifmeel, hetgeen een uitstekend bijenvoedsel is, door den wind over de gevallen sneeuw vliegt en jammer genoeg doelloos verloren gaat (windbloeier).
Zeer zeker is de hazelaar verkwistend met zijn stuifmeel, doch het doel ligt niet verre, immers zouden te weinig van die kleine vrouwelijke bloempjes bevrucht worden indien het anders ware.
Imkers zouden door tegen de takjes te schudden en er een uitgebouwd raampje horizontaal onder te houden, stuifmeel kunnen vergaren, doch hierover willen we thans niet verder uitweiden.
De hazelaar kan voor bevruchting insectenbezoek ontberen. Anders is dit gesteld met b.v. appel en peer, waar men moeilijk ook van stuifmeel, doch wel van kleef- of plakmeel kan spreken, dat niet door den wind verstoven wordt, doch aangeraakt dient te worden en overgebracht op den stempel om bevruchting te veroorzaken, hetgeen grootendeels geschiedt door de bijen. Waar hazelaars en andere vroege bloeiers, b.v. wilg en kornoelje (C. Mas.) zich dicht bij een bijenstand bevinden, daar ontwikkelt zich het volk vroegtijdig, hetgeen meestal ten goede komt voor het klaarstaan voor de dracht, doch vooral bij de korven van groot nut is (vroege zwermen). De voortteling van den hazelaar, welke door zaaien kan geschieden, gebeurt meestal door scheuren of afleggen, daar de hazelaar meestal z.g.n. wortelecht is.
De vruchten, welke wel eens aangetast worden door het snuitkevertje of hazelnootboorder (balanius nucum) zijn de bekende hazelnoten, welke niet alleen gaarne door den mensch, doch ook door eekhoorntjes, hazelmuizen en vlaamsche gaaien verorberd worden en die ze wel eens in hun verzamelwoede verbergen en niet meer terugvinden (zadenverspreiding).
Er zijn ook verschillende Siersoorten in den handel met bruine, gele en ingesneden bladeren. Hazelaars behoeft men weinig te snoeien, hoogstens wat uitdunnen, liefst na den bloei.
De corylus colurna of kretische noot kan een boom van grooten omvang worden, bezit meer katjes in trosvorm en is vooral op ouderen leeftijd een stuifmeelleverancier en gros.
Laten wij het nut van onze stuifmeel- en honing bronnen in de hand werken door vooral die gewassen meer aan te planten, welke ze ons kunnen leveren.
DE JONG.