Naar nieuwe wegen in de bijenteelt.
De belangstellende lezer zal zich misschien nog het artikel herinneren uit het Decembernummer '38 met het bovenstaande opschrift.
Het betrof een groot opgezette practische proef van een groep leden van de afdeeling Apeldoorn over de waarde van de hooggeroemde en veelgesmade Amerikaansche gele bij voor ons klimaat.

Op het "bevruchtingsstation" Spelderholt.
Onder de beschutting van struikgewas staan
koninginnekastjes vrij opgesteld om vervliegen te voorkomen.
Winter '38-'39 werden op een 2-tal avonden de Mendelsche erfelijkheidswetten, toegepast op onze bijen, behandeld, om iederen deelnemer wat wegwijs te maken in verschijnselen, die zich waarschijnlijk in '39 zouden voordoen.
Tevens werd een lijstje van 16 punten gemaakt, waarop de Amerikaansche bij zou worden getoetst.
Dat lijstje op de voet te volgen, lijkt mij overbodig. Liever geef ik den algemeenen indruk terug, die de beantwoording door de leden van onze groep heeft gemaakt.
"Gedurende den winter waren over het algemeen geen groote verschillen op te merken tusschen de Amerikaansche en Hollandsche bij.
Dit werd anders bij de reinigingsvluchten. Die werden een paar keer gehouden bij een temperatuur van 50 ° F. en daar nog wat onder, telkens na een periode van eenige dagen strenge vorst, (Over het algemeen moesten de bijen dezen winter hier lang vastzitten.) De reinigingsvluchten waren zwak.
De Amerikaansche bijen kwamen met dik achterlijf, moeilijk vliegende, ook wel loopende, naar buiten. Er bleven er heel wat buiten verkleumd zitten, vaak in groepjes bij elkaar. Eén geval van vrij ernstige nosema deed zich voor. De stallen op het zuiden hadden genoemde verschijnselen niet zóó sterk of in het geheel niet. Bij onze Hollandsche bijen verliepen de reinigingsvluchten gunstiger.
Bij de uitwintering bleken de volken met import-koninginnen niet meer dik in de bijen te zitten. De volken met koninginnetjes, hier gefokt, waarvan de bijen al of niet soortecht waren, hadden het goed gemaakt. Wel was de algemeene indruk, dat de Amerikaansche volken meer voedsel hadden gebruikt dan de Hollandsche.
De leden, die begin Maart waren beginnen te voeren (van vorig jaar ook) hebben goede resultaten gezien: goede volken tijdens de bloei van het fruit.

Gelukkig ook een drinkplaats,
welke het geheele jaar water bevat.
Wat al vroeg in het jaar opviel, was de enorme legcapaciteiten van de Am. Koninginnetjes.
Het broednest breide zich in korten tijd zeer uit. De ramen werden regelmatig volgelegd van voor tot achter, zoodat de volken tijdens de fruit-bloei ook de honingkamer noodig hadden.
Meestal werden de honingkamerramen met darreneieren belegd, wat echter geen aanleiding gat tot het aanzetten van moerdoppen.
Ook de Hollandsche volken teelden in de honingkamer veel darren, die wel aanleiding gaven tot zwermen.
jammer genoeg waren geen moerroosters gelegd, anders was tijdens de fruitbloei al wel een honingoogst gemaakt. Nu kwamen de Amer. volken zeer sterk uit de fruitcampagne te voorschijn met weinig honing. Die was omgezet in broed en bijen.
Maar wat doet men met zulke zware volken, als er niet onmiddellijk een dracht op kan volgen?
Bij de Hollandsche bijen kan men dan de volken door zwermen vermeerderen of er een jonge koningin in kweeken.
Dit is voor de Amerikaansche onnoodig. Die zware volken midden en eind Mei zijn daarom ongewenscht. Men moet te veel voeren om ze op peil te houden tot de klaverdracht.
Ondertusschen werd bij een enkelen deelnemer: den heer Bisschop, een 9-tal jonge Hollandsche moeren bevrucht door Amerikaansche darren.
De bijen, die uit deze kruising voortkwamen, zijn bijna geheel zwart. Ze hebben een achterlijf met één erg smal geel ringetje, dadelijk achter het verbindingsstuk met het borststuk.
Wat die kruiselingen presteeren kunnen, zal nog moeten blijken.
Er werd een bevruchtingsstationnetje gemaakt. Het vorige op de "Hooge Veluwe" te Hoenderlo lag wat ver weg. Door de vriendelijke hulp van den ambtenaar Schepers werd een plaatsje gevonden in een oude kweekerij van 't Staatsboschbeheer op "Spelderholt" te Beekbergen.
Deze kweekerij ligt te midden van opgaande dennen, waardoor een open, zeer beschut gelegen plek is ontstaan, gelukkig ook met een drinkplaats, die het heele jaar water bevat.

Deze kweekerij ligt temidden van opgaande dennen,
waardoor een zeer beschutte plek is ontstaan.

Een toegangsweg in de directe nabijheid
van ons "bevruchtingsstation".
De hoogte van het omringende hout.
Wij hadden de hoop en verwachting, dat ook hier geen storende invloeden zouden optreden door Hollandsche darren. Dit bleek inderdaad zoo te zijn. De naaste bijenstanden (2) waren hemelsbreed ong. 4 km. (op de kaart gemeten) verwijderd.
Op een van deze bijenstanden was een zeer groot aantal Hollandsche darren gefokt, bewust gefokt, naar het zeggen van den eigenaar.
Welnu. Vanaf begin juli tot begin september is in drie darrenvolken, die op het bevruchtingsstationnetje stonden, geen enkele zwarte dar aangetroffen. Vaak werden die volken 2 of 3 maal per week op darren nagekeken.
Men moet hierbij in het oog houden, dat volken zonder vruchtbare koningin, en dat waren onze darrenvolken natuurlijk ook, als een magneet werken op darren. Dat is tenminste de meening van de imkers.
Men kan dus gerust zeggen, dat dit bevruchtingsstationnetje door de omringende dennen volkomen geïsoleerd lag ten opzichte van de darren van de naburige bijenstanden.
Dit verloop, ook van vorig jaar op "De Hooge Veluwe", gaf schrijver dezes aanleiding na te gaan, hoever de darren dan wel vliegen.
Hierover en over het verdere verloop van onze proef een volgende keer.
APELDOORN, Nov. '39.
G. LIJFTOGT.