Referaat.
De eiwit-stofwisseling in het bijenvolk gedurende de overwintering.
Dr. L. Lotmar. Landwirtschaft. Jahrbuch der Schweiz 1939 (36 blz.).
Schrijfster is bioloog aan het laboratorium voor bijenziekten te Bern. Het onderzoek is verricht met gezonde (I) en met Nosema-zieke bijen (II). In de inleiding (A) wordt gewezen op de verschillende publicaties betreffende dit onderwerp; de tegenspraken hierin waren aanleiding het nog eens grondig door te werken. Het ging in de eerste plaats om een onderzoek betreffende: 1e het z.g.n. vetlichaam, 2e de voedersapklier, 3e over vragen van de eiwitreserven, 4e stikstofgehalte en stikstofomzettingen in het bijenlichaam, speciaal gedurende de winterrust.
Haar eerste vraag betreft de betrekking van het vetlichaam en van de voedersapklier tot de eiwit-stofwisseling der bij gedurende de overwintering (B). Beschreven wordt de groffe en fijne bouw van het z.g. vetlichaam gedurende de zomermaanden, de veranderingen welke hierin gaan optreden aan het eind van Augustus en begin September bij de bijen, die "winterbij" gaan worden. Er treedt n.l. een sterke groei op in het vetlichaam, hetgeen in hoofdzaak wordt veroorzaakt door sterke vermeerdering van de eiwitbestanddeelen. Bij maximale wintergroei vormt het vetlichaam een dichtgeplooid wit weefsel. (Bij 10-12x loupe-vergrooting reeds te zien, na verwijdering van darmen en luchtzakken - openknippen. ref. ) In het voorjaar heeft een teruggang in dezelfde volgorde plaats. De "reserve" verdwijnt weer. Dan komt schrijfster tot haar eigenlijk systematisch onderzoek, 1e controleeren of alle overwinterende bijen zulke vetlichamen bezitten of slechts een deel; 2e nauwkeurige bepaling van tijdstip, waarop groei en afname waren te constateeren; hieruit conclusies van de rol van het vetlichaam, n.l. bestemming als reservestof voor zichzelf en voor het eerste broed; 3e hoe komen ze aan de bouwstoffen voor het orgaan, door stuifmeel of iets anders; 4e groepen van bijen werden onderscheiden met vetlichamen welke a. zeer zwak waren ontwikkeld (als bij zomerbijen), d. welke zeer sterk ontwikkeld waren, b. en c. overgangen van deze beide; groepen c. en d. hebben typische " wintervetlichamen". De onderzochte bijen werden in een bepaalde regelmaat uit het volk genomen. 1e broedbijen (afgevangen van raten met broed in herfst en lente), 2e bijen uit het centrum van de tros, 3e bijen van de middenzones, 4e randbijen. Twee jaar is het onderzoek voortgezet. Van begin September tot November stijgt het %, der groepen c. en d. tot 70 à 80 en blijft tot begin Februari. In Maart een plotselinge daling. In April zijn er geen bijen meer met vetlichamen. Deze afname heeft plaats bij eerste broedontwikkeling. Verder kon worden geconstateerd, dat door de bijen reeds vóór de broedperiode inzet, een deel van de reserve in het vetlichaam wordt verbruikt.
Ook de ontwikkeling der voedersapklieren is onderzocht. Samenvattend concludeert schrijfster, dat in de maanden October tot Februari de voedersapklieren der meeste overwinterende bijen in functie zijn. In Maart, April en Mei neemt deze toestand bij het meerendeel der bijen gaandeweg af.
Bij het onderzoek van de betrekking tusschen vetlichaam en voedersapklier in den broedloozen tijd is gebleken, dat bij gelijktijdig onderzoek beide organen in gelijke mate zijn ontwikkeld; dit kwam voor zoowel bij rand-, centrum- als middenzonebijen. Bij begin van de broedperiode houdt deze verhouding op.
Een volgende vraag was die der stuifmeelvoeding en overwintering (C). Er zijn gebruikt groepen van bijen gevoerd met uitsluitend suiker en met suiker-stuifmeelmengsel. Het bleek zeer duidelijk, dat de vorming der organen afhankelijk is van de stuifmeelvoeding. Hierbij aansluitend was de vraag, op welke wijze en wanneer verschaffen de bijen zich hun eiwitvoorraad in de vetlichamen. Aan elken imker, wordt er opgemerkt, is de beteekenis van een goede herfststuifmeeldracht bekend en wordt dit in verband gebracht met de ontwikkeling van het broed in het voorjaar. Dat de werkbijen echter voor zichzelf in de herfst stuifmeel verbruiken om hun wintervetlichaam op te bouwen, werd tot nu toe nog niet vastgesteld.
Op de volgende wijze werd dit onderzocht:
Darmen en endeldarmen van bijen uit 6 volken werden op de aanwezigheid van stuifmeel gecontroleerd. Terwijl de broedaanzet was opgehouden, werd nog aan het eind van October in 31% der darmen stuifmeel gevonden, waaruit wordt geconcludeerd dat ook nà
het broedloosworden de bijen nog stuifmeel opnemen, hetgeen overeenstemt met de sterke ontwikkeling der vetlichamen en klieren tot in November (zie boven). Waar in N ovember nog 97%, in Dec. 100% der bijen stuifmeel in de endeldarmen hebben, terwijl er nog goede reinigingsvluchten hebben plaats gehad, blijkt hieruit, dat er in Oct.-Nov. nog stuifmeel is opgenomen en verteerd.
In vergelijking en gedeeltelijke overeenstemming met de resultaten van andere onderzoekers besluit Lotmar, dat de door de overwinterende bijen door stuifmeelopnamen in de herfst aangelegde eiwitreserve in het vetlichaam voor een deel voor eigen stofwisseling en voor een ander, belangrijk grooter deel voor de opfok van het eerste broed in de lente gebruikt wordt.
Schrijfster verrichtte ook waarnemingen over een zekere groepenverdeeling in het overwinterend volk (E). Het bleek dat in Februari de "broedbijen" belangrijk meer wintervetlichaam en goed ontwikkelde klieren bezaten dan de randbijen. Het vermoeden wordt uitgesproken, dat er ook gedurende het winterhalfjaar een zekere arbeidsverdeeling in het volk heerscht (Rösch).
Ook langs zuiver chemischen weg, door stikstof bepalingen heeft Lotmar getracht in de eiwitstofwisseling van de winterbij een inzicht te krijgen (F). Het is gebleken, dat het stikstofgehalte van winterbijen duidelijk hooger is als dat van vlieg- en broedbijen en dat ook stuifmeelopname hiervan de oorzaak is. Ook bij opgesloten bijen zijn deze onderzoekingen verricht; hiervoor wordt naar het origineel verwezen.
II. Onderzoekingen met Nosemazieke bijen.
Reeds in een vroegere publicatie (1936) deelde Lotmar mede, dat de voedersapklieren in 1-3 weken oude Nosemabijen in doorsnede slechter ontwikkeld zijn dan van gezonde.
Wat betreft de eiwitreserven zijn deze bij de zieke bij spoediger verbruikt dan bij gezonde, hetgeen volgens schrijfster in samenhang staat met de bij zieke bijen algemeen toegenomen stofwisseling. Het vroegtijdig sterven van Nosemabijen is niet het gevolg van vroegtijdig gebrek aan eiwitstoffen, deze waren bij den dood van een volk nog niet geheel verbruikt.
WINKEL.