BIJDRAGE TOT DE KENNIS DER BIJENWEIDE.
Proef over den invloed van kunstmest op het nektargeven bij Boekweit.
De proeven, welke jaren geleden o.a. in Rusland en in de laatste jaren ook in Duitschland genomen zijn, om den invloed van kunstmest op het nektarafscheidend vermogen, eventueel op den nektar zelf, van planten vast te stellen, brachten het vraagstuk nog niet tot een algemeen geldende oplossing. En dit wel om drie redenen 1. Het nektarafscheiden en de natuurlijke invloeden, welke daarbij werken zijn nog zeer slecht bekend. 2. Er zijn zoover mij bekend nog veel te weinig exacte proeven genomen, en 3. de invloeden van klimaat en bodem en mogelijk nog vele andere factoren zijn van zoo'n ingrijpende beteekenis, dat de resultaten zeker zonder behoorlijk vergelijkingsmateriaal bezwaarlijk zoo maar voor andere streken kunnen worden toegepast.
Onbeïnvloed door vroegere buitenlandsche of binnenlandsche proeven beoogde navolgend beschreven eenvoudig proefje antwoord te geven op de enkelvoudige vraagstelling: "Is er verschil in de nektarafscheiding te constateeren door den invloed van bemesting ?" Dat zich hierbij en hieruit verdere vragen zouden voordoen, lag voor de hand. Deze zijn zoo goed mogelijk tevens ontwikkeld en zullen in het kort vermeld worden op de plaats in dit verslag waarop zij betrekking hebben; mogen velen zich geroepen voelen de leemten, welke nog in onze kennis over het honingen bestaan, aan te vullen.
Aanleiding tot de vraagstelling waren de zeer uiteenloopende meeningen over dit onderwerp.
1. In kringen der moderne voedingsleer wordt het gebruik van kunstmest afgekeurd, o.m. om den slechten invloed der teeltprodukten op het gestel van mensch en dier.
2. De oorzaak, dat de boekweit in ons land niet meer honingt wordt gezocht in het kunstmestgebruik.
Wat meening 1 betreft, hierover geeft deze proef geen uitsluitsel. De mogelijkheid van deze invloed acht ik echter niet uitgesloten, evenmin als de ontdekking van eventueele elimineerende methoden of misschien zelfs van het tegendeel, nml. een gunstige invloed bij de juiste aanwending.
Wat 2. betreft, dit is een zeer hardnekkig de ronde doende meening, welke door be-ja-ers en ontkenners aan de hand van eigen of door vertrouwde terzake kundigen genomen proeven wordt bewezen en verdedigd. Behoorlijke gegevens over deze proeven heb ik echter nooit kunnen krijgen en eerlijk gezegd ik heb van deze brave imkers ook geen al te geloofwaardigen indruk gekregen; het gevoel, overigens vaak een juiste waardemeter, speelt ons bij gebrek aan verstandelijke kennis en waarnemingsvermogen vaak parten. Ik zelf heb ook al jaren zoo eens een handje kunstmest op een hoekje heide gestrooid en er in den bloeitijd het mijne van gedacht, maar een goede proef stelde m.i. andere eischen, vandaar navolgende oriëntatieproef.
Inrichting van de proef.
a. Keuze der plant.
De vraag, die zich direkt voordeed was: met welke plant zal deze proef genomen worden? Over den invloed van kunstmest op koolzaad of op klaver (behalve Wieringermeerervaringen) hoor je eigenlijk nooit iets, het is juist altijd dat het van boekweit gezegd wordt. Het is mij evenwel bekend, dat in Kärnten, Bretagne en Siberië, waarvandaan toch nog veel boekweithoning komt, ook kunstmest gebruikt is zonder dat daarna iets bijzonders is bemerkt. Maar dit was dus één reden om boekweit te kiezen; andere gronden waren de gemakkelijke groei, de eenvoudige en gemakkelijke controle der nektariën en de beschikbare arme pas ontgonnen heidezandgrond.
b. Grond en bewerking.
In het najaar van 1936 ontgonnen heidegrond. Diep gespit. De grondsoort is dezelfde als hier in de omgeving (Huizen-Blaricum-Laren) in vroeger jaren regelmatig gebruikt werd voor de destijds beroemde Boekweitteelt van het Gooi. Gelden voor een grondonderzoek op Humusgehalte, Kalkonderzoek en Ph. waren helaas niet aanwezig. Nog laat in het jaar werden 5000 crocussen geplant. In den winter ongeveer per h.a. 10.000 k.g. kalkmergel gestrooid. Na de rooi in 1937 werden Lu - pinen gezaaid, welke in het voorjaar '38 met wat oude stalmest werden ondergespit, waarna Boerenkoolstronken werden geplant. ¹)
Op 21 Juni '38 werd de kool verwijderd, wederom gespit en thans bemest met per h.a. berekend 700 k.g. Superfosfaat, 700 Patentkali, 250 Chilisalpeter. 15000 k.g. Koeienmest, 15000 k.g. Schapenmest. Alle kunstmest werd ingeharkt, daarna gegoten. De dierlijke mest werd met de hand fijn gewreven in water en uitgegoten, dan ingeharkt.
c. Zaad en behandeling.
Het zaad werd verkregen uit de streek waar de Boekweit naar het heette nog wel zou honingen, nml. uit Staphorst van den landbouwer B. Trompetter en wel door welwillende medewerking van de Heeren Rijkslandbouwconsulent en diens Assistent te Meppel.
Op 21 Juni gezaaid, kon reeds 4 Juli worden verplant, 36 boekweitplantjes per vierkante meter, tijdens een flinke regenbui.
Op 20 Juli werd nog eens alle onkruid en opslag verwijderd en nogmaals een zelfde hoeveelheid mest toegediend, eveneens weder ingeharkt. Proefveldje 1 vertoonde toen reeds een paar bloempjes.
Geleidelijk vertoonen de veldjes nu groeiverschillen. N. (stikstof) is duidelijk forscher en groener, geen K. (kali) is dof donkergroen, onbemest gelig blad met sterk roode stengels. Later verdwenen deze verschillen vrijwel geheel.

Foto B. v. T.
d. Indeeling van de veldjes.
De proef bestond uit twee deelen:
1. in parallel de vergelijking: volledig kunstmest, Schapenmest, Koeienmest, Onbemest.²)
2. in parallel de vergelijking: onbemest (O), Phosfor + Kali + Stikstof (PKN), Phosfor + Kali (PK), Phosfor (P), Phosfor + Stikstof (PN), Kali + Stikstof (KN), Kali (K), en Stikstof (N).
De vraagstelling bracht namelijk mede, dat indien de kunstmest verschil toonde met de dierlijke meststoffen of onbemest, het van belang was te weten welke der meststoffen in het bijzonder de oorzaak daarvan zou kunnen zijn.
3. Over eenige contrôleveldjes, over invloed van den ouderdom, wordt aan het einde van het verslag over 1939 bericht.
e. Over het verloop van de proef 1938.
De bloei was een lust, zie de foto. Ook als tuinsieraad voldeed boekweit met de roode stelen, het fraaie blad (vooral de herfstverkleuringen) met de overdadige weelde van witte bloei van de lieve bloempjes met roode meeldraden bijzonder, het geheel was met een rand lila van Kattenkruid (Nepeta Mussini) afgezet.
Het weer was afwisselend, zooals wij dat in Holland kennen, maar geen hitte, geen regen of onweer, geen droogte of broeierigheid was in staat deze boekweit aantrekkelijk te maken voor mijn bijen. Dat deze lieve beestjes de smaak van hun baas zouden hebben, ik vind boekweithoning nml. niet lekker, meen ik te moeten betwijfelen.
Alleen op 27 Augustus vlogen er 's morgens zoo'n beetje bijen op, niet talrijk, maar toch bijen en anders was er zelfs nooit eentje.
De bijen maakten niet het minste verschil (zie vooronderstelling bij het opnemen der resultaten in verslag 1939) tusschen de perceeltjes, noch in tijdsduur noch in gedrag bij het bloembezoek.
Gevolgtrekking.
Deze proef lijkt dus op een mislukking; er valt slechts uit te zeggen, dat hoe ook gemest, de bijen lieten de boekweit in 1938 absoluut onopgemerkt.
In 1939 was dit anders.
Na de boekweit van 1938 werden wederom crocussen geplant, met turfmolm gedekt en weder kalkmergel. De crocussen zijn grootendeels bevroren en mislukt. Verder is er niet gemest, maar op de nawerking gespeculeerd, immers de oude boeren hier zeggen: boekweit moet op de oude vaag groeien. Door de felle droogte werd eerst op 18 Juni met planten begonnen en waren de planten reeds 15-20 c.m. groot. Het is echter goedgeslaagd, dank zij het gieten, gieten en nog eens gieten.
Het zaad was dit jaar evenwel betrokken van een Blaricumer landbouwer, die vanouds her nog zijn eigen "Boekèt" verbouwt en zelf zaad wint. De tegenwerping, dat dezelfde soort boekweitzaad gebruikt had moeten worden is niet juist. Het ging er in dit geval niet om, welke soort boekweit al of niet honingt, noch of deze het het eene jaar wel en het andere niet doet, maar het moest een honingende boekweit zijn om het verschil der bemestingen te kunnen waarnemen.
De groeiverschillen waren ook dit jaar na eenige weken, ondanks de reeds sterke planten, zeer duidelijk, de nawerking was scherp waar te nemen. Ook nu weer overgroeiden de planten dit aanvankelijke verschil, hoewel aan het einde van de groei de ontwikkeling toch wel verschil toonde in forschheid der planten, bleek dit verschil niet in het aantal bloemen aantoonbaar te zijn.
Op 16 Juli bloeiden alle perceeltjes prachtig en was dit de eerste dag van regelmatig bijenbezoek. De proef werd nu voortgezet tot en met 3 Sept., dus 50 dagen. Om nu de nektarafscheiding te constateeren was besloten op ieder vol uur het aantal bijen te tellen, dat op een vierkante meter (dus 36 planten) van ieder veldje aanwezig waren. Na eenige oefening gelukte het dit tellen buitengewoon snel te kunnen, zonder zich te vergissen met de vele zweefvliegen, welke er ook waren. Door tevens op de intensiteit, de ijver en den tijdsduur van het bloembezoek te letten werd een indruk verkregen over het meer of minder aantrekkelijk zijn der bloemen voor de bijen. Hierbij werd dus voorondersteld, dat onze immen beter de hoeveelheid en de kwaliteit van den nektar konden bepalen dan wij.
De indrukken over het bezoeken en de bijkomende omstandigheden als b.v. weersgesteldheid, zullen aan het einde even besproken worden, als eerst het cijfermateriaal is behandeld. En er werd behoorlijk cijfermateriaal verkregen; om dit direkt overzichtelijk te maken zijn deze getallen in grafieken verwerkt, welke beter leesbaar zijn dan kolommen cijfertjes.

De Kurve C.
Door eenvoudig alle bijenaantallen welke per vol uur op een perceeltje geteld waren op te tellen en te deelen door een aantal waarnemingsdagen, krijgt men een verhoudingscijfer. Dit geeft wel niet het absolute (ware) aantal bijen weer, dat dien dag op die vierkante meter is geweest, maar men krijgt zeer bruikbare relatieve (vergelijkings) waarden. Op deze wijze vielen ook de enkele regendagen, zonder bijenvlucht, vanzelf uit.
Teneinde te zien of de ontwikkeling der planten ook invloed der bemesting vertoonde, werden op 4 September uit elk perceeltje drie planten genomen, de bloemen geteld en het gemiddelde op tientallen afgerond. De uitkomst was verassend, zelfs die perceeltjes die op het oog iets holler stonden gaven praktisch een gelijk aantal bloemen. De grootste verschillen zijn: alleen Stikstof met alleen Schapenmest (1430 en 1580) dus 150 bloemen, maar per proefafdeeling zijn deze verschillen te verwaarloozen. Evenwel is het verschil per vierkante meter spoedig vrij goot, 36 X 150 bloemen is reeds 5400 bloemen. Of dit holler staan of de iets weelderige groei een verschil in de lichtintensiteit en dus op de nektarafscheiding ten gevolge had, moet helaas onbeantwoord blijven, het is echter wel een zeer voornaam punt.
De Kurve C spreekt overigens voor zich.
Uit de vergelijking Kunstmest-Schapenmest-Koeienmest-Onbemest blijkt feitelijk geen verschil te bestaan tusschen het bijenbezoek. Ook de van oudsher geroemde schapenmest, hoewel bovenaan staande, toont toch geen zoodanige opvallende voorkeur te bezitten. Mogelijk spreekt dus zelfs het grooter aantal bloemen hier mee.
De vergelijking der kunstmeststoffen onderling geeft wel aanleiding tot eenige opmerkingen.
Dat volledig bemest zoo ver achterblijft is onverklaarbaar (te sterke concentratie??) omdat het gelijke perceel bij de andere vergelijkingsproef zeer veel hooger (normaler) aantal vertoont.
Verder is opmerkelijk, dat onbemest (48) met het gemiddeld (47.7) zoo overeenstemt, wat beschouwd kan worden als een versterking voor de plus- en min-invloed der andere perceeltjes die wel bemest zijn.
Het meest sprekende beeld is wel het PhosforKali (PK) perceeltje, dat met (63) hoog boven alle anderen uitsteekt. Dit verschijnsel, dat nml. Phosfor plus Kali, in tegenstelling tot alle andere meststoffen en hun combinaties, een gunstigen invloed heeft op de nektarafscheiding werd reeds vroeger door Prof. Ewert te Landsberg a.d.W. beschreven en werd hier bevestigd; hetgeen mij na het uitrekenen het prettige voldane gevoel gaf, dat dan de heele proef wel goed zou zijn, en geslaagd mocht heeten.
Het resultaat over één jaar mag ons echter niet tot te voortvarende conclusies doen besluiten.

De Kurven A en B.

Om te weten hoe het aantal bijen zich verhield in verloop van één dag, al naar de vlieguren, is weder op dezelfde wijze als bij Kurve C. eenvoudig het aantal bijen (per vol uur geteld) op de verschillende uren opgeteld en gedeeld door het aantal waarnemingsdagen. De totaalaantallen stemmen dan ongeveer overeen met die uit Kurve C. en is het volgende op te merken. De uren zijn zonne-uren, dus geen zomertijd.
De vlieguren beginnen nooit voor 6 uur (één morgen 1 bij om 4 uur, dit is te verwaarloozen en voor 12 uur was het onder alle weersgesteldheden uit voor den geheelen verderen dag. De hoogte-uren waren 7 en 8 uur, om dan zeer snel af te nemen. Verschil per bemesting is praktisch niet waar te nemen, ook niet als men de verhoudingsgetallen neemt tusschen een bepaald uur op de totale daghoeveelheid. De kleine wisselingen b.v. bij N. en bij KN. zijn te gering om tot gevolgtrekking aanleiding te geven.
Wat ieder bevreemden zal is echter de 11 uur opleving. Dit moet evenwel worden toegeschreven aan het medetellen van drie uitzonderingsdagen en daarom misschien minder juist. Op deze dagen had nml. het volgende plaats. Na een broeierige nacht met veel lauwe regen, gebeurde het merkwaardige, maar wel vaker voorkomende, dat op alle drie de dagen even na tienen de regen vrij plotseling ophield, de zon warm doorbrak en daar kwamen de bijen met zwermen opzetten in, de boekweit. Dit heeft vanzelfsprekend een grooten invloed op het betrekkelijk lage cijfermateriaal gehad. Opvallend is echter hierbij, en daarom toch deze 11-uur-telling ook opgenomen, dat toch ondanks dit lage beginnen de "Kroeg" om 12 uur precies dicht was. De Boekweit zal ongetwijfeld den heelen morgen wel gehoningd hebben.

Nog zij hier vermeld, dat iedere week uit ieder veldje eenige bloemen werden genomen en de gelijkgeplaatste nectarien op grootte en ontwikkeling onderzocht. Tevens werden coupes gemaakt en ook met Fehling de nectar al of niet aangetoond.
Dit gaf geen ander resultaat dan bijgaande teekening van het microscopisch beeld van een doorgesneden boekweitbloem; het constateeren dat er geen verschil viel waar te nemen tusschen de bloemen van de verschillende perceelen en ten slotte het merkwaardige feit, dat na twaalf uur tot 's avonds, ondanks dat de bijen de bloemen onopgemerkt lieten, toch aan de buitenkant der nektarien zoetstoffen waren aan te toonen (vliegen en vlinders).
Om te weten, of de ouderdom der planten en de weersgesteldheid verband hielden met de nektarafscheiding op de proefperceeltjes, werd iedere week later een veldje aangezaaid. Het bleek, dat als de boekweit honingde, dit zoowel de zeer jonge als de zeer oude planten, allen gelijkelijk, deden.
Behalve op de honingbijen werd nog gelet op het gedrag en bevliegen door vlinders (Coenonympha, Lycaena Polyomatus, Pieris, Hesperis, Plusia), door wilde bijen (Prosopis, Sphecode, Halictus, Andrena, Dasypoda, Bombus en Psityrus ) door kevers (Elateriden, Malachius) en door vliegen (Eristalis, Helophilus, Syrphus). Hierover is echter niets te vermelden, behalve dat vliegen en vlinders 's middags ook aanwezig waren.
Ziekten kwamen in de boekweit niet voor, wel werden in het begin enkele plantjes door aardrupsen (Agrotis segetum) afgevreten en moesten door andere vervangen worden.
Gevolgtrekkingen.
Willen wij na één jaar toch gevolgtrekkingen maken; dan zijn dit de volgende
1. Tusschen onbemest, volledig kunstmest en dierlijke mest was geen verschil in het bevliegen der bijen, resp. nektarafscheiden waar te nemen.
2. Uit de vergelijking der kunstmeststoffen onderling zou blijken, dat Kali plus Phosforzuur samen een gunstige invloed op de nektarafscheiding zouden hebben.
3. Dat voor de praktijk zou kunnen blijken, dat een goede stalmestgift, aangevuld met kali en phosforzuur een gunstige invloed op de nektarafscheiding zou hebben. De praktijk heeft ook reeds zelf deze meening gevormd, hoewel voornamelijk op phosforzuur, dat de zaadvorming bevordert. Evenwel is wel reeds bekend, dat een goede zaadvorming en het afscheiden van nektar niet noodwendig samengaan.
Helaas is verzuimd een perceeltje stalmest plus kunstmest in de proef op te nemen.
4. Duidelijk blijkt, dat indien velen de prettige moeite zouden nemen om dergelijke eenvoudige proefjes te nemen op allerlei grondsoorten en met allerlei gewassen, dit vraagstuk spoediger opgelost zou kunnen worden. Mogelijk zouden wij dan ook begrijpen waarom b.v. klaver het in de eene streek niet doet en elders wel, of heide het eene jaar wel en dan langen tijd niet, of herfstleeuwentand in het zuiden wel en in het westen niet, enz. enz.
Eventueele fouten in deze opzet gelieve men te berichten en wie er nog wat anders uit lezen kan eveneens.
Afzonderlijke opmerkingen en aanteekeningen
Uit de aanteekeningen blijkt, dat de over het algemeen geldende stelregel warm broeierig weer, na vocht, een sterke nektarafscheiding zou bevorderen, ook hier opging. Voor boekweit echter slechts tot 12 uur wat het bijenbezoek aangaat, wat ik hier nog eens uitdrukkelijk herhaal. Prof Ewert heeft namelijk (naar persoonlijke mededeeling) een nektariëncentrifuge uitgevonden en daarmede aangetoond, dat ook in die uren, dat de bijen een plant (Linde, Boekweit, e.d.) niet bevliegen, er toch nektar aanwezig is. Zie ook mijn aanteekeningen derde alinea bij Kurven A en B. Wij zouden hiermede dus voor nieuwe raadselen staan (gelukkig nog wat te doen!!); in welk verband ik hier misschien een en ander vertellen kan over eenige nieuwe feiten.
Over de invloed van het licht stipte ik reeds iets aan, hierop hebben vanuit den grond en uit het plantenlichaam zelf mede invloed magnesium en silicium, uit de natuurgeneeswijze bekend dat siliciumbevattende kruiden als rijst (paddi) doppen en Schaafstroo lichtstraalachtige geneeskrachtige werking geven.
Uit proeven van de proefstations Dornach (Zwitserland) en Pillnitz (Sachsen) is gebleken, dat b.v. Ovarienhormonen zooals deze voorkomen in de urine van drachtige warmbloedige dieren een grooten invloed hebben op de groei en bloei van planten. Men denke hierbij aan den grooten invloed, welke er reeds bij menstruatie uitgaat op planten en bloemen, welke reeds door de aanwezigheid binnen enkele minuten kunnen verwelken en schimmels welke juist dan bijzonder sterk gaan groeien of vruchtvormen. Deze hormoneninvloed is ook duidelijk waarneembaar op de nektarafscheiding (Potproeven urine drachtige koe en Ureumoplossing). Dat de plantaardige hormonen (stuifmeelhormonen) een bijzonderen invloed hebben op de klieren van de voedsterbijen en de larvengroei en zelfs verder op den honing en daarmede weder op den mensch en bijzonder op groei van kinderen (zie b.v. praatje van Jekavé over verbrande bijen eten tegen onvruchtbaarheid) het volk roemt honing ook als vruchtbaarmakend middel voor vrouwen! Ook hier enz. enz. enz. een studie die mij reeds lang bezig houdt en nog wel jaren bezig zal houden.
Verder is op deze proefstations aangetoond, dat diverse metalen merkwaardige opstijgende en dalende bewegingen vertoonen ten nauwste samenhangend met de planeten waaronder zij vallen volgens de oude alchemistische leerstellingen. Het zaaien en oogsten met de schijngestalten van de maan is een algemeen en goed gebruik ten platte lande.
Nog valt te wijzen op stralingen, b.v. de Mitho- genetische stralingen, welke vooral ook in de volgeslachtsrijpe bloemen werken en mogelijk voor bijen zichtbaar (merkbaar) zijn. Zij vergissen zich nml. niet tusschen rijpe en nog onrijpe bloemen. In een donker vertrek zouden zij stralende bloemen (onder glas) opzoeken!!(?)
Ook op den erfelijken aanleg om veel nektar af te scheiden zou bij het winnen van zaad van bijzondere bijenweideplanten gelet moeten worden en selectie toegepast. Alle planten van één soort zijn in dit opzicht nog lang niet gelijk. Er valt nog veel te doen.
Hoewel dit alles tot de grootste voorzichtigheid bij aannemen en afwijzen maant, vervullen deze studiën ons toch met deemoed voor de schepping,
maar tevens met het brandend verlangen dieper in deze wonderlijke samenhang door te dringen. En blijkt het wel, dat wij met meer factoren te rekenen hebben bij onze proeven dan oorspronkelijk gedacht werd.
¹) Deze methode raad ik ieder sterk aan. Ik plant boerenkoolstronken, liefst dikke met nog een kopje, maar desnoods zonder dit laatste, zoo vroeg mogelijk dicht op elkaar, giet ze meestal met gier of beer stevig aan, zet de rijen op een halve meter en dat geeft op een klein hoekje een pracht dracht.
²) Het begrip volledig bemest genomen in de gebruikelijke vorm, nml. Stikstof-PhosforzuurKali-Kalk zooals de praktijk dit neemt. Men kan tegen deze proef tal van bezwaren aanwenden als men de eventueele invloeden der bijmengsels zou willen laten gelden, b.v. het magnesium van de Pat. kali, of de Ph. veranderingen.
Laren N.H.
F.W. Beekhuis van Till