OP DEN BIJENSTAND.
Gelukkig! M'n bange vermoeden dat de winter wel eens tot en met de eerste decade van Maart kon duren is niet uitgekomen. Deze vrees werd plotseling weggevaagd door een warme luchtstroom, welke de temperatuur tot 10 à 12 ° C. deed stijgen. Men had toen, voor zoover het nog niet te laat was, de gelegenheid zich te overtuigen van den toestand zijner volken. Velen gingen met lood in de schoenen naar het "iemenschoer" en zeer velen kwamen tot de ontstellende ontdekking dat ze tot ex-imker gedegradeerd waren. Op vele bijenstanden in het Noord en Oosten van ons land ziet het er troosteloos uit. Begin Maart kon men in de provinciale- zoowel als in de plaatselijke bladen berichten lezen welke melding maakten dat de imkers 50-100 % hunner volken hadden verloren. Het typische was wel dat bijna alle berichten spraken van "doodvriezen". Kleinere imkers hebben meestal niets overgehouden; grootere soms van 30 stuks 1 of van 50 ± 10 enz. En waar er nog wat overbleven hadden de bijen in vele gevallen den inhoud der woningen bevuild en verspreiden een zure stank. Ook deze zijn ten doode opgeschreven. 't Was me tijdens m'n vorig overzichtschrijven bekend dat er slachtoffers waren, doch dat het zulk een catastrophalen omvang had aangenomen had ik toch werkelijk niet kunnen vermoeden, gezien de resultaten op eigen bedrijf, waar absoluut geen sterfte optrad. Nu zal straks misschien de schuld op de pepersuiker '39 geworpen worden, doch die is in geen geval de oorzaak. Ook hoort men zeer vaak als oorzaak aangegeven dat ze door de koude zijn doodgevroren. Ook dit is onzin; met de thermometerstanden van dezen winter is de bij nog lang niet aan de grens van haar kunnen. De kou is aanleiding, maar niet de oorzaak. M.i. zijn de volgende redenen oorzaak van deze massale sterfte
1. opzetten van te kleine volken;
2. nonchalante inwintering (fouten);
3. te lange zit;
4. mogelijk, tengevolge van sub 1, 2 en 3 genoemd, optreden van enkele ziekten.
Kleine volken kunnen in normale jaren met onze zeeklimaatwinters heel goed overwinteren, Komt er echter een vastelandsklimaatwinter, dan is het mis. Al kunnen ze zich aan den tros warm houden (tijdelijk), ze hebben niet het vermogen zich te verplaatsen naar hun voorraden en komen zoo van honger om. Ook nu voorbeelden dat ze bij voldoenden voorraad crepeerden. Verder worden er veel fouten gemaakt bij de inwintering. Bij normale winters wreken deze zich niet, doch deze winter heeft iedere fout onherroepelijk afgestraft. Ik zag heel goede (zware) volken welke bij voldoende voorraad waren verhongerd. Oorzaak, dat ze zich niet over de ramen heen naar hun voorraad konden verplaatsen; hiervoor was door den imker geen gelegenheid gegeven. De dwars over de ramen gelegde latjes hebben dezen winter zeer veel nut gedaan en tallooze volken voor den hongerdood behoed.
En dan de lange, lange zit. Vooral voor de vol- ken welke vroeg waren afgevoerd of alléén op honing waren overwinterd is deze winter funest geweest, Deze volken, op Oostfront stand, hebben een zit gehad van ± half October tot 22 Februari, in veel gevallen tot heden 12 Maart toe. 't Is niet te verwonderen dat deze het te kwaad kregen met hun behoeften. Is het wonder dat een imker uitriep: „Die niet dood zijn stinken om er bij weg te loopen!"
Verder zal het mij niet verwonderen dat onder de doode bijen zieken voorkomen. Nosema zal wel gediagnoseerd worden. Door de eerste drie reden was de weerstand wel zoo gebroken, dat de weg gebaand was.
Daarbij moet ook niet vergeten worden dat zeer veel oude bijen zijn ingewinterd. Als de heide niet honingt worden er in Aug.-Sept. zeer weinig jonge bijen geboren en dit was ook in '39 het geval.
In het algemeen ziet het er voor de bijenhouders begin seizoen 1940 niet rooskleurig uit. Ook zijn de volken licht. Als de regeering het verzoek om een extra toewijzing suiker nu maar goedkeurt. 5 K.G. zal zeker niet te veel zijn, kan zelfs veel te weinig zijn.
Als men deze regelen onder de oogen krijgt is April in 't land en daarmee vangen de meerdere werkzaamheden op den stand aan. Zorgen we vooral dat ze lekker warm toegedekt zijn, opdat ze een groot broednest kunnen maken. Bevordert men aan de eene zijde de volksvermeerdering, aan den anderen kant moet men ook waken voor volksverlies. Voor kasten en korven strooie men wat stroo, opdat de bijtjes van hun vlucht terugkomende en zich vermoeid voor de woning op den grond neerzettende, daar niet verkleumen. Over een goede drinkplaats schreef ik reeds in het Maartnummer.
Meer dan andere jaren moet men nu op den voorraad zijner volken toezien. Ze hebben lang dien voorraad niet, welke in normale jaren aanwezig pleegt te zijn. Het is zeer aan te bevelen begin April al z'n volken 1 à 1½ k.g. voer extra te geven, in verhouding 2 suiker op 1 water. Deze gift kan natuurlijk ook worden vervangen door borstplaat van ongeveer hetzelfde gewicht. Deze borstplaat wordt ook snel door de bijen opgelost en opgelegd. Twee wegen voor hetzelfde doel. Mocht dit in normale jaren niet gewenscht zijn, dit jaar durf ik dit gerust aanbevelen. Uitgezonderd natuurlijk die volken, welke nog ruim in hun voorraad zitten. Deze helpt men voort door rond het broednest de verzegelde voorraad met een ontzegelmes of -vork open te krabben. Ze krijgen dan meteen meer ruimte voor het broednest. Men moet dit tijdig doen opdat het broednest normaal kan uitbreiden. Heeft het broednest reeds een kleine vaste vorm aangenomen, dan is het gewoonlijk te laat en willen de bijen het niet meer uitbreiden. Ronde korven worden onderhanden genomen voor hetzelfde doel. Ook daar ontzegelt men met een mes de bereikbare voorraden; tevens verwijdert men de door schimmel aangetaste raten en werkt de afgesneden raten spits bij.
Afgezien van de extra gift bovengenoemde begint men nu regelmatig te voeren, tenminste als er geen dracht is. Dit noemt men drijfvoeren. De eerste week begint men met tweemaal te voeren; oplossing 2 deelen suiker op 3 deelen water. Ais men nog wat honingafval of voerhoning heeft, menge men er telkens een beetje door. Het voer wordt dan veel grager door de bijen opgenomen. Is het weer zoodanig dat geregeld stuifmeel gehaald wordt, dan begint men de tweede week om den anderen avond te voeren, telkens echter met kleine hoeveelheden, ± half pond en warm verstrekken. Bij ronde korven zorge men dat het bakje juist tot de raten reikt. Van dit voer mag niet worden opgelegd. Doel van dit voederen kan tweeledig zijn en wel om vroeg zwermen te krijgen (zwermhoogte) ofwel sterke volken te krijgen voor de zomerdracht (vlieghoogte). Wat ook het doel zij, het aanvankelijk resultaat is, dat het broednest flink wordt uitgebreid en er zoodoende veel jonge bijen worden geboren. Ook geeft men wel eens als drijfvoeder een mengsel van honing, ei en zoete melk; en dan om den anderen avond een eetlepel over de raten sprenkelen. Men is dan zeker dat het direct wordt opgenomen. Is er echter goede stuifmeeldracht, dan acht ik dit niet alleen onnoodig, doch zelfs uit den booze. Doel dezer voedering is het volk eiwitrijk voer te geven. En juist in stuifmeel zit het eiwit wat de bijen noodig hebben voor den opbouw van het jonge organisme. En nu vergete men niet dat juist de ingredienten van het samengestelde drijfvoer zeer snel aan bederf onderhevig zijn, vooral in een omgeving (broednest) waar een temperatuur van ± 35 ° C. heerscht.
In de tweede helft April beginnen de bijen meestal te bouwen. De ronde korven beginnen te scherpen en bij de kasten neemt men aan de bovenzijde der ramen lichtgeel gekleurde randjes waar. Voor den kastimker is dit een teeken dat het volk zoover is, dat men kunstraat kan laten uitbouwen. Deze kunstraten hangt men tusschen het laatste raam met broed en het stuifmeel- en honingraam. Dus nooit in het voorjaar in het broednest. Er zouden koude dagen kunnen komen - April doet wat hij wil! - en de bijen zouden het uit elkaar getrokken broednest niet warm kunnen houden; gevolg: afsterven van broed. Wel kan men gerust aan beide zijden van het broednest zoo'n kunstraat hangen. Waar men ronde korven toch laat zwermen is het ongewenscht om in 't voorjaar een opzetrand onder te zetten. Dit koelt te veel af. De naad tusschen korf en ring is niet dicht. Mocht het bij een zeer goede dracht toch noodig zijn, dan bestrijke men deze naad met een mengsel van zand, kalk en koemest. Blijft bij het voeren het bakje vast aan de raten zitten, dan legge men onder den korf een droge plag en snijdt daarin een gat waarin het bakje precies past.
Tweede helft Maart en ook begin April moet men geregeld opletten of er ook rooverij op den stand voorkomt. En hier geldt in hooge mate het spreekwoord: "Voorkomen is beter dan genezen".
Om te voorkomen gaat men de vlieggaten al naar gelang de sterkte der volken verkleinen. Men zij vooral uiterst voorzichtig met voer morsen. Dit is net zoo erg als een vonk in een kruitvat. Vele rondekorf-imkers hebben de gewoonte hun volken vóór de vlieggaten te voeren. Dit moet ik ten zeerste ontraden. Waarom niet onder gevoerd? Het voer blijft dan veel langer warm en U lokt geen vreemde bijen. Al is het bakje bij vóór voeren leeg, toch zit er een honingzuchtje aan en daar komen ze zeer zeker op af. Natuurlijk is het wat lastiger, vooral als de korven wat vol worden en het bakje 's avonds vol bijen zit. Een scheutje rook en U voert zonder dat er eentje steekt. Zorg ook dat de randen op de bodemplanken goed aansluiten.
Kleine volken houde men goed in 't oog. Ze worden er gauw uitgepikt en als men niet onmiddellijk helpt zijn ze vertrokken voor je 't weet. Doch ook zonder dat men aanleiding geeft kan rooverij optreden. Een kwaje buurman en vooral nog de ouderwetsche imkers, hebben of kunnen hebben - middeltjes om hun volken op roof uit te sturen. Smoes zegt U? Was 't maar waar! Nog zelf ondervond ik het den vorigen zomer ergens in Nederland, dat we bij onze wekelijksche inspectie ontdekten, dat er een zwerm van roovers om de kasten en boogkorven spookten. Hoe kwamen die daar? Wij hadden ze niet gelokt en toch waren ze er en probeerden uit alle macht binnen te dringen. Onze volken waren echter sterk en elke roover, welke binnendrong, bekocht dit met den dood. Vroeger lachte ik er ook wat om. Bakersprookjes! Maar ik heb het nu zelf meerdere malen ondervonden dat ze bestaan en als deze in handen zijn van menschen, die het onderscheid tusschen het mijn en het dijn niet zoo nauw nemen, of er een slecht geweten op na houden, dan kunnen ze je het leven zuur maken. Ze hebben echter niet in de gaten, dat ze tegenover een goed imker juist aan het kortste eind trekken. Vallen roovers op een volk en krijgt dit overlast, dan doekt men zoo'n volk op en verwijdert het een paar dagen en plaatst het op een koele luchtige plaats. Ook kan men het een nieuwe standplaats geven op ± een kwartier loopen afstand. Bij sterke volken en over 't algemeen bij volken welke goed in broed zitten hebben de roovers weinig kans.
Voordat de volken broed hebben in 't vroege voorjaar komt het voor dat de volken onderling gaan rooven. De volken verdedigen zich dan niet en voor den imker is het om radeloos te worden. In 1939 was het op mijn standen zeer erg. Ook heden, 12-13 Maart, was het alweer mooi op gang. Je staat er machteloos tegenover. Stop je een partij dicht dan gaan ze heel brutaal ongehinderd bij de buren binnen. Zoo gauw er echter maar weer broed aanwezig is, is het afgeloopen.
Begin April is het ook ongeveer de tijd om zijn volken naar de fruitstreken te brengen. Bessen, pruimen Eng. krozen en peren beginnen dan te bloeien. Voordat ze op reis gaan is het zeer aan te bevelen hun een flinke boterham mee te geven, óf in den vorm van de nog overgebleven wintervoorraad, óf zoo deze bijna op is in den vorm van borstplaat. Ook kan men ze een paar dagen vóór het vervoer een flinke portie suikeroplossing (2 s. op 1 w. en ± 1½ à 2 k.g.) geven. Men houde er rekening mee, dat ze soms de eerste 14 à 21 dagen door slecht weer niets kunnen halen. Verder diene men wat voer mee te nemen in welken vorm dan ook. Bij de wekelijksche inspectie heeft men het dan, zoo noodig, bij de hand. Waar men de volken tot ± 1 Juni in de fruitstreek laat is het goed er op voorbereid te zijn, dat er in de maand Mei zwermen kunnen vallen. Mocht men voor het vertrek nog gelegenheid hebben, d.w.z, een geschikten dag met warm weer treffen, om z'n koninginnen te knippen, dan verzuime men deze gelegenheid niet. 't Is absoluut noodig dat dit gebeurt, wil men voor verrassingen gevrijwaard blijven.
Een koningin knippen doet men als volgt.
Ziet men de koningin dan probeert men haar met duim en wijsvinger van de rechterhand bij de vleugels te vatten. Lukt dit dan neemt men ze tusschen de eerste drie vingers der linkerhand bij het borststuk beet. Met de rechterhand neemt men nu een klaargelegd schaartje met dunne spitse punten en knipt haar één vleugel en wel de grootste voor ¾ deel weg. Zou men alle vleugels zoo behandelen, dan lijkt ze erg geschonden. Voor ons doel is dit voldoende want vliegen is nu wel uitgesloten. Deze manipulatie moet natuurlijk met de uiterste voorzichtigheid geschieden, opdat de koningin niet wordt beschadigd. 't Is me wel eens overkomen, dat van het achterlijf een of meerdere ringen iets werden ingedeukt. Door zeer voorzichtig drukken namen deze weer de normale stand aan zonder schadelijke gevolgen voor de koningin.
Om echter het zwermen geheel te verhinderen is waarlijk een heksentoer. De ontwikkeling op 't fruit gaat zeer snel, zoodat ze gauw op zwerm- of vlieghoogte zijn. En juist na het fruit is er geen dracht. Over deze kwestie hoop ik de volgende maand iets mede te deelen. 't Zou dit keer veel te lang worden en ik zie onzen redacteur al in mineurstemming bij 't zien van dit lange epistel.
D., S.