De bijenluis.
(Braula coeca Nitzch).
Een mooie Octoberdag van 1938; de avond valt reeds en nog steeds zijn mijn bijen ijverig in de weer, op zoek naar nectar. Het is vergeefsche moeite. Een slechter honingjaar dan 1938 hebben wij in deze streek - Geldersche Achterhoek sedert menschenheugenis niet gekend. Plotseling ontdek ik op de vliegplank van een der bijenkasten een rondscharrelende bij met een rood-bruin puntje op haar rug. Een ongewenscht bezoek; geen honing, wel luis. Vanwaar komen die klap loopers? Op roofbijen de deurwachters voorbijgestormd? Een besmette zwerm kan zich hier geen woning hebben gekozen, er stond niets "te huur". Hier of daar huist een verluisd volk, wellicht zonder dat de imker het weet. Bijen altijd weer door de luis geplaagd om eten, dat er vaak niet is, verlaten de bekende en geliefde woning en bedelen zich in bij een ander volk in hun vliegkring. Hier echter vormen de binnengesmokkelde emigranten een nieuwe haard van ongedierte. Zoo werken deze bijen, die zich van een kwelling willen verlossen, juist mede aan een levensvraag voor de luis: verspreiding der soort.
Den volgenden dag zag ik tal van bijen, uitvliegend naar of terugkeerend van bloemenbezoek, met een luis op hun borststuk geklemd. Ik ving er een weg, ontdeed ze van haar ruiter, en zette dezen op een oude bij, die van de kast wegstrompelde, om hier of daar een stervenssponde te zoeken.
Aanstonds zette deze zich schrap, om zich van haar belager te ontdoen. Dan met den eenen, dan met den anderen middenpoot, streek ze over haar rug. Vergeefs. Hoe vaak ook herhaald, ze werd de luis niet kwijt. Het was mij toen duidelijk: de luis maakt een bijenvolk onrustig.
Nu had ik de luis dus in mijn volken - want ook de rest bleek min of meer besmet maar hoe kreeg ik ze er weer uit? Aanvankelijk bleek dit nog niet zoo gemakkelijk. Het eerste volk nam ik uitelkaar en hing het in een hoogen ratenhouder. Hier was 't goed waar te nemen. Jawel, de koningin had er ook eentje. 'k Had al wel eens gelezen: een weinig rook doet de luis bedwelmd afvallen. Zoo ging 't ook, doch bleek een middel erger dan de kwaal. Niet zoodra had ik de koningin in haar kluisje teruggegeven, of ze werd door haar eigen bijen aangevallen en gedood. Door de rook miste zij den nestreuk van haar volk en werd als een vreemde indringster beschouwd. Het kluisje afgesloten met een suiker deegprop had dit wellicht voorkomen. Beter en eenvoudiger was 't geweest, een lucifer wat wankauwen tot een kwastje, en in wat honing doopen. Hiermee zijn zeer bekwaam, zonder eenig nadeel, de luizen weg te pikken. Ondoenlijk is het echter op deze manier een volk, laat staan volken, geheel van ongedierte vrij te maken.
Maar ik had ook nog wel geluk! Een luis snelde naar voren en zette zich op 't voorhoofd van zijn bij, zoo tusschen de sprieten en oogen in. Met midden- en achterpooten klemde zij zich hier stevig vast. Met haar voorpooten - die zeer lenig en beweeglijk zijn, zooals ik later merkte -
beroste zij de bovenlip van haar draagster. De bij stak haar tong uit, de luis bracht haar hoofd vooruit, zelfs merkwaardig ver, zette haar bovenlip, die hoekig en stompig is, op de tong, vormde haar onderlip tot een buisje en zoog op wat haar hier als voedsel werd aangeboden. Het was mij nu ook duidelijk hoe luizen op een koningin gezeten, de leeftocht door den hofstaat aan de koningin toegereikt, kunnen wegsnappen. Evenals van de bijen is het geheele lichaam van de luis met chitine omkleed, uitgezonderd boven- en onderlip. Het groote hoofd ligt boven in een kleiner ringvormig halsschild, bedekt dit, en is daarin beweeglijk. De onderlip eindigt bijna tusschen de voorpooten. Toch ligt tusschen onderlip en borst nog een eigenaardig instrument, beweeglijk als den blaasbalg van een trekharmonica (vergeef me den naam, want ik heb er nooit van gelezen, noch minder er een naam voor gevonden). Dit instrument bestaat uit een 6 à 8 tal dwarsstrookjes van chitine, zeer regelmatig en vouwbaar naast elkaar liggend en aansluitend. (Tot mijn spijt heb ik de strookjes niet geteld.) Kijken we nu voor 't hoofd van de rustende luis, dan verloopt dit loodrecht naar beneden. Door de harmonica aan zijn onderlip, kan echter de luis zijn hoofd uitstrekken - 't lijkt dan een langen varkenskop - en "van verre"- voedsel opnemen.
Gaarne wilde ik de bijen van hun kwelgeesten bevrijden. Bij ondervinding wist ik dat bijen voor een klein luchtje niet vervaard zijn. D.w.z. dat ze vaak haten wat wij menschen "geurig" noemen,
Jenever, eau de Cologne, parfums, maar dat ze zich niets aantrekken van wat wij "stank" heeten, zelfs niet van gaslucht! Dr. Ootmar geeft in zijn werk "De Wonderen van het Bijenvolk" aan: "men zegt dat een bolletje naphtaline, gelegd op een blad papier onder den korf, de luizen doet neervallen en dooden, zonder schade voor de bijen". Zulk een bolletje een nacht onder 't volk gelegd, gaf mij geen resultaat. Evenmin een groote plak naphtaline, zooals we die vroeger nogal eens gebruikten, met zoo'n blauw ophanglintje erin gewerkt. Ten slotte zette ik een heel doosje vol naphtaline-schilfers onder 't volk. Nog geen gewenscht gevolg. Wat nu? Wanneer ik twee bijenvolken wil vereenigen, leg ik een nacht tevoren onder elk een lepel "Globol" om de eigen nestreuk te vervagen. Het is een bitter aromatisch geurend grof kristallig poeder, ook bekend onder den langen naam Paradichloorbenzol. Bij elken drogist verkrijgbaar, voor enkele centen reeds een 50 gram. De bijen blijven, bij zulk een kleine hoeveelheid althans, rustig. Probeeren gaat boven studeeren. Dit gaf de gewenschte uitkomst. Den volgenden morgen waren de volken luisschoon.
Ook van elders klachten over de moeilijkheden de bijen van luis te bevrijden. Zoo uit Amerika: "A.s. zomer hopen we opnieuw te onderzoeken, om zoo mogelijk te komen tot een uitroeien van de bijenluis" (Virgil N. Argo). Uit Rusland: „Bovenbedoelde waarnemingen hebben mij overtuigd, dat 't eenige juiste middel tegen de luis is, het periodiek beroken der raten met zwavelkoolstof of formaline" (Prof. A. G. Beljawsky). In een schrijven uit Dambach (Zwitserland) in de Deutsche Illustrierte Bienenzeitung heet het o.a.: "In magere jaren treden vaak luizen op, om in goede honingjaren geheel te verdwijnen". Hoezeer ook gewenscht, kan men hierop noode wachten.
In frissche lucht in een zonnig vertrek gebracht, kwamen de luizen al spoedig weer bij, uitgezonderd die, welke in 't doosje waren terechtgekomen. Eerst bewoog de onderlip, dan schokjes in de pooten, weldra stonden ze weer overeind; alles goed waar te nemen, want allen lagen op hun rug. Slechts een weinig is een bijenluis langer dan breed, bijna rond ter grootte van een speldeknop. Wijduit staat ze op haar poten. Van voren gezien een gewelfde te zware kist, die op een doorzakkende schraag staat. De pooten dik tot aan de knieen loopen n.l. schuin naar boven, vandaar sterk naar buiten buigend omlaag en eindigen in een voet bestaande uit vijf al breeder wordende geledingen, allen breeder dan lang. Het laatste lid bevat 29-32 fijne witbeenige nageltjes, een roskam vormend. Aan dezen voet zitten nog twee eigenaardig knotsvormige aanhangsels, steunorganen waardoor de luis een glasruit even vlug beklimt, als ze "thuis" handig van de eene bij op de andere wipt.
Voorhoofd en schedel van de luis wordt door een lijst gescheiden, deze uitpuilende lijst ligt op de hoogte waar wij de oogen zouden verwachten, Het schijnt voor den beschouwer of ze voor altijd haar oogen heeft dichtgeknepen. De luis is blind, zooals "coeca" haar bij haar naam aanduidt.') Het achterlijf bestaat uit vijf geledingen en is hoog gewelfd. Het geheele lichaam is met zwarte haren bezet welke het langst zijn aan de voeten. De luis komt 't meest voor op de koningin, meestal op 't borststuk, ook wel op 't achterlijf, dan ook, doch gewoonlijk slechts een, op de werkbij, doch zelden op darren. Geen wonder; bij deze laatsten is niets te halen; deze edelheeren moeten zelf om hun kostje schooieren bij de jonkvrouwen van den korf.
Welk eten krijgt de luis nu in den bijenstaat toegereikt? Dat is nog steeds niet met groote zekerheid uitgemaakt; doch met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid: die welke op de koningin verblijven voedersap, dit is een eiwitrijk voedsel dat beter schijnt te bevallen, dan wat ze op de werkbijen voorgezet krijgen, want dit is (zeer waarschijnlijk) honing met stuifmeel.
Bovendien behoeft er op de koningin heelemaal niets voor gedaan te worden. Meer dan één reden alzoo, waarom zooveel gasten op deze verblijven. Som stelt men hierop 10-20 stuks, zelden meer. Bij veel luis komt 't bijenvolk in gevaar en kan zelfs hierdoor te gronde worden gericht. Dr. Dönhoff vond op één koningin 187 stuks, hij reinigde haar. Een paar dagen later hadden er zich reeds weer 64 op verzameld. Een koningin schijnt zich tegen de luis niet te verzetten.
De dieren door mij afgevangen deed ik per volkje afzonderlijk in wijde 2 litersglazen, den bodem bedekt met vilt, omdat ze in 't bijenvolk aan een mollig tapijt gewoon zijn. Dit laatste bleek me overbodig, toen enkele vlug tegen het glas opliepen. Twee kleine troepjes wierp ik bij elkaar in één glas. Nauwelijks had ik dit gedaan of twee luizen, blijkbaar mannetjes, gingen een robbertje bakkeleien. Nauwelijks had ik den tijd om een bolletje te zien rondtuimelen, waarom 12 beenen kris en kras werkten, of een der vechtersbazen verliet als overwinnaar 't strijdperk. Een scheurtje tusschen onderlip en borst had den overwonnene buiten gevecht gesteld. Zoo zorgt de natuur ook in deze wereld van kleine wezens, dat de sterksten overblijven, om voor de toekomst te zorgen.
In een der glazen had zich een luis in een druppel neergelegden honing vastgeloopen. Om zich uit het kleverige goed te bevrijden, zwaaide zij bij afwisseling dan den rechter, dan den linker voorpoot, nu eens zwierig en losjes, dan weer heftig hoog boven haar hoofd en met een lenigheid, als wij in Artis jumbo met zijn slurf wel zien waaieren.
In nog een ander glas lag een druppel voedersap, uit een koninginnecel. Noch honing noch voedersap werden aangeraakt. Een imitatie bijentong werd gesneden uit een asperagus takje en streken met honing of voedersap en in de glazen ook en op welke manier ook voor de lippen van een luis gebracht, 't bleef onaangeroerd. Van bloemendraad, met vezelig katoen omwonden, werden boogjes gemaakt, het midden bestreken met honing of voedersap en in de glazen gehangen op 2-3 m.m. van den bodem, zoodat de luis er nog juist onderdoor kon loopen. Ze verzamelden zich hier niet, zooals ik wel gehoopt had. Daarna werden in elk der glazen twee omwoelde staafjes gestoken, het eene op een 2 c.m. van den voet met honing, het andere met voedersap bestreken. Of 't nu was omdat deze vazerige dingen wat geleken op behaarde bijenpooten weet ik niet, doch dadelijk werden ze beklommen door de luizen. Ze bleven steken in 't opgebrachte voedsel en zetten er hun hoofdjes in. Of van dit voedsel opgezogen werd, was niet na te gaan.
De grootste moeite gaf 't om de glazen matig warm te houden. Bij afkoeling werden de beestjes trager en zaten ten slotte onbeweeglijk stil; werd 't te warm dan renden ze tegen t' glas op en zetten zich op den rand hiervan. Den derden morgen na hun gevangenneming was 't met mijn experimenten gedaan, de luis was "kalt gestellt".
Nu wist ik nog niet welk eten de luis in 't bijenvolk werd voorgezet of welk menu 't de voorkeur geeft. 't Zal hun gaan als de vliegen van onze tafel, als er geen honing is zijn ze met suiker tevreden of anders met siroop, desnoods met krenten.
Want ook Braula coeca is een vlieg. Een vlieg die geen vleugels heeft en dus niet vliegen kan. Een parasiet, een bloedzuiger is ze niet, haar zachte monddeelen kunnen niet door 't chitinepantser van de bij dringen. Alleen ze leidt een luizenleven en daarom heeft zich haar naam gehandhaafd. Ten opzichte van de bij wordt ze tafelgenoot of kostganger geheten, m.i. is tafelschuimer geëigender. Het geheele verspreidingsgebied is, naar ik meen, nog niet bekend. We kennen ze in, Europa en Amerika; hier leeft een andere soort, anders ten opzichte van die vlijmscherpe nageltjes aan de voeten. Met besmette koninginnen werd ze uit Europa in Amerika binnengesleept. Een klein aantal in hun bijenvolken vonden de Amerikanen aanvankelijk nog al interessant en spraken van "Europeesche ziekte", zoolang de luis na eenigen tijd vanzelf weer verdween. Toen er echter na verloop van tijd blijvers kwamen, die zich aan 't klimaat hadden aangepast, was 't mooie van 't geval af en werden het ook daar verwenschte lastposten. De meening heerscht daar evenwel, dat de honingopbrengst er niet zoo erg onder lijdt. "Naar Europeesche meening worden de zwakste volken het sterkst door de luis aangepakt. Hier vonden we een sterk volk dat 250 pond honing bracht, zeer sterk onder de luis." (Virgil N. Argo).
Eigenaardig is 't dat een imker in zijn volken luis kan hebben, terwijl zijn buurman-imker er totaal van verschoond blijft. Zooals 't in 't kleine is, gaat 't ook in 't groot: "De luis komt op de Lüneburger heide niet voor (Chr. Lehzen). "De luis is mij door eigen aanschouwing niet bekend" (prof. Enoch Zander). "In Rusland komen groote gebieden voor, waar de luis vaak zeer schadelijk optreedt" (prof. A. G. Beljawsky).
Wanneer de honingcellen, die het bijenbroed in een krans omgeven, bijna gesloten zijn, neemt de luis haar kans waar en legt fluks een eitje aan den beneden, d.w.z. honingkant der cel; daarom ligt dit ei tusschen den kant en het midden der cel. "Het geoefende oog kan dit ongewapend, door den gesloten celwand heen waarnemen" (prof. A. G. Beljawsky).
Het ei is mat-wit, zeer teer, een ¾ m.m. lang en een ½ m.m. breed, de vorm is elliptisch (als 't ei van onze huisvliegen). Eigenaardig gevormde vleugels ter weerszijden zijn gelubt, als we wel zien in de vitrage van onze venstergordijnen. Aan den boven- en benedenkant hebben deze vleugels een zacht rondende doch diepe inkeeping.
De eierschaal is omgeven door een netwerk, als wij bij den meloen wel kennen, dichter gemaasd op de plaats waar de larve straks uit de schaal zal kruipen. Dan boort de geboren larve zich een gang van de eene cel naar de andere, soms tot een 6 c.m. lengte. Deze gang is aanvankelijk open gootvormig, doch gaat dra over in een gesloten tunnel; zonder omdraaien beweegt ze zich hierin naar believen voor- en achteruit. Ze voedt zich met was en stuifmeel in de celdeksels voorhanden (Oerösi-Pal en Virgil N. Argo), volgens andere onderzoekers met honing (Morgenthaler en Elser). De mijngangen loopen als lichte bochtige strepen over de raten. Ze kunnen zoo talrijk zijn dat de honing onverkoopbaar wordt, zelfs kan dit netwerk zooveel vocht opnemen, dat de honing in gisting geraakt. Aan het einde van den boorgang verpopt de larve; 21 dagen nadat het ei gelegd werd komt de jonge luis voor den dag.
Gelukt de jonggeborene het niet binnen 6 uur een bij te beklimmen, voor 't bekomen van voedsel, dan valt ze af en komt om (Prof. Borchert). Bij de geboorte is ze dof wit, na 12 uur is ze reeds rood-bruin en haar chitine hard.
Het is eerst van de laatste jaren dat mannen der wetenschap zich met Braula coeca hebben bezig gehouden en veel wat nog in 't duister of in den schemer lag, hebben ze aan 't licht gebracht. Zeer veel heeft hiertoe bijgedragen de bijenwoningen met lossen bouw; van het vroege voorjaar tot den laten herfst, kunnen deze voor onderzoek uit elkaar genomen worden; de Ouden moesten zich met strookorven behelpen.
Hoe hinderlijk nu ook voor bij en imker, uit biologisch oogpunt kunnen wij de luis een zekere belangstelling niet ontzeggen. Tot zekere hoogte zijn ze als de Zigeuners onder de menschen : interessant op een afstand. Er is een tijd geweest dat de bijenluis een dubbelganger had; eerst in 't laatst der vorige eeuw heeft deze opgehouden te bestaan - als dubbelganger n.l.
In Encyclopaedie van Brockhaus van 1866 lezen we in een artikel, zonder twijfel door een vooraanstaand insectoloog uit dien tijd geschreven: "De Oliekever (Meloë) voedt zich met bladeren van verschillende planten. De larven, die onder den naam van bijenluizen bekend zijn, kruipen in de bloemen en wanneer deze bezocht worden door bijen of hommels, hechten zij zich daaraan vast, om zich in hun nest te laten dragen en zich daar met larven te voeden".
Nu wij beter op de hoogte zijn gekomen, vragen we ons af: Hoe kwam men hieraan? Heel eenvoudig: deze meening was reeds een verbetering van een vroeger inzicht.
Op onze hooge zandgronden ontmoeten we in Maart-April een enkele maal een zwaarlijvigen ca. 6 m.m. langen, staal-blauw glanzenden kever, onbeholpen en traag loopend, zonder vleugels, slechts met dekschilden. En toch heeft hij reeds veel van de wereld gezien, want hij was in zijn jeugd luchtreiziger! Bij aanraking scheidt hij uit zijn beengewrichten een geel vocht af vandaar zijn naam - dat blarentrekkend werkt.²) Hij is een neef van de vroeger zoo bekende Spaansche vlieg, leverancier van de stof voor trekpleisters.
In April-Mei legt 't wijfje in een gaatje in den grond, dat ze zelf al ronddraaiende graaft, 1000 en meer eitjes. Eenige uren doet ze hier over, kopje boven den grond haar wereld afkijkend, beducht voor haar vijanden. Na den leg wordt dit zorgvuldig dichtgemaakt en op eenigen afstand een nieuw legsel bezorgd, tot ze zoo een 4000 eitjes kwijt is. Verder bekommert ze zich niet over haar nakomelingen of zooals Dr. Jan Swammerdam het in zijn "Bijbel der Natuur" (blz. 306) aangeeft: "want het is haar van de Natuur niet toegelaten om een verder opsigt over haar jongen te nemen". Na ongeveer een maand komen de jongen voor den dag, geel (hiervan zijn 4 soorten) of zwart (3 soorten). Wij kennen in onze streken 7 soorten Oliekevers, slechts door een insectoloog te onderscheiden.
De jongen ca. 2 m.m. groot lijken miniatuur hagedissen en gelijken in niets op de larven van andere kevers.
Niet zoodra zijn deze jongen uit hun zandholletje voor den dag gekropen of ze verspreiden zich naar allen kant, op zoek naar een bloem waarin ze zich verschuilen. Soms zitten er meerdere in een kransje bijeen, dat de beschouwer licht voor een deel der bloem aanziet. Het is echter geen verdroomen van een onbezorgde jeugd, het is wachten. Duurt dit lang, dan doen ze zich te goed aan wat stuifmeel (Oerösi-Pal).
Wordt de bloem aangeraakt door een insect, dan komen ze in beweging, ijlen naar de uiterste bloemblaadjes en klemmen zich met hun drieklauwige voetjes (vandaar hun naam: Triangulinen) stevig vast in de haren op den rug van de bezoekster, soms met meerderen tegelijk. Is deze een alleen levende bij (metselbij, muurbij; zandbij (e.a.) dan krijgen ze een kans. Ze maken de luchtreis mede naar 't nest der bij. Is een cel gereed en hierin honing en stuifmeel gedeponeerd mondkost voor 't aanstaande bijenkindje - dan is 't slechts wachten op 't leggen van 't eitje.
Zoodra 't eenzame bijenmoedertje haar lichaam kromt, om een eitje te leggen op de verzamelde levensmiddelen verlaat de Trianguline haar zitplaats, kruipt in de cel en laat zich hier, bij de gedekte tafel, door de bij opsluiten. Het eerst wordt 't eitje leeggemaakt, de rest is leeftocht voor later. Na eenigen tijd vervelt de larve en gelijkt dan pas op de larve van andere kevers (Meikevers b.v.).
Is evenwel de bezoekster van de bloem een honingbij en klimmen ze daarop om een luchtreis te maken naar 't beloofde land, dan krijgen ze wel van verre de goedgevulde honingpotten te zien, maar om er in te kruipen bestaat geen kans. Ze vallen van den rug van hun vervoerster en we vinden ze later als stof op de bodemplank van de bijenwoning. En is de bloembezoekster een vlinder of een vlieg en zetten zich de Triangulinen daarop in 't harige pels vast, dan hebben ze eerst recht op 't verkeerde paard gewed! Het zoo zeer begeerde bijeneitje krijgen ze niet te zien, ze komen om. Van het talrijke legsel van het Meloë-moedertje komt geen ½% terecht.
Deze hagedisvormige larve van den Oliekever nu, zoozeer verschillend van de larven van andere kevers, zagen de Ouden voor volwassen dieren aan. Omdat ze op de honingbij gevonden werden, gaf Linnaeus t' beestje den naam Pediculus apis (Bijenluis),
Toch had reeds vele jaren tevoren (1666) een Hollandsch geleerde en onderzoeker, de wereldvermaarde Amsterdammer Jan Swammerdam er de aandacht op gevestigd hoe een keverlarve in de cel van een muurbij werd grootgebracht (later door Reaumur bevestigd).³)
Andere geleerde onderzoekers (Newport, Fabre, Gödart, v. Humbolt e.a.) hebben veel later de ontdekking van Jan Swammerdam opnieuw ontdekt en aangevuld en uitgemaakt, dat we hier niet voor ons hebben een volwassen dier, doch de larve van de Meloë. Van deze bijenluis nu is sprake in 't bovengenoemde artikel uit Brockhaus Encyclopedie.
Nog later was er sprake van een tweede bijenluis, doch dit was dan de echte, n.l. Braula coeca (die wij thans nog alleen als zoodanig kennen).
Voor het eerst wordt hiervan gesproken in lectuur uit het jaar 1740 (prof. Borchert). Nu kregen we dus den tijd, dat men twee soorten bijenluis kende, terwijl geen van beide namen juist was. In een geschrift uit 1887 (Die Feinde der Bienen van Dr. Hes Hannover) heet 't nog, waar gesproken wordt over Braula coeca: "Een klein insect, ter grootte van een papaverzaadje (niet te verwisselen met een andere parasiet, die ook bijenluis genoemd wordt, n.l. de larve van de Meloë, genaamd Pediculus apis) behoort tot de luisvliegen de Pupiparen". De onderzoekers, dezer eeuw vooral, hebben vastgesteld dat dit laatste ook weer onjuist is, pupipar n.l. beduidt: brengt levende jongen voort. Deze onderzoekers hebben dit onjuist bevonden. Skaife (1921) bevond: Braula coeca is opivar, d.w.z. plant zich voort door eieren. Zoo zijn we door 't naspeuren van tal van geleerden al weer meer en beter te weten gekomen: Skaife, Arnhart 1923 van ButtelReepen, Oersi-Pal, A.G. Beljawsky, Morgenthaler, Elser, Virgil N. Argo en nog tal van anderen.
Waar al deze geleerden onze bewondering verdienen om 't ijzeren geduld en de taaie volharding, de waarheid voor den dag te halen denken we toch ook aan de volmaakte en kunstige instrumenten welke hun ten dienste staan; hun verdiensten zijn er niet minder om. Toch kunnen we bij 't lezen van hun resultaten de gedachte aan dien 17e eeuwschen Amsterdammer, Dr. Jan Swammerdam, niet terugdringen. Bij 't onderzoek naar zijn "Bloedlooze dierkens" was hij genoodzaakt zijn glazen en bollekens en pijpkens (om de gedoode dierkens op te blazen) zelf te maken, zijn vlijmkens zelf te slijpen. Bij voorkeur in de grootste hitte als de middagzon het hoogste stond, deed hij zijn onderzoekingen, om betere belichting te hebben; hij bedierf zijn oogen. Hij klaagde niet, integendeel, als hij wat gevonden had, vergat hij oogpijnen, ziekte, leed, werk en kosten, doch juichte zijn vreugde uit in 't telkens in alle toonaarden herhaalde: "Hoe groot moet een Schepper zijn, die zulk een wonderwerk zelfs aan 't kleinste, nietigste, door de menschen verachte dierken zoo volmaakt gewrocht heeft".
Het zigeunervolkje, op zoo geheimzinnige manier bij de bijenvolken binnen geslopen, had daarin dank zij 't tijdig ingrijpen nog [g]een schade aangericht, een lastig volkje, doch interessant is het wel.
AALTEN.
A.G.J. BEERNINK.
¹) Er zijn onderzoekers die dit tegenspreken. "De oogen" van de luis liggen aan den voet van haar sprieten (prof. von Buttel-Reepen). "Het is nog de vraag of de luis (coeca) werkelijk blind is" (prof. Borchert). "...... die niet gelijk men vroeger meende het vermogen om te kunnen zien
ontbreeken zooals coeca aanduidt" (prof. E. Zander). Maar dan vraagt men zich toch af: Wat moet de bijenluis met oogen doen, in 't eeuwige duister van de bijenwoning?
²) Dit afgescheiden vocht werd nog in 1703 door den pharmacoloog Schwenkfeld te Gorlits in een geschrift aanbevolen als een zeker middel tegen hondsdolheid.
³) Blz. 284 van den "Bijbel der Natuur"- daaronder kunnen wij vertoonen het Torreken dat we in de nesten van de Wilde Bijen gevonden hebben". Tabel XXVI fig. 3, a. b. en c. en verdere blz.