Mijn ervaring en de conclusies welke ik er uit meen te moeten trekken.
Toen ik in den jare 1925 per geluk of per ongeluk imker werd, doordat er een bijenzwerm bij me aanvloog, had ik geen vermoeden, dat bijenhouden zulk een interessant werkje zou zijn.
Dat eerste volk bezorgde me reeds een gewaarwording. Ik deed het in een korf. Het werkte best Zoo goed, dat de korf, een flinke Lüneburger, spoedig vol was en toen kwam het! Terwijl ik er op een pracht dag naar sta te kijken en bespiegelingen maak, trekt het volk eruit en precies zoo het gekomen was, verdween het. Even verzamelen, maar dadelijk vrij hoog en toen ging het, zooals het een week of vier eer bij zijn vroegeren bezitter gedaan had, de lucht in en het avontuur tegemoet.
Uit deze en meer zulke ervaringen heb ik de bevestiging ervan gezien: wanneer je in een volk de een of andere eigenschap tegenkomt, die je niet aanstaat, kweek dan van zoo'n volk niet! Het spreekwoord van de vos, z'n haren en z'n streken is op bijen ook van toepassing, m.a.w. denk er steeds aan, dat, onverschillig welke eigenschap je bij een volk tegenkomt, dat volk die niet alleen behoudt zoolang dezelfde koningin er in blijft, maar ook dat deze eigenschap overgaat, tenminste over kan gaan op zijn nakomelingen.
Gelukkig geldt dit ook voor de goede eigenschappen. Langzamerhand breidde ik mijn aantal volken uit, voornamelijk door de hulp van een m.i. zeer ervaren korfimker. Wanneer die in 't najaar zijn volken tot voorjaarssterkte terugbracht en me een kaal volk verschafte met een koningin, die hij als goed betitelde, heb ik die opgezet en zoo ben ik in het bezit gekomen van een vijf en dertig volken, waarover ik vrijwel tevreden ben.
Welk ras? Ik weet het niet zeker en het interesseert me ook maar zeer matig. Ze zijn naar mijn zin: ijverig, niet zwermlustig en niet te lastig. Ziekten heb ik er niet onder waargenomen en wat opbrengst aangaat, kunnen ze zich met de beste uit den omtrek meten. Wel krijg ik geen gemiddelden van, zooals we soms in 't Groentje lezen, 70-80 pond, maar ik blijf toch al jaren achtereen op ruim de helft daarvan en daarmee ben ik, gezien de omstandigheden, dik tevreden.
Zooals ik boven reeds schreef: vrijwel zwermvrij en toch, o, verachters van de inlandsche zwarte, dit gedegenereerde, nietswaardige ras. Misschien zelfs nog niet eens raszuiver!
Toen ik begon heb ik me alleen voor oogen gesteld: elke ongewenschte eigenschap onderdrukken en dit is gebeurd, door alle volken, die me niet voldeden, jonge moeren te geven van de volken die m.i. goed waren. Aan bepaalde koninginneteelt heb ik nooit gedaan. De moeren, die niet voldeden eruit, de volken volslagen moerloos en dan een raam met open broed van een goed volk erin en ze daarvan een jonge moer laten kweeken.
Om den ouderdom der moeren heb ik me in 't begin wel eens bezorgd gemaakt.
"Met geen oude moeren naar de heide", "Oude moeren worden minder vruchtbaar" - en dergelijke hebben mij in 't begin er toe gebracht om de koninginnen op ongeveer 1 Juni er af te doen, met als gevolg in de plaats van een goede meestal een slechte heidedracht door gebrek aan volk.
Zeker, ik weet het, dit is grootendeels te ondervangen door moerenkweek en verwisseling, waardoor de leg niet zoo lang stilstaat maar, eerlijk gezegd, ik ben om het vele werk en ook om de talrijke mislukkingen, die dit meebrengt vast niet verlegen en zoo zal het vermoedelijk wel velen met mij gaan.
Daardoor liet ik de zaak maar op z'n beloop en hierdoor ben ik, misschien bij toeval, op den goeden weg gekomen. In den loop der jaren heb ik ondervonden dat de bijen zelf wel weten wanneer een moer "af" is.
Wanneer ik vroeger in een volk een of meer doppen vond, waren ze al afgebroken, voor ik mij er rekenschap van gaf wat ik deed. Zooveel dagen later weer nazien en zoowaar! ze zaten er weer. Weer afbreken en zoo herhaalde zich de geschiedenis enkele malen, tot ik ze hun gang liet gaan en vaak tot mijn verwondering geen zwerm kreeg. Bij nazien bleek me dan, dat ze volop in 't broed zaten en herhaaldelijk vond ik naast de oude moer een leggende jonge. Dit werden natuurlijk "de" volken. De keeren, dat het anders ging moesten die volken eruit en zoo is het mij gelukt een vrijwel zwermvrij stel te krijgen. Wisselen is regel geworden. Dit gaat echter zeer onregelmatig. Ik heb wisselen twee keer in een jaar gezien, maar ook eens in de vier jaar. Mijn oudste koningin moest er het vijfde jaar uit.
Zoo kreeg ik vrijwel geen zwermen. Van de 32 kastvolken, die ik zwermvrij wilde houden, heb ik de laatste vijf jaar precies negen keer moeten scheppen, waarbij ik in het grootste deel der gevallen zelfs niet eens vrijuit ging, omdat ik verzuimd had, voldoende ruimte te geven. Ik werk n.l. met kasten, Alberti-systeem, met minstens 22 ramen van 37½ X 25½ en hoogstens 24 van 30 X 24 c.m. Wanneer ze volop in 't volk zitten, krijgen ze de ruimte tusschen glasraam en achterdeur erbij, wat vooral noodig is bij warm weer en geen vlucht voor het bergen van de vliegbijen. Wanneer een volk deze ruimte totaal bezet heeft en er volgt een tijd van slechte dracht, dan wil het wel eens gebeuren dat ze aanstalten maken tot zwermen, maar dit, al is het minder aangenaam, beschouw ik niet als reden tot opruimen, temeer omdat het nog zelden tot zwermen komt, want enkele dagen dracht zijn al voldoende, om al de doppen te doen afbijten. Geheel iets anders is het natuurlijk als ze eruit trekken, voor dat de beschikbare ruimte is uitgebuit tot in alle hoeken. Zulke volken acht ik voor mijn stand ongeschikt.
Daartegenover begrijp ik de trots, waarmee een korfimker me eens verklaarde: "een best volk! Heeft me van 't jaar vijf zwermen gegeven!" Het was een hei-imker, die het in zijn lijn met zijn volken ver gebracht had. Wat voor mijn volken een ondeugd beteekende, was voor zijn volk een deugd. In verband hiermee wil ik zeggen: uit onze inlandsche bij is veel te halen en als het er niet uitkomt, ligt het meest niet aan de bij, maar aan den imker.
Veel ondervinding met geeltjes en grijsjes heb ik niet, maar die ik er van heb lokken me niet tot nadere kennismaking en ik vraag me dan ook telkens weer af; waarvoor toch de ophemeling van die vreemdelingen ?
Is het de dwaze meening, dat alleen uit den vreemde wat goeds kan komen, die het eigene doet verachten?
Of is het: waarom zou je het gemakkelijk doen, als het ook moeilijk kan ? Of nog erger: de zucht naar gewin? Gesteld, alles is waar wat van Krainers, Italianen etc. van alle vreemde rassen voor goeds gezegd wordt, wat heb ik daar dan nog aan, als uit onze inlandsche zwarte gehaald kan worden wat we wenschen? Ik vind zelfs in onze inlandsche eigenschappen, die de vreemdelingen niet hebben en me veel waard zijn. De ervaring met de Krainers heeft me geleerd: tracht geen eerste kwaliteit raathoning met ze te winnen want zuiver wit verzegelen kunnen ze schijnbaar niet. En wat te zeggen van de beweerde zachtmoedigheid van de geeltjes, als men één der grootste propagandisten ervan zijn volken ziet behandelen gewapend met kap en pijp. Ik maak voor mijn zwartjes zooveel omslag niet. De kap is lang op non-actief.
Ik begrijp niet, waarom onze imkers zich laten aanleunen dat de inlandsche bij niet deugt. Dat zijn toch dezelfde menschen, die getoond hebben, dat b.v. ons Friesch-Hollandsche vee het M.R.Y. en de Groninger blaarkop, zuiver inheemsche rassen, door goede fok superieur zijn aan de meeste vreemde.
Denk verder aan het Friesche en Zeeuwsche paard, de Barnevelder kippen. Waak op!
Laat ons met onze inlandsche bijen toch niet overkomen, wat ons met het Geldersche paard overkomen is. Zooveel "verbeterd" door de in- kruising van vreemd bloed, dat het spoorloos is weggefokt. Wat zouden velen het graag terug zien. Als de koe de staart kwijt is.......
Of het waar is dat onze zwarte ziektevrij is kan ik niet beoordeelen. Ik geloof het niet, maar wel weet ik, dat we tot heden vrijwel verschoond bleven van plagen, die in den vreemde de grootste verwoestingen onder de bijen hebben aangericht En daar loopen we vast een keer aan wanneer we steeds weer vreemde bijen invoeren. Broeder Adam heeft immers ook bewezen, dat hij het zonder die vreemde af kan, door het eigen landras te verbeteren en dat zal ook steeds het beste moeten zijn, want dit heeft zich in den loop der tijden aan kunnen passen aan klimaat en omstandigheden, wat steeds een groote voorsprong moet zijn op al wat vreemd is.
ZELHEM, Rozenhof.
H. L. B.
Naschrift Red.
Dit stuk was reeds in portefeuille vóórdat het artikel van dhr. Kaufmann werd ontvangen.