OP DEN BIJENSTAND.


Het gaat onzen bijtjes dit voorjaar zeer zeker niet naar den vleeze. Vooreerst zijn ze reeds klein uit den winter te voorschijn gekomen, als gevolg van de slechte heidedracht met weinig broedaanzet in '39. Was er nu maar genoeg stuifmeel aanwezig, dan kon de broedontwikkeling z'n gang gaan; doch ook deze stagneert. Door het koude weer is er de kalender wijst heden reeds 15 April - nog bijna geen bloem open. Alles in de natuur wacht op warmer weer met zonlicht. Zooals het er nu bijstaat moeten we rekening houden met een late - misschien zeer late - ontwikkeling onzer volken. Temeer waar er in de naaste toekomst veel meer lijkkisten dan wiegen zullen zijn, Kunstmatig is daar ook al zeer weinig aan te doen of we moesten juist de beschikking hebben over zeer stuifmeelrijk voer. Een enkeling zal daar misschien over beschikken, het gros zeer zeker niet. Als algemeene klacht hoort men, dat de volken het voer niet willen ophalen. Vooreerst is het veel te koud maar op de tweede plaats hebben ze daar ook geen behoefte aan.

Verschillende wenken voor April bedoeld zullen dan ook moeten worden opgevolgd in Mei. Zoo b.v. het inhangen van kunstraat in de tweede helft April. Hier is nu natuurlijk geen sprake van.
Het is zeer waarschijnlijk dat alles straks tegelijk gaat bloeien. Het is een typisch verschijnsel dat juist de appels, welke in normale jaren het laatst bloeien, nu reeds zoo vorderlijk zijn. Ze bloeien. zeer waarschijnlijk tegelijk met de pruimen. In Mei gaan we al naar gelang de weersomstandigheden of dracht, door met drijfvoederen. Wèlk doel we ook met onze volken hebben, we zorgen dat ze zoo sterk mogelijk worden door zooveel mogelijk broed te laten produceeren. We willen probeeren onze volken 1 Juni op zwerm-of vlieghoogte te hebben. Het komt natuurlijk voor dat we sterke en zwakke volken op onzen stand hebben. Om nu later zoo gemakkelijk mogelijk te kunnen werken, zorgen we dat ze zoo gelijkmatig mogelijk worden gemaakt. Heeft men ronde korven, dan kan men zulks het beste bereiken door overvoederen. Men plaatst onder een sterk volk een voederbak met zoo groot mogelijk oppervlak, waarin stukgesneden stroo. Giet daarop voer met wat honing vermengd. Als er eerder reeds regelmatig gevoerd is zal na vijf minuten dit bakje vol bijen zitten. Men neemt dit nu heel voorzichtig op en plaatst het onder een zwak volk. Men kan dit zoo vaak herhalen als men noodig oordeelt. Mochten er vliegbijen onder de overgebrachte zijn, dan vliegen deze des anderen daags natuurlijk weer naar de oude stok. Doch de jonge bijen blijven bij het zwakke volk. Ook zou men zulke volken kunnen omzetten, doch in het voorjaar geeft dit, door verschillende omstandigheden, meestal niet het gewenschte resultaat. Heeft men kasten of boogkorven welke men wil egaliseeren, dan neme men van de sterke volken ramen gesloten broed en geeft deze aan de zwakkere. Vooral geen open broed, want dit geeft aan de zwakken werk en we veronderstellen toch dat ze zelf wel zooveel broed in behandeling hebben als ze kunnen bezetten. Als 't mogelijk is geve men zulk broed, dat op 't punt staat uit te loopen. Men herkent dit doordat de verzegeling bruiner is. Men geve echter nooit meer dan één raam tegelijk. In plaats van de afgenomen broedramen geeft men uit-. gebouwde ramen of ramen met heele vellen kunstraat.
De doeleinden waarvoor we onze volken voerden zijn: zomerdracht-heidedracht of zomer- en heidedracht. Al naar gelang een dezer doelen zullen we onze volken anders moeten behandelen als deze sterk beginnen te worden. We kunnen wel vooropstellen dat we de vaste bouw bestemmen om er één of meerdere zwermen van te nemen. Om dit te bereiken gaan we in de tweede helft Mei geen ruimte meer ge-ven. Dit jaar zal het wel zoo worden dat de eerste zwermen niet voor 1 Juni vallen. Dus over zwermbehandeling van den vasten bouw met alles wat daarmee annex is de volgende keer.

Hebben we losse bouw en alleen heidedracht dan nemen we ± 1 Juni een kleine zwerm, ± 1 k.g., af. Men veegt of nog liever schudt een hoe-veelheid van ± 1 k.g. met de oude koningin van de raten en plaatst deze in een nieuwe woning, welke op ±: een kwartier afstands van de stand wordt geplaatst. Mocht de veger op den ouden stand een plaats krijgen, dan moet men de hoeveelheid bijen aanmerkelijk grooter nemen, daar de vliegbijen op den ouden stok terugvliegen. In dit geval geef ik de voorkeur om een vlieger te maken. Men laat alleen een raam met broed waarop de oude koningin in de oude woning op de oude plaats. De rest vult men aan met uitgebouwde of heele vellen kunstraat. Alle overige ramen uit het standvolk komen in een nieuwe woning en deze krijgt een nieuwe plaats op den stand. De vlieger krijgt nu successievelijk alle vliegbijen er wordt daardoor een sterk volk. Om alle risico's te mijden is het zeer aan te bevelen zoowel de veger als de vlieger een raam borstplaat mee te geven. De vlieger zal zeer zeker wel te sterk worden en al dra weer zwermplannen vertoonen, Hoe daar mee te handelen den volgenden keer.

Heeft men als doel èn zomer èn heidedracht, dan geef ik persoonlijk de voorkeur om van de standvolken een kleine zwerm te nemen. Als eiset; stel ik echter dat dit vóór 2 à 3 Juni moet kunnen gebeuren. De geschiktste tijd is wel ± 24 Mei, Volken welke ± 1 Juni nog niet klaar zijn geve men zooveel mogelijk ruimte en mocht later wat in de meeste gevallen wel zoo zal zijn toch zwermkoorts optreden, dan make men van twee volken drie. De volgende maal meer hierover.

Dan is er nog de categorie welke alléén zomerdracht heeft. Hier is het natuurlijk zaak, z'n volken zoo sterk mogelijk te houden, n.l. om op ± 15 Juni - begin zomerdracht - zooveel mogelijk vliegbijen te hebben. In mijn April-artikel maakte ik reeds gewag dat het een heksentoer is om na een vroege ontwikkeling b.v. op het fruit z'n volken zwermkoortsvrij te houden. Het is een feit dat na de fruitbloei eeb drachtpauze intreedt.
En waar de volken dan zoo vol broed en jonge bijen zitten, m.a.w. de sapstroom op zeer hooge spanning staat, valt het niet mee om ze aan het werk "vrij" te houden. Als je echter een kleine stand hebt te verzorgen dan is er met kunst en vliegwerk nog wel wat te bereiken. Voor groote standen is het echter een toer. En in vele gevallen wordt er zoo getobt om het zwermen te verhinderen, dat ze per slot geen volk, laat staan honing, overhouden.

Nu wordt de zaak eenigszins anders als men geen vroege voorjaarsontwikkeling heeft. Dus wanneer men z'n volken ± 15 Juni op vlieghoogte heeft. Volgt er dan dracht dan is het zeer waarschijnlijk, ja zelfs zeker, dat de zwermkoorts voorloopig achterwege blijft. Om echter te probeeren om ze zwermvrij te houden, kan men verschillende wegen bewandelen. Om er eenige te noemen: de afzakmethode, de omhangmethode en verder nog het sdepareren. Deze laatste is nu wel niet zwermverhinderend, dan toch wel om het volk bij elkaar te houden. Voor deze bedrijfswijzen raadplege men de diverse handleidingen.
Begin in geen geval met tegengaan van het zwermen, door de doppen weg te breken. Hoe meer U ze daarmee plaagt, hoe revolutionairder (zwermiger) ze worden.
Voor streken met uitsluitend zomerdracht is dit de aangewezen weg. Heeft men echter ook nog kans op heidedracht, dan verkies ik persoonlijk de oude koningin als zwerm een eigen huisvesting te geven, mits natuurlijk de volken vroegtijdig klaar zijn. Een koningin is juist in haar tweede jaar het vruchtbaarst en kan een leger drachtbijen voortbrengen. Men kan ze ook heel gevoegelijk "melken", d.i. broed laten produceeren om er zwakkere volken mee voort te helpen.

Waar ik des zomers op verschillende bijenstanden kom moet ik me telkens ergeren aan de verwoestingen welke de wasmot teweegbrengt. Vooral gij, rondekorfimkers, gaat niet vrijuit, maar laat de mot onder uw korven welig tieren. En weest ervan verzekerd, dat deze zich niet alleen tevreden stelt met het mul onder de korven. doch ze dringt ook de wand der korven binnen. En via deze tast ze het broednest uwer volken aan. Ze maakt gangen onder het gesloten broed en bij honderden worden de jonge bijen, voordat ze geboren zijn, om zeep gebracht. Zeer dikwijls ziet men de jonge bijen kruipen met afgevreten vleugels. Zulke volken kunnen niet vooruit. Maak steeds een of twee keer per week de bodemplank schoon en doodt alle poppen van de wasmot welke tusschen de naden der bodemplank of tusschen de korfranden te vinden zijn. Bij kasten hebben ze veel minder kans, mits de kast zóó is geplaatst, dat ze iets voorover helt. Doordat bijna alle kasten het vlieggat gelijkvloers hebben, komt het vuil als vanzelf naar voren en is de bodemplank geregeld schoon. Kasten welke geen gelijkvloers vlieggat hebben zijn daardoor reeds te verwerpen. Kan een imker een korf al niet motvrij houden, wat zal er dan terecht komen van een kast waar het vlieggat boven of halverwege is aangebracht.

D., S.