DE "MOFU".
Vangen, knippen en kleuren van de moer.
Hoe langer hoe meer gaan de imkers er toe over de moer te kleuren en te knippen. Naar mijn meening volkomen terecht, zeker wat het kleuren betreft. Vooral bij gebruik van de "Eckhardt" met de schitterend blinkende plaatjes, kost het niet de minste moeite de moer te zien tusschen alle bijen, zelfs op een afstand. Dat kan haar het leven redden, zooals ik bij het voorjaarsonderzoek nog ondervond. Aan den binnenkant van het vlieggat lagen wat doode bijen, die ik met een haakje wilde verwijderen. Juist toen ik zou be-ginnen, zag mijn helper, die de kast wilde afdekken, de zilverkleurige moer tusschen de doode bijen loopen. Het haakje behoefde geen dienst te doen.
Om te kunnen kleuren en knippen, moet de imker de moer vangen met een van de gebruikelijke toestellen, of met de hand. Met alle, uitgezonderd het laatste, heb ik proeven genomen en kan dus van ondervinding spreken. Het groote bezwaar is, dat men de moer bij het vangen moeilijk of zelfs heel en al niet zien kan. Daaruit volgt, zooals mij eens overkwam, het verminken of dooden van een jonge, kostbare moer. De zuiger "Regina" lijdt aan dat euvel niet, maar het vangen zelf valt niet mee, als de moer - en dat doet zij bijna altijd - weigert stil te blijven staan tusschen al haar wriemelende, snelvoetige kinderen. Erger vind ik het, dat door de nog al sterke zuiging de moer met een smak tegen het glas terecht komt.
Na het verongelukken van de moer, zoo even bedoeld (het "Corona"-toestel kneep haar bij het sluiten tusschen zijn randen, omdat ik niet voldoende kon zien) begon ik te zoeken naar een vanger, die al dergelijke bezwaren moest missen. Derhalve vereischt volkomen zichtbaarheid van de moer, afwezigheid van gevaar voor botsing, knijpen en daardoor beschadiging of dooddrukken, Het nieuwe toestel moest dus geen insluiten vorderen door den imker; de moer zelf moest dat doen en zich zonder meer laten meenemen. Daarenboven mocht het niet te duur zijn en na te maken door iederen imker, die knutselen kan (een niet-knutselaar moet maar geen imker worden).
De zichtbaarheidseisch baarde geen moeilijkheid.
Wijl ik sinds jaren, bij het vervaardigen van biologische praeparaten, veel gewerkt had met celluloïd, viel daarop mijn keuze. Een glasblazer, geraadpleegd, oordeelde gunstig over de mogelijkheid van maken, doch bij de breekbaarheid voegde zich de duurte.

Om de moer zichzelf te laten opsluiten, met een uiterst geringe kans tot ontsnapping, koos ik de inrichting van de fuik. Deze leverde mij tevens den naam: mofu (de 2 eerste letters van moer en fuik), Een jaar of vier heb ik een rechtopstaande fuik gehad, die kofu heette (koninginnefuik); verleden jaar ging ik over tot de liggende, de mofu, die nog beter voldeed. Ook de naam zelf vind ik beter. Ik ben n.l. tot de bevinding gekomen, dat er velen zijn, die uit dat koninginnewoord eigenschappen afleiden, die de moer volstrekt niet bezit, als b.v. leiding geven bij het zwermen enz. Het woord moer echter past uitstekend, omdat na eenigen tijd in een volk alle bijen aan haar het leven danken.
Daarenboven: wie hoorde ooit van koninginneloosheid?
Een kleine ontsnapkans bestaat. Eens stak ik in den zak van mijn werkjas een kofu met een jonge, eierleggende moer er in, en ging toen de kast voor de ontvangst gereedmaken. Dit duurde slechts kort, maar bij het te voorschijn halen van de kofu bleek de moer verdwenen. In den zak was zij niet. Met uiterst geringe hoop ging ik naar het bevruchtingskastje. Tot mijn groote vreugde zag ik daar op den voorkant de moer in gezelschap van een groepje bijen. Het is mij nog steeds een raadsel, hoe zij die plek terugvond. Uit de "Regina" weet zij ook te ontkomen: gebruikers zullen dit wel ondervonden hebben evenals ik.
De eerste toepassingen van de kofu beantwoordden volkomen aan de verwachtingen, doch daarna kwamen de tegenslagen: het gebeurde, dat de moer niet naar boven wilde door den fuiktrechter heen. Bedenkend, dat zij het licht mijdt, verdonkerde ik het gedeelte boven den trechter door er een koker van zwart papier over heen te schuiven. Het hielp echter niet, terwijl de zichtbaarheid er sterk onder leed. Toen boorde ik gaatjes in het onderstuk: eenige rookpuffen er door geblazen, maakten, dat de moer heel gauw de trechteropening ontdekte. Om het gevoel van raat te geven en het klimmen te vergemakkelijken, bevestigde ik in de trechter van den onderrand tot aan de opening boven een reep kunstraat. Ook anderen hebben de kofu tot hun groote tevredenheid gebruikt.
Zooals ik reeds opmerkte, ging ik in den zomer van '39 over tot de liggende fuik, die de figuur voorstelt. De gaatjes bevinden zich alle uitsluitend in het voorstuk. De moer behoeft nu niet meer te klimmen, wat haar blijkbaar beter bevalt. De mofu kreeg tevens kleinere afmetingen dan de kofu en werkt uitstekend. Bij het zien van de moer zet men kalm en bedaard de vierhoekige opening van het voorstuk over het groepje moer en bijen, blaast, zoo noodig, wat rook door de gaatjes en weldra zitten alle in de fuik gevangen. De imker gaat met zijn buit naar binnen, neemt het deksel van de mofu af, liefst voor een gesloten raam, laat de moer overloopen op een raat, de bijen wegvliegen en zet het deksel weer over de moer heen. Wordt zij schuw, zoo vliegt zij zeker tegen het raam. Zet dan het deksel over haar heen en schuif tusschen glas en deksel een stijf papier, b.v. een stuk briefkaart. (Ook een geschikt middel om bijen, wespen enz. uit een kamer te verwijderen. De mofu zelf kan er natuurlijk ook voor dienen.)
Wil iemand de vleugels afknippen, dan moet hij de moer een poos - 5 minuten is ruim voldoende - alleen houden; dan brenge hij haar, het deksel voortschuivend, naar een plek van de, raat, waar onder in de cellen een beetje honing of suikerwater ligt. Niet boven op de raat; want dan gaat zij zich de pooten aflikken en doet niet, wat van haar verlangd wordt. Door die afzondering - geen bijen konden haar voederen - heeft zij honger gekregen en duikt diep in een cel, terwijl de vleugels zich uitspreiden ver van het borststuk af. Aan een of aan beide kanten knipt hij nu zoo veel van de vleugels, als hij verkiest. Haast is er niet bij: de moer blijft lang zuigen.
Na dit werkje komt het kleuringskokertje over haar heen, waarin zij gemakkelijk naar boven loopt. Men drukt haar, met het borststuk onder een der mazen, tegen het netje en kleurt. Ik heb het eens beleefd, dat de moer na de kleuring, toen nog met verf, geen teeken van leven meer gaf. Spijtig wierp ik haar weg. Gelukkig echter viel mij in, wat ik gelezen had in L' Apiculture intensive van Perret-Maissonneuve, bl. 146, dat Dr. Brünnich ook iets van dien aard ondervonden had. Misschien gebeurt het bij een der lezers ook nog wel of is het reeds gebeurd. Ik zocht, vond de moer terug en legde haar op mijn hand. Na eenige minuten kwam iets beweging in een der sprieten; korten tijd later liep zij over de raat, alsof er niets gebeurd was, en begon te zuigen. Van slechte nawerking bleek niets. Met PerretMaisonneuve durf ik dus aanraden, zich erdoor niet van het teekenen der moer te laten afschrikken.
Men kan natuurlijk ook eerst kleuren en dan knippen, waarvan het voordeel is, dat de moer reeds een poos alleen was.
Het kleuringskokertje kan ook dienst doen bij het knippen, op een wijze, die ik vroeger toepaste. De moer krijgt onder het netje zoo veel ruimte, dat zij zich heen en weer bewegen kan. Daarbij steekt zij dan af en toe de vleugels door een der mazen en geeft gelegenheid tot knippen. Talmen is nu uit den booze.
Is het kleuren geschied, dan ga men met de moer in het kokertje naar de kast en laat haar weer bij het volk loopen, hetzij door de voederopening, indien dit mogelijk is, hetzij door een spleet, de afdekking een weinig op zij schuivend. Gewoonlijk moet een beetje rook haar uit het kokertje drijven. Van mij krijgt zij nog een paar flinke rookwolken achterna. Jaarlijks behandel ik zoo een 10 tot 20 moeren. Zooals blijkt, behoef ik de moer niet aan te raken en heb dit, ofschoon ik er over de 100 knipte en kleurde, ook nog nooit gedaan. Wellicht heb ik het daaraan te danken, dat er bij het terugbrengen in de kast geen enkele keer een verongelukte. Iemand, die de kofu gebruikte, maar bij het knippen de moer vastnam had, naar ik hoorde, het verlies van 3 behandelde moeren te betreuren: door de bijen omkneld (germanismen als "ingebald" enz. - er zijn er heel wat - acht ik onze imkerstaal onwaardig).
Ofschoon de wijze van vervaardiging niet lastig is, heb ik toch besloten, haar niet te beschrijven, wijl velen toch niet tot het maken zouden overgaan. Nadat ik de noodige inlichtingen verstrekt had, verklaarde een bekende firma¹) zich bereid de mofu te maken en in den handel te brengen. Wie er geen ongezien wenscht te kopen, kan ze leeren kennen in het Museum, Bijenpark, Amsterdam. Niemand meene, dat ik dit schrijf ten eigen bate: alles werd zonder meer aan genoemde firma afgestaan. Het toestelletje bedacht ik voor eigen gebruik en, omdat het goed voldeed, wilde ik ook anderen zijn voordeelen laten genieten. Daarom ook dit artikel.
Een kenner van celluloïd zal misschien nog vreezen voor brandgevaar. Ik heb er brandenden tabak opgelegd, herhaaldelijk zelfs. Geen enkele keer vatte het vuur, tenzij ik hem er stevig opdrukte. Het spreekt van zelf, dat geen brandende lucifer aan de mofu mag komen.
Bezitters van het "Corona"-toestel kunnen dit veel verbeteren, door het draadwerk van de 2 helften te vervangen door een plaatje celluloïd. Ik meende zelfs verleden zomer, na het zoo een paar malen gebruikt te hebben, dat het èn kofu èn mofu overtrof. Maar op een goeden keer kwamen er zoo veel bijen tusschen, dat ik geen moer meer zag en het niet dicht durfde te laten gaan. Ten slotte moest ik de "Corona" opheffen: en weg was de moer. Toen ik haar op een andere raat teruggevonden had, liep zij ogenblikkelijk in de mofu. "Corona" had voor goed afgedaan.
NIJMEGEN. Dr. L. PEETERS S.J.
¹) Jos. Mees, Zoon, Herenthals, België. Ook door de Afdeeling Handel, Wageningen, verkrijgbaar.