De eenheid op bijenteeltgebied welke er komen moet!
Zooals onze Voorzitter in een artikel in dit nummer uiteenzet, en wij ook herhaaldelijk - sinds 1924 - hebben betoogd, kan de bijenteelt in ons land eerst dán goed gedijen, indien er een nauwe aaneensluiting komt, beter nog het oplossen van alle organisaties op bijenteeltgebied in één enkele allesomvattende Vereeniging. Niet alleen, dat er op die manier veel geld bespaard wordt dat gebruikt zou kunnen worden voor den uitbouw van de bijenteelt in ons land, doch er kan dan eensgezind aan dien uitbouw worden gewerkt.
Nederland werd verleden jaar op het internationaal congres te Zürich vertegenwoordigd, niet door de Nederlandsche imkers, doch slechts door onze vereeniging.
Het internationaal congres, dat in 1941 in ons land gehouden zou worden, zou niet welkom kunnen worden geheeten door alle Nederlandsche imkers, doch slechts uit naam van onze Vereeniging, zij het dan ook, dat zij de grootste en oudste is.
De tentoonstelling welke daaraan verbonden zou worden, zou niet uitgaan van alle Nederlandsche imkers, doch slechts van onze Vereeniging.
Wij behooren allen tot de Nederlandsche Staat, behandelen op volkomen gelijke wijze onze bijenvolken, hebben dezelfde nooden, dezelfde wenschen en al die wenschen worden geuit en er wordt zoomogelijk een oplossing voor gezocht door niet minder dan 6 verschillende organisatie's. Is het wonder dat wij er op die wijze niet kunnen komen en ook niet zullen komen?
Dit jaar zouden wij de 18e Nederlandsche imkersdag hebben gehouden. Daar zouden wij echter niet de imkers hebben gezien van gansch Nederland, doch slechts die van onze Vereeniging, zij het dan ook met vertegenwoordiging van de Zuidelijke Bonden met welke wij een geregeld contact onderhielden.
Bij zulk een verscheidenheid van bonden en bondjes zijn de kleinkramerijen niet van de lucht en ons aller energie gaat verloren in allerlei beuzelingen, plukharen enz. enz.
We hebben het kunnen zien, dat een Bond zijn quotum verlaagde om daardoor een aantrekkingspunt te worden en op dit gebied kunnen we in ons goede land de meest verbijsterende staaltjes aanschouwen.
Er bestaan enkele goede handelsafdeelingen behoorende aan diverse organisaties op bijenteeltgebied. Zou het niet economischer zijn, indien door het éénworden van alle organisatie's ook die beide handelsafdeelingen samensmolten?
De Voorzitter wees al op het gesol met de proefbijenstand, met het Rijksmerk, met andere zoo broodnoodige instellingen. Indien één doelbewuste Nederlandsche imkersorganisatie daar zijn schouders onder zette zou allang die kwestie zijn opgelost en misschien zelfs wel geheel door eigen middelen kunnen worden gefinancierd.
Laten wij uit de gebeurtenissen der laatste maanden een les putten. Laat die les door ons afdoende worden begrepen. Laat ons alle hokjesvormerij laten varen en laten wij als Nederlandsche imkers de schouders zetten onder één gemeenschappelijke taak, n.l. die van het groot worden van de ons allen zoo na aan het hart liggende Nederlandsche bijenteelt.
JOUSTRA.