Alle Nederlandsche ymkers in één Nationale Vereeniging voor Bijenteelt!
DISPEREERT NIET!



Dit maanwoord van den grondlegger van ons overzeesch Imperium, Jan Pietersz. Coen, zweefde mij voor den geest, toen ik het bemoedigend en opbouwend hoofdartikel van onzen redacteur, bestemd voor het eerste Maandschrift, dat na de verbijsterende oorlogsdagen weer verschijnen zou, onder de oogen kreeg. Voor iedere rechtgeaarde Nederlandsche vrouw en Nederlandschen man binnen onze rijen zullen deze woorden van onwrikbaar geloof en vast vertrouwen in een hoopvolle toekomst van het eigen land en van de eigen bijenteelt, als balsum hebben gewerkt op de wonde van hun nationale hart. De ramp, welke ons dierbaar vaderland overvallen had, dreigde immers voor een oogenblik zelfs de meest sterken onzer in verslappende moedeloosheid te doen verzinken dan wel in een toestand van onvruchtbare gelatenheid verstrikt te houden. Joustra's wekroep wees ons echter den weg, waarlangs ook wij een nieuwe en betere toekomst tegemoet zullen kunnen gaan en vervulde ons daarbij met de stellige verwachting, dat op de puinhoopen van het heden, hoe troosteloos deze ook thans mogen schijnen, te eeniger tijd toch een nieuwbouw verrijzen zal welke èn in schoonheid èn in duurzaamheid al het oude in de schaduw stellen zal.

Er is in Nederland veel geleden en ontzaglijk veel kapot gemaakt. Innig medeleven verbindt ons met al degenen, die tengevolge van het oorlogsgeweld dierbare familieleden en goede vrienden verliezen moesten, of zich om die reden alle have en goed ontnomen zagen. Met diepe droefheid in het hart denken wij aan de vernietiging van kostbaar nationaal cultuurbezit en het teloorgaan van talrijke historische waarden en wij gevoelen dit alles als een nog te grooter verlies, nu ook Zeelands oude en vermaarde hoofdstad, eens de stad, waar een onzer best geslaagde ymkerdagen gehouden werd, aan niets ontziende bombardementen ten offer is gevallen. Toch heeft de oorlog niet enkel en alleen verlies opgeleverd. De omstandigheid, dat welhaast niemand onzer in den rampspoedigen tijd, die achter ons ligt, voor leed gespaard gebleven is, heeft indirect toch ook iets goeds gebracht. Ons land, dat in schier al zijn levensuitingen hopeloos gesplitst en waanzinnig verdeeld scheen te zijn, heeft juist door de gemeenschappelijke smart zijner burgers de innerlijke verbondenheid van zijn wezen teruggevonden. Buiten alle verschillen van stand en afkomst om, en door alle lagen der bevolking heen, is een saamhoorigheidsgevoel groeiende en een eenheidsgedachte aanstaande, welke de weldadige belofte in zich houden, dat de wederopbouw onzer natie uit eigen kracht en door eigen middelen tot stand gebracht zal worden. De vijfdaagsche oorlog heeft aan onze schijnbaar zoo grenzelooze volksversplintering een onverbiddelijk einde gemaakt en er mag gereedelijk worden aangenomen, dat dit verheugende feit ook het organisatieleven der Nederland. sche bijenhouderij op gunstige wijze zal be. . invloeden. Ook op ons terrein is de tijd, waarin men in een zelfgenoegzaam isolement den schijn eener productieve kracht meende te kunnen ophouden, voorgoed voorbij. Gebrek aan samenwerking en ongebreidelde concurrentiezucht hebben al te lang menig constructief streven in zijn groei belemmerd en menig gezond initiatief in de kiem gesmoord.

Kleinzielige critiek, onderling wantrouwen en bekrompen eigenbelang hebben jarenlang de spankracht onzer eigen vereeniging verslapt en van binnen uitgehold, terwijl als gevolg dier destructieve invloeden ons optreden naar buiten de doelbewustheid miste, welke nu eenmaal een eensgezinde formatie eigen pleegt te zijn. Eerst na de afscheiding van het Zuiden in 1921 en van andere kleinere groepen eenige jaren daarna is men zich pas goed gaan realiseeren, hoeveel schade die inwendige verdeeldheid het uiterlijk aanzien onzer organisatie berokkend had. Geleidelijk aan is in de Vereeniging tot bevordering der bijenteelt in Nederland een nieuwe geest geboren, die reeds voor den oorlog hoopvolle verwachtingen zou hebben kunnen opwekken, indien niet tengevolge van de aanwezigheid van maar liefst vijf gelijksoortige, elkander op hetzelfde werkterrein beconcurreerende bijenhoudersbonden, iedere daadwerkelijke actie bij voorbaat tot mislukking was gedoemd.
Hootsen's klacht, reeds in 1896 geuit, dat de biienteelt, bij andere landen vergeleken, hier schromelijk verwaarloosd werd, heeft helaas op dit oogenblik nog niets van haar actueele beteekenis ingeboet.
Hoewel het onderwijs in bijenteelt thans wat bevredigender geregeld is missen wij een centraal onderwijsinstituut, een zg. Bijenteeltschool; van een systematisch wetenschappelijk onderzoek naar het ontstaan en den aard der zich hier te lande voordoende bijenziekten is nog steeds geen sprake, al mogen wij hierbij het belangrijke pionierswerk, dat ten deze door Dr. Winkel in de laatste jaren reeds werd verricht, niet over het hoofd zien; een proefbijenstand, gelijk er in onze buurlanden reeds zoovele bestaan, kon ondanks herhaalde pogingen daartoe, nog steeds niet tot stand gebracht worden; ook de oprichting van een geisoleerd bevruchtingsstation is tot de vrome wenschen blijven behooren. De honing- en wasafzet vormt een lijdensgeschiedenis op zichzelf om. om van de tragedie van het rijkshoningmerk en het daarmede nauw verbonden Nederlandsch Honing Station maar te zwijgen.
Men concludeere nu echter niet dat de bestaande verdeeldheid op organisatorisch gebied uitsluitend de oorzaak van dit bedroevende resultaat geweest is. Men zou daarmede volkomen onterecht en onverdiend een blaam werpen op den geest van samenwerking, welke de in de Contactcommissie vertegenwoordigde organisatie's speciaal in de laatste tien jaren bezield heeft. De oorzaak van een en ander moet zeker zoo goed gezocht worden in de geringe activiteit der daarvoor verantwoordelijke regeeringsinstanties en het ontbreken eener constructueele visie van dien kant. Hieraan ware dan nog toe te voegen, dat men van regeeringswege het naast elkaar voortbestaan van meerdere wel in doelstelling doch niet in werfmethoden volkomen aan elkaar identieke vereenigingen uit ongerechtvaardigde neutraliteitsoverwegingen zonder meer als een axioma accepteerde: instede van het juist daardoor tot onvruchtbaarheid gedoemde organisatieleven door een actieve leiding tot een doelbewuste eenheid om te smeeden. Vooral op ons gebied waren de machtsmiddelen van den staat voor dit doel volkomen toereikend. De jaarlijks terugkeerende behoefte aan accijnsvrije bijensuiker verschafte namelijk op eenvoudige wijze de mogelijkheid, om van het particulier initiatief alle medewerking te eischen welke men voor de bevordering van de gemeenschappelijke doeleinden zooal noodig mocht achten.

Het is tenslotte onze vereeniging geweest, die met de Zuidelijke Bonden, twee jaren geleden reeds, de regeering met nadruk op die mogelijkheid heeft gewezen, daarmede het bewijs leverende, dat men gaarne vrijwillig een deel der eigen autonomie wenschte op te offeren, indien daarmede het algemeen belang der vaderlandsche bijenteelt kon worden gebaat. Nog steeds wacht het desbetreffende voorstel, dat voor het Rijk geen finantieele consequenties kon hebben, omdat de benoodigde gelden door alle Nederlandsche imkers gezamenlijk zouden worden ter beschikking gesteld, op zijn afhandeling. Gelet op de daarbij opgedane ervaring en in aanmerking genomen de bijzondere tijdsomstandigheden, waarin wij thans zijn komen te verkeeren, geloof ik, dat het nu de allerhoogste tijd is, dat de bestaande organisatie's zelf de hand aan den ploeg slaan. Het vaag contact, dat tot dusver ten aanzien van enkele punten bestond, moet uitgroeien tot een hechte en bestendige cooperatie op alle gebied, waar de bijenteelt ons bijeenbrengt. Het zijn immers niet alleen de algemeene imkersbelangen, die om een centraal geleide behartiging vragen; minstens evenzeer geldt dit voor de meer interne vereenigingszaken. Vandaar, dat ons ideaal in de toekomst zal moeten zijn: één centraal bestuur, één tijdschrift, één contributie, één suikerprijs en wat misschien nog wel het aller belangrijkste is: één nationaal imkersdoel, kortom één alle imkers in Nederland omvattende nationale vereeniging voor bijenteelt.
De periode, die achter ons ligt, heeft genoegzaam bewezen, dat door gebrek aan samenwerking en wederzijdsch begrijpen elk goed initiatief nu eenmaal schipbreuk lijden moest. Ons belang vordert thans voor alles absolute eendracht van alle vakgenooten, opdat binnen afzienbaren tijd van onze Nederlandsche bijenhouderij met recht getuigd moge worden, dat zij voor die van geen der nabuurlanden in wat voor opzicht ook behoeft onder te doen.

Ymkers van Nederland, dat is een zaak, welke U allen, ongeacht de organisatie, waartoe Gij momenteel behoort, onbetwistbaar raakt. Slaat daarom de handen ineen en denkt aan de diepe waarheid van het oud-vaderlandsch gezegde:
Daer is geen stercker stand
Als eendracht in het land.

Gorinchem, 18 Juli '40.
van Rappard.
Voorzitter van de Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland.