Spermiozeugmen en Darrenbroedigheid.
Eigenlijk zou de titel moeten luiden:
Kunnen Spermiozeugmen onder bepaalde omstandigheden oorzaak zijn van Darrenbroedigheid bij de Honingbij-koningin (Apis mellifica L.)?
Tot één der alleronaangenaamste ervaringen welke m.i. een imker kunnen overkomen, behoort wel de ontdekking, dat een beste moer die tot op zeker oogenblik zoo'n prima legster was, bij het door vertrouwen soms pas weken later nog eens nakijken van haar volk, darrenbroedig blijkt te zijn geworden.
Er zijn allerlei oorzaken voor darrenbroedigheid de meesten hiervan, vooralsnog tenminste, ongeneeslijk en daarom maakt de praktijk korte metten: doodknijpen zoo'n ondeugdelijke moer! Nu is het niet mijn bedoeling over darrenbroedigheid in het algemeen te schrijven in dit artikel, maar over een tweetal gevallen bij imkers (de Heeren G. te Baarn en D. te Zeist) in 1939, die bovengenoemde treurige ontdekking deden en... niet het moertje doodknepen, maar met alle zorg de diertjes netjes verpakten, met voer en bijtjes voorzagen, en hen zoo levend aan mij deden toekomen, nog vergezeld van een uitvoerig schrijven.
Of de beestjes er nu beter aan toe waren? Helaas neen! Want toen er uitwendig niets afwijkends of bijzonders te ontdekken viel en er dus ook niets te verhelpen was, zooals bij enkele gevallen door een kleine operatie wel mogelijk is, toen moest er van binnen gezocht worden en dan zijn wij nog slechts in staat onherstelbaar kapot te maken.

Spermiozeugme van Apis mellifica L.450 X orig.
Systematisch zooals het behoort zijn zij toen uit elkaar geplukt en bijna ging het zooals het nog zoo vaak gaat, dat wij aan het einde van een onderzoek gekomen zijnde mistroostig hoofdschudden moeten erkennen: niets bijzonders of afwijkende gevonden, toen ik toch een ontdekking deed en de Spermiozeugmen vond. De eerste keer bij de koningin van den Heer G. dreef deze los tusschen de Spermamassa en eenige weken laten bij het geval van den Heer D. scheen het of het ééne uiteinde vast zat in de zaadblaasjes-uitmonding, daar er geen beweging in te krijgen was toen dit door druk en zuiging geprobeerd werd. Tot zoover dan de direkte waarnemingen; over de theoretische gedachten en gevolgtrekkingen aanstonds nader.
Het zal namelijk niet allen lezers bekend zijn, wat onder Spermiozeugmen verstaan wordt: tevens is het misschien nuttig, zooals in deze aflevering dan ook geschiedt, het normale ontstaan der mannelijke geslachtsprodukten en zoo mogelijk later ook de andere hoofdstukken der voortplanting en ontwikkeling van de honingbij eens wat uit voeriger te beschrijven.
In de praktijk, vooral met koninginnenteelt-cursussen, ontmoet ik namelijk heel dikwijls de wensch wat nauwkeuriger kennis te kunnen nemen van de wondervolle geslachtsvorming (geslachtsbepaling) bij onze honingbij. Als dan achter. eenvolgens de organen en hun functies en daarna de ontwikkeling uitvoerig beschreven zijn in ons Maandschrift, dan is het met een dergelijke degelijke grondslag misschien ook mogelijk, geachte Redakteur, de erfelijkheid eens te bespreken. Alles algemeen vergelijkend en speciaal met betrekking tot onze honingbij niet geschroomd hier uitvoerig en grondig op de zaken in te gaan.
Men spreekt dan van Spermiozeugmen of Speriodesmen wanneer zaaddiertjes (Spermatozoën) op één of andere wijze met de koppen tezamen verbonden zijn; hetzij zij ook na het vrijkomen uit de Cyste verbonden blijven dan wel dat zij door verkleving of anderszins later tot kleiner of grooter (twee of tot zeer veel) groepen verbonden worden.
Ofschoon deze Spermiozeugmen in de insektenwereld geen onbekende verschijnselen zijn : b.v.bij de Waterroofkevers (Dyticiden) komen regel matig tweestaartigen voor, bij enkele andere kevers (Coleopteren), Libellen (Odonaten) en Sprinkhanen (Locustiden) vindt men lange vedervormigen, terwijl bij Schildluizen (Cocciden) en vele Vliesvleugeligen (Hymenopteren) groote bundelvormigen gevonden worden, is toch over het ontstaan en het doel der Spermiozeugmen zoo goed als niets bekend.¹)
Het vinden van twee Spermiozeugmen, waar van hierbij een niet best geslaagde microscopische opname bij 450 X vergrooting die van de moer van den Heer G. weergeeft, behoefde daarom niet zoo'n groote verrassing te zijn, ware het niet, dat ten eerste hierover in de bijenteeltliteratuur door mij niets gevonden werd en ten tweede niet zooals bij andere Hymenopteren de bundelvorm maar de vedervorm aangetroffen werd. Mogelijk hebben andere onderzoekers die meer materiaal in handen krijgen en langer in het vak zitten dan ik hierover meer ervaringen? Bij het Sperma onderzoek van een paar honderd geslachtsrijpe darren van de meest uiteenloopende afstamming gelukte het mij niet ook maar iets van Spermiozeugmen te ontdekken. Darren van de betreffende moeren zijn door omstandigheden niet onderzocht geworden. Voorbarig zou het nu echter zijn direkt aan te nemen, dat in deze gevallen de Spermiozeugmen toevallig in de zaadblaasjes van de beide moeren waren gevormd. Er zijn toch insekten waarbij evenals bij de honingbij een spermatophore gevormd wordt, welke echter geheel bestaat uit Spermiozeugmen. De overbrenging van Spermiozeugmen van het mannelijke dier in de organen van het vrouwelijke dier moet dus mogelijk zijn.
Tot welke gevolgtrekkingen of hypothesen geven de beschreven waarnemingen en feiten nu aanleiding en welke zijn de vraagstukken die op te lossen zijn?
1. Het vormen van Spermiozeugmen lijkt in het algemeen geen gewoonte bij de honingbij (Apis mellifica L.). Of de rassen zich verschillend verhouden is mij onbekend.
2. Moet het vormen van Spermiozeugmen bij de honingbij als een toevalligheid, een ziekte, een verwordings- eventueel atavistisch verschijnsel opgevat worden? Welke factoren werken hier dan toe mede? Wat zijn de wegen het te voorkomen?
3. Dan ware het gewenscht te weten, of dit verschijnsel zich bij een bepaald ras of wel bij een bepaalde stam regelmatig voordeed; of het erfelijk was en of er zich bij dit ras of deze stam darrenbroedigheid regelmatiger en vaker voordoet dan bij anderen.
4. Het beschreven geval waarbij het scheen of het spermiozeugmen bij de zaadblaasmonding vast zat geeft namelijk tot het volgende aanleiding.
Het laat zich denken, dat hij het mechanisme der spermapomp zooals dat bij de honingbijkoningin voorkomt (wat hopelijk bij gelegenheid nog wel eens duidelijk beschreven en afgebeeld zal worden), bij de zuigwerking spermiozeugmen in de opening kunnen vast blijven zitten en deze voorgoed verstoppen, met gevolg darrenbroedigheid. Het geval tijdelijke darrenbroedigheid zou hier ook voorstelbaar zijn, als het spermiozeugmen heel of in stukken toch eens weggezogen zou worden.
Bij andere insekten zonder een dergelijke zaadpomp behoeven Spermiozeugmen geen nadeelige gevolgen te hebben. Over de bevruchtingsmogelijkheid van deze meerkoppige spermiozeugmen is mij niets bekend.
5. Verdere vragen zijn nog deze. Is de oorzaak of samenbindende stof van manlijke of vrouwlijke oorsprong? Waar Spermiozeugmen als een natuurlijk verschijnsel regelmatig voorkomen lijdt het geen twijfel of het geheel is van manlijke afkomst, zij het dan ook nog onbekend of het bind-middel een vervalprodukt is der tusschenmassa's somatische cellen?) of een uit één of meer klieren gevormde stof is en of deze Spermiozeugmen nuttig dan wel ongeschikt zijn voor het doel bevruchting.
In verband met het niet regelmatig voorkomen van Spermiozeugmen bij de honingbij-dar zou men dan de ongewenschte eigenschap bij het manlijke dier moeten zoeken en zullen ook de darren van de zusters van de betreffende moer eveneens onderzocht moeten worden om over de erfelijke aanleg iets te weten te komen. In geval de Spermiozeugmen zich in het zaadblaasje van de moer door haar invloed zouden kunnen vormen en werkelijk de onder 4 genoemde mogelijkheid oorzaak der darrenbroedigheid is, dan moet op de afstammelingen van deze moer eens extra gelet worden, vanzelfsprekend ook op de darren.

Apis Spermatozoë ter vergelijking,
de Spermiozeugmen vrij naar
Gilsonin Korschelt u. Heider.
Hoewel dergelijke proefnemingen eigenlijk door een modern ingericht Instituut voor Bijenteelt moesten kunnen worden verricht, daar zij veel geld en veel tijd eischen, hoop ik toch dat bij het nog ontbreken van zoo'n nuttige inrichting in Nederland het materiaal niet langer verloren gaat en alle afwijkende moeren voorloopig aan bevoegde personen althans ter onderzoek en vastlegging van de feiten zullen worden opgezonden. In Zwitserland bracht een dergelijke oproep in één jaar 129 moeren; wat doen de Nederlandsche Imkers? En wie willen zich belasten met het speciale hoofdstuk der koninginnenafwijkingen?
F.W. BEEKHUIS VAN TILL, LAREN (N.-H.)
1) Lit. o.a. bij:
Weber, H. Lehrb. d. Ent. 1933; Auerbach; Ballowitz, E. Die Doppelspermatozoen der Dyticiden, Ztschr. f. wiss. Zool. Bd. 60, 1895; idem. Die Spermiozeugmen de Schwimmkäfergattung Hyphydrus. Ztschr. f. Zellf. u. mikr. Anat. Bd. 1, 1924; idem. Ueber die Samenkörper der Libellen L. Die Spermien und Spermiozeugmen der Aeschniden. Arch. f. mikr. Anat. Bd. 90 Abt. 11, 1918. Gilson in Korschelt und Helder.