Insecten en Nosema.
Het artikel van den Heer Beekhuis van Till "Apidae en Nosema" in het Mei-nummer van het Maandschrift had mijn volle belangstelling. Onderzoek, verricht door amateurs, kan zeer mooie resultaten afwerpen; denk maar eens aan den Engelsman Frow, die door veel proefnemingen een geneesmiddel ontdekte tegen de gevreesde mijtziekte. (Welke imker vindt eens een middel uit tegen Nosema?)
Het verwondert mij echter, dat de schrijver de namen Fantham and Porter aanhaalt en daarbij niet vermeldt de resultaten van het fraaie onderzoek, dat deze twee amateurs verrichten over de vatbaarheid van verschillende insecten voor Nosema apis Zander.
Zeer in het kort wil ik hier hun methoden en resultaten vermelden:
Zij voerden de insecten, welke wij wilden infecteeren, met suikerwater of een honingoplossing waarin sporen van Nosema voorkwamen. Ook voerden zij rupsen, bijvoorbeeld van het koolwitje, met koolbladeren, waarop roervlekken van Nosema-zieke bijen voorkwamen. Steeds werd naast de infectieproef een controle aangehouden. Deze dieren kregen onder dezelfde omstandigheden Nosema-vrij voedsel en werden ook onderzocht om te zien of niet een andere infectie als de gewilde aanwezig was. Ook werd een enkele, maal geprobeerd bij een geslaagde infectie de ontstane sporen terug te voeren aan de bijen. Het bleek toen, dat ook deze sporen zich bij de bijen tot verdere stadia ontwikkelden.
Voor de proeven werden gebruikt enkele geslachten van de vliesvleugeligen: hommels, metselbijtjes en wespen. Het bleek, dat de sporen zich tot verdere stadia konden ontwikkelen en dat de proefdieren sneller stierven dan de controle-dieren.
Zooals boven al vermeld is, werden ook rupsen van het koolwitje gevoerd met bladeren, waarop Nosema roervlekken voorkwamen. Infectie lukte ook hier, ook bij besproeiing van de planten met een oplossing waarin Nosemasporen voorkwamen De rupsen kwamen meest niet tot verpopping. Ongeveer hetzelfde resultaat werd bereikt bij een paar andere vlinders: de St. Jacobsvlinder en de harlekijn, die vaak op bessen voorkomt.
Tenslotte werden deze proeven nog genomen met enkele geslachten van de tweevleugeligen of vliegen. De bromvlieg bleek ook vatbaar te zijn, evenals de muggen en zelfs de schapenluis.
We kunnen uit deze resultaten leeren, dat, willen we optreden of uitbreiding van Nosema in onze bijenvolken voorkomen, we zeer zindelijk moeten zijn op onze bijenstallen: Laat geen doode bijen op de stal liggen. Dit lokt wespen, die zelf ziek kunnen worden en de ziektekiemen makkelijk kunnen verspreiden. Laat ook geen stukken raat, waarin nog broed zit, (uitgesneden darrenraat) op de stal slingeren. Dit lokt vliegen, die we om dezelfde reden zooveel mogelijk moeten weren.
Ir. J. MOMMERS.