UIT DE JAAGKIEPS.
In de vorige jaagkieps hebben we het gehad over de "hygroscopiciteit" (het vermogen om vocht vast te houden). Het medegedeelde was ontleend aan het American Beejournal 1937/6, waarin een zekere heer R. E. Lothrop, verbonden aan het Departement van Landbouw in de Vereenigde Stalen, een groot artikel schreef over deze eigenschap van den honing en de practische toepassing van deze en andere eigenschappen van honing, teneinde het verbruik van honing te bevorderen. Een kort uittreksel volgt hier:
Sommige honingsoorten zijn niet geschikt voor tafelhoning en voor deze soorten moet een geschikt afzetgebied gevonden worden, anders zullen zij den prijs van de andere soorten drukken. Om dit te bereiken is het noodzakelijk de eigenschappen van den honing goed te kennen. Honing kan goed vocht vast houden. Met het bewaren van honing moet hiermede rekening worden gehouden, daar het opgenomen vocht aanleiding tot gisting geeft. Maar deze eigenschap van honing is nog niet genoeg bestudeerd om er een nuttig gebruik van te kunnen maken. Men heeft vastgesteld, dat honing deze eigenschap in grooter mate heeft dan invertsuiker of levulose. Verschillende honingsoorten werden op deze eigenschap onderzocht, daar zij van pas komt bij het bakken van brood en andere levensmiddelen, want het uitdrogen hiervan wordt tegen gegaan en deze artikelen blijven dus langer versch. Dit is vooral van belang bij cake en is dus voor den bakker van veel belang.
Proeven werden genomen met een serie brooden en koek, waarin verschillende soorten honing en suiker werden verwerkt. De koek, waarin de verschillende honingsoorten waren verwerkt, vertoonde een betere vochthoudende eigenschap dan die met andere suikerstropen, met uitzondering van levulose-stroop. Boekweithoning vertoonde het minste vochtverlies. De resultaten met koek waren beter dan met brood, daar in koek meer honing enz. wordt verwerkt.
Deze proeven hebben het practisch nut van den honing voor dit doel aangetoond, zoodat niet alleen de geur en de smaak van waarde zijn. De hoeveelheid suiker in gewoon brooddeeg varieert gewoonlijk van 3 tot 6 % van het gewicht van het gebruikte meel. De functie van suiker bij het broodbakken wordt gewoonlijk beschouwd als 1. hulpmiddel voor de gist, 2. zoetmiddel, en 3. kleurmiddel voor de korst.
De proeven hebben bewezen, dat honing het zelfde resultaat heeft en bovendien het uitdrogen tegengaat. Dit is van groot belang voor de toepassing van honing.
Een andere eigenschap van honing wordt behandeld in de Leipziger Bienenzeitung 1938/2, en wel het versuikeren. In het Duitsche rijk ondervindt men ook moeilijkheden met den verkoop van versuikerden honing. Prof. Schiller uit Weenen heeft verschillende proeven om deze eigenschap tegen te gaan, genomen en de resultaten in de Bienenvater medegedeeld. Hij heeft een behandeling gevonden, waarbij de versuikering vertraagd en zelfs geheel voorkomen kan worden. Hij ging van het idee uit, dat er in honing stoffen zitten die de versuikering tot stand brengen, maar ook stoffen, die deze tegen gaan. Zaak was het nu een stof te vinden, die de honing met zijn talrijke, waardevolle natuurlijke eigenschappen niet aantast en tegelijkertijd volgens de strenge bepalingen van de wet op de levensmiddelen toelaatbaar is.
Prof. Schiller meent deze stof in Agar-Agar gevonden te hebben. Agar-Agar wordt uit zeewier, dat aan de kusten van Voor- en Achter-Indië voorkomt, gewonnen. Na bereiding wordt het als versterkend voedsel en als medicijn in den handel gebracht en wel in poeder en vezelvorm, bestaat uit zetmeel en suikersoorten en is reuk- en smaakloos.
Het resultaat van de onderzoekingen van Prof. Schiller was: "Bij bloemenhoning kan de uiterst kleine toevoeging van 0.02 gram Agar in 5 gram water opgelost, voor elke kilogram honing de versuikering reeds 2 maanden uitstellen en grootere hoeveelheden de versuikering geheel verhinderen".
De vraag is echter of de toevoeging van 5 gram water per k.g. wettelijk toegestaan is, daar de bepalingen op nagemaakte en vervalschte honing luiden (dit betreft dus de Duitsche bepalingen) :"Als nagemaakte en vervalschte honing en daarom van de handel uitgesloten, wordt geacht die honing te zijn, waaraan direct of indirect water is toegevoegd". In imkerskringen is men echter niet ingenomen met dergelijke handelwijzen, daar de natuurlijke eigenschap van honing is: Versuikeren. Prof. Schiller eindigt zijn opstel met: "Tot slot van deze mededeeling wil ik de opmerking niet achterwege laten, dat elke imker slechts dan, wanneer dit dringend noodzakelijk is, in verband met zijn omzet het versuikeren tegen moet gaan".
In het American Beejournal stelt een lezer de volgende vraag: Kent U iets, dat in den honing gedaan kan worden om de versuikering tegen te gaan? Het antwoord luidde: Er mag niets in honing gedaan worden, zonder dat dit op het etiket wordt aangegeven. ½% of 1% eetbare gelatine toegevoegd aan heete honing zal het kristalliseeren onbepaald tegengaan, maar men moet dit op het etiket vermelden. (A.B.J. 1937/4).
Ook het Nederlandsche Honingbesluit verzet zich tegen het toevoegen van dergelijke stoffen, deze mogen er hoegenaamd niet in voorkomen want artikel 7 luidt "... alsmede andere vreemde bestanddeelen moeten afwezig zijn ... ".
Gaarne zou ik hier een vraag stellen: bij vloeibaar maken van versuikerden honing, om deze in potten te doen, heb ik deze op de volgende manier behandeld (waartoe ik verplicht was door de nood der tijden): De versuikerde honing plaatste ik in een pan in een grootere, waarin warm water van ongeveer 65 ° C. en plaatste dit gevalletje in de hooikist en na eenige uren was de honing geheel vloeibaar. Mijn vraag is: Kan deze handelwijze invloed hebben op de samenstelling van den honing? De werkwijze zelf voldoet uitstekend en vraagt vooral in dezen tijd weinig warmte-energie.
-0-
Voor het maken van rook bij het behandelen der bijen kan men in de Dathepijp en diverse rookmachines van allerlei brandbare stoffen nemen. In het vroegere Oostenrijk zag ik de imkers vermolmd hout gebruiken, terwijl in den bijentuin van het Instituut te Erlangen (Duitschland) turf verbrand werd, hetgeen je aan het achteronder van een turfschipper deed denken. De tabak wordt als men veel volken te behandelen heeft, te duur en brandt ook tamelijk gauw op. Ik gebruik thans afval van celotex in mijn pijp, dit voldoet tamelijk goed, het geeft goed rook en stinkt niet, alleen bij het verbranden komt veel vocht te voorschijn. Hiermede moet men rekening houden bij het gebruik van deze witte tabak. Duur is ze niet, daar de aannemers van bouwwerken het weggooien. In een Fransch tijdschrift kwam voor eenige jaren een artikel voor over dit onderwerp. De schrijver zei, de rook moest zacht en dik, en mocht niet te heet zijn. Hij prefereerde een recept dat ongeveer als volgt luidde: neem versche koeienmest, voeg hieraan wat propolis toe en laat deze brei tusschen eenige kranten drogen, na er een koek van een paar centimeter van gemaakt te hebben, ln de grijze oudheid gebruikte men ook al koemest voor dit doel. In Egypte schreef men de goede uitwerking toe aan de verwantschap tusschen de heilige stier (Apis) en de bijen, terwijl men later meende, dat dit overblijfsel der bloemen den bijen niet onwelgevallig zou zijn.
-0-
We gaan weer gauw met onze bijen naar de heide en ieder imker droomt al van volle raten met heide-honing. Er zijn verschillende middelen om dit te bereiken, wat denkt U van het volgende: In het British Beejournal 1939/1 verhaalt een dame van het reizen naar de heide in 1905. Nadat de kasten goed geplaatst waren sprak de imker de volgende woorden: "Dit zal Uw huis zijn", het geen gevolgd werd door een ernstig fluisteren van een tooverformule. Wat hij zeide kon zij nooit te weten komen, want, verklaarde de imker, dit was een geheim tusschen hem en zijn klein bruine volkje en indien dit bekend zou worden, zou de macht van het tooverwoord verbroken zijn. Men geloofde ook in die streek van Engeland, dat de bijen een lichtgeraakt, geheimzinnig volkje is, en dat degeen die bijen wenscht te houden beschaafd en terdege wel onderlegd moet zijn.
Jékavé.