Honing als voedings- en geneesmiddel.


Voor eenige jaren schreef Dr. med. W. Schweisheimer het volgende over dit onderwerp in de: "Praktischer Wegweiser für Bienenzüchter".
Honing is een der weinige voedingsmiddelen die zonder meer genuttigd kunnen worden, zooals de natuur ze ons levert. Honing is volgens een door den Volksgezondheidsdienst gegeven definitie de "zoete stof, welke de bijen produceeren door nectarsappen of ook andere op levende plantendeelen zich voordoende sappen op te nemen, in hun lichaam te veranderen, daarna in de raten op te schuren en aldaar te laten rijpen". Uit deze definitie volgt reeds, dat er een groot aantal honingsoorten moeten zijn, al naar gelang van de ten grondslag liggende plantensoorten. De fijne, vluchtige geurstoffen, die de planten van elkander doen onderscheiden, gaan in de onderscheidene honingsoorten over en geven aanleiding tot verschillende smaken en geuren.

Onafhankelijk daarvan is de voedingswaarde van de honingsoorten in hoofdzaak steeds dezelfde. Honing bevat gemiddeld 19% water, 1% eiwitstoffen, 74% invertsuiker, 3% rietsuiker, 2½ % dextrine,¼ % zuren, ½% minerale stoffen. Het hoofdbestanddeel is dus suiker, koolhydraat. De koolhydraten bevinden zich in den honing in een vorm, die door het lichaam bijzonder gemakkelijk opgenomen kan worden. Er zijn niet vooraf groote chemische omzettingen voor noodig. Ze komen in de maag en de darm, worden door de slijmigheid der verteringsorganen opgezogen, komen in het bloed, dat ze met de poortader naar den lever voert en worden daar opgestapeld, voor zoover ze niet onmiddellijk voor de spieren noodig zijn en daartoe uit het rondstroomende bloed onttrokken worden.

In calorieënwaarde zijn kleine verschillen aanwezig. Lindenhoning bevat in 100 gr. omstreeks 300 calorieën, heidehoning 297, klaverhoning 308, andere honingsoorten 328 calorieën. Maar deze kleine verschillen komen bij het gebruik niet in aanmerking. Vaak waardeert men de voedingswaarde van dergelijke koolhydraatstoffen niet ten volle juist. En toch is in werkelijkheid de voedingswaarde van honing, gemeten naar de calorieën, dezelfde als bijv. die van paling.
Vet is in honing niet aanwezig; het eiwitgehalte is zeer onbeduidend. Van meer waarde is daarentegen het percentage van de minerale bestanddeelen, hoe gering dit dan ook moge zijn. Phosphorzuur, ijzer, mangaan, kalk en andere zouten bevinden zich in honing, evenals vitaminen. Het vitaminegehalte regelt zich naar de soort van de ter beschikking staande bloemen. De resten, die van dit voedingsmiddel na zijn verbranding in het lichaam achterblijven, zijn zeer onbelangrijk. In dit opzicht bezorgt honing het lichaam. in het geheel geen last.

In de nieuwere tijden, sedert suiker in alle landen ter beschikking staat, speelt honing niet meer de groote rol van vroeger eeuwen. Vele menschen leeren hem in heel hun leven zelfs niet eens kennen, terwijl hij voor hen wellicht juist best te verkrijgen zou zijn. Honing is het oudste zoetingsmiddel, waarover de mensch kan beschikken. Dat weten we uit het oude Egypte, maar nog veel verder terug uit muurschilderingen, die uit het oudere steentijdperk afkomstig zijn. Bijenzwermen en bijenkorven zijn duidelijk daarop te herkennen.

De waarde als genotmiddel van honing wordt evenals bij de vruchtensoorten door de fijne vruchtenzuren bepaald. Hier komt het aan op appelzuur en andere organische zuren. Chemisch zijn ze niet gemakkelijk te onderkennen. Hun hoeveelheid is zeer gering; toch zijn ze voldoende aanwezig, om prikkelend op de menschelijke verteringsorganen te werken. De prikkeling van het welbehagen; van den eetlust is immers geen onverschillige zaak. Een voedingsmiddel, dat ons smakelijk, eetlustopwekkend toeschijnt, heeft inderdaad tevens een sterkere afscheiding van de verteringssappen ten gevolge. Het water loopt niet alleen in onzen mond tezamen, d.w.z. de speekselklieren werken krachtiger, maar ook de afscheiding van het maagzuur wordt verhoogd. Daardoor stijgt ook de verteerbaarheid der voedingsmiddelen. Het is een feit dat een spijs voor den mensch, die er trek in heeft, van grootere voedingswaarde is dan die, waar hij onverschillig voor is of waar hij een afkeer van heeft. Zeer nuttig is dan ook de prikkelende werking van honing op de darmen. Ze is wel niet groot, maar juist een kleine prikkeling is het, welke de darm van vele menschen noodig heeft, om ongestoord te werken. Op die wijze laten zich op onschadelijke wijze giftig werkende voedingsresten uit den darm verwijderen; frischheid en gezondheid zijn er de resultaten van.

De volksgeneeskunde maakt in verschillende richtingen van honing gebruik. Honingwater dient als slaapmiddel. De zachte afdrijvende werking van honing wordt bij trage darmwerking door toevoeging van een aftreksel van sennebladeren versterkt. Voor kinderen komen mengsels in toepassing, waarbij het geneesmiddel in poedervorm in den honing wordt omgeroerd tot een pap of brei. Van de onmiddellijke voedende werking van honing op de hartspier verwacht men bij hartsziekten veel heil. De geringe belasting van de maag wordt daarbij mede in aanmerking genomen. In het bijzonder worden honinggaven gedurende den nacht in kleine hoeveelheden bij hartsziekten aanbevolen, hetzij theelepelsgewijze dan wel gesmeerd op het brood of in honinglimonade met vruchtensappen, of als melk met honing. Bij nierziekten wordt honingwater als drank aanbevolen, aangezien dit in een voor de nieren niet prikkelenden vorm tegelijkertijd voedingsstoffen in het lichaam brengt.

Het meest wordt van honing gebruik gemaakt bij aandoeningen van de bovenste luchtwegen en ademhalingsorganen. Zoo staat hij in aanzien als hoestverzachtend en slijmoplossend. Men geeft hem bij katarrhen in een 10% oplossing met warm water of warme melk, ook met Emzerwater; voorts onder bijvoeging van andere stoffen, die in denzelfden zin werken, dus fenkel, salie, tijm, weegbree, vioolbladeren. Bij kinkhoest en andere prikkelhoesten wordt een rammenas uitgehold, waarin honing gedaan wordt, die dan eenige dagen lang moet trekken en daarna bij theelepeltjes tegelijk wordt toegediend. Zwarte ramenassen krijgen daarbij de voorkeur, daar hierin de werkzame bestanddeelen scherper en daarom ook werkzamer zijn. Ook bij lichte ontstekingen in mond en keel en slokdarm zoowel als luchtpijp (bij het inademen van bijtende dampen) wordt melk met honing ter verzachting toegediend.

Tegen tuberculose en andere longziekten wordt groenachtige dennenhoning als werkzaam beschouwd. Dit hangt, afgezien van de algemeene versterkende werking, wellicht ook samen met de oplossende terpentijnstof. In denzelfden geest wordt een mengsel van honing en een afkooksel van jonge groene dennentakjes aangewend.

Bij mestkuren kan van honing als toevoegsel aan de overige voeding gebruik gemaakt worden. Een oude ondervinding leert, dat honing eten en bier drinken bij vele menschen niet samen gaan. Men heeft zich dan ook moeite gegeven, overmatig bier drinken door het gebruik van honing af te wennen. Uitwendig maakt men in de volksgeneeskunde ook gebruik van honing bij wondbehandeling, bij brandwonden en zweeren. Honingpleisters worden bij zweeren, tandabscessen, kliergezwellen gebezigd. Het geringe vruchtenzuurgehalte van honing werkt zacht désinfecteerend. In vele waschwaters ter verfaaiing van de huid vindt men honing bijgevoegd. Ook in den vorm van zeepen en crêmes, die op de huid uitgewreven worden, komt honing tot gebruik, bijvoorbeeld in een mengsel met amandelmelk.

Bij overmatige zuurvorming in de maag, het zuur, bij zure gistingswerkingen in den darm gepaard aan buikloop is honing evenmin als suiker geschikt om gebruikt te worden. Anderen gebruiken daarentegen weer honing ter bestrijding van een onaangenaam gevoel in de maag en bij neiging tot hikken. Dat de tanden door honing meer in het bijzonder worden aangestoken komt op zijn hoogst dàn voor, wanneer de mond niet goed verzorgd wordt.

De geneesmiddelenleer bereidt uit den natuurlijken ruwen honing den zoogenaamden "gereinigden honing". Daarbij wordt de ruwe honing in verdunden toestand met witte leem in een waterbad verwarmd, vervolgens heet gefiltreerd en tenslotte weder tot een bepaalde concentratie ingedikt. Rozenhoning wordt door bijvoeging van rozenbladerenextract verkregen. Zure honing door toevoeging van 1% geconcentreerd azijnzuur. Bij boraxhoning worden 5 deelen borax op 95 deelen rozenhoning opgelost; deze honing dient voor de bereiding van mondwaters en pasta's. Voor pharmaceutische doeleinden worden nog andere stoffen met honing vermengd, bijvoorbeeld herfsttijloos, zeeajuin, salicylzuur enz. Een mengsel van honing met levertraan wordt wel eens aan kinderen toegediend.