Hoe de Bijenteelt in ons land worden moet en worden kán.


II.

In ons September artikel hebben wij uiteengezet hoe wij - in groote trekken - meenen, dat de bijenteelt in ons land moet worden en kán worden. Vooropgesteld werd, dat alle imkers zich dienen te vereenigen in één nationale organisatie, want gebeurt dit niet, dan blijft er versnippering en kan één enkele organisatie, ook al is zij nog zoo klein, roet in het eten strooien wat hier zeggen wil, elke gezonde opzet onmogelijk maken.
Wil men een gezonde opzet hebben, wil men de bijenteelt vooruit brengen, dan is het noodzakelijk, dat meer collectief gearbeid wordt, dat men meer samenwerkt.

Nu is de bijenteelt een zeer bijzonder vak. Een groot deel van onze imkers houdt bijen uit liefhebberij, een ander deel om eventueele bijverdiensten én een zeer klein percentage als hoofdbedrijf. Zij allen echter werken direct en indirect mede aan de voedselvoorziening. De eerstgenoemde groep oogst honing voor eigen gebruik en werkt indirect er toe mede, dat de fruitboomen in haar omgeving (al of niet in het groot aangeplant) een betere oogst geven. De tweede groep kunnen we gelijkstellen met de eerste, doch zij zal ook nog wat honing in den handel brengen. De derde groep tracht zich een bestaan te verzekeren waarbij de bijen een hoofdrol spelen. De tweede en de derde en soms ook wel een aantal imkers van de eerste groep, trekken vaak naar de drachtstreken. Dat zijn de fruitcentra, koolzaadvelden, witte klaverstreken, korenvelden (om het korenblauw) en naar de heide. Wij kunnen dus zeggen, dat alle imkers nut afwerpen en dat er slechts een graadverschil is wat de belangrijkheid van hun nut betreft.

Doordat zij allen materiaal noodig hebben, verschaffen zij tevens industriewerk (kasten, onderdeelen, gereedschappen, glas- en blikwerk, enz.).

Nu is het individueele bedrijf in ons land domineerend en wij gelooven, dat, indien men de zaak wat anders opvat (zie mijne artikelen in 1938), men meer profijt van zijn bijenvolken zou hebben, een grootere honingoogst kan worden verkregen en het product zelf een betere bewerking kan ondergaan. Door samenwerking verkrijgen Loppersum en Boxtel al een beter korfproduct; niet alleen beter in kwaliteit, doch ook een beter betaald product. Het is ondoenlijk voor iedere korfimker om zich de modernste materialen aan te schaffen om het partijtje honing, dat hij oogst, op de allerbeste wijze te bewerken. En ook al zou hij dit doen en kunnen doen, dan krijgt men toch zeer afwijkende producten, elk weliswaar voor 100 % safe, doch de handel zit dan met uiteenloopende soorten en kan zijn klanten moeilijker bedienen, dan indien hij de beschikking heeft over een uniform product. Zulke uniforme producten kunnen slechts verkregen worden, indien er inrichtingen zijn, welke het product uniform bewerken.

Nu is het ons zeer goed bekend, dat er weinig lust bestond bij de imkers om veel kosten aan hun bedrijf te besteden, omdat niet alleen de honingprijzen beneden alle kritiek waren, doch bij die slechte prijzen zelfs moeilijk koopers waren te vinden. In geen geval spruit dit voort uit een minderwaardigheid van onzen honing, integendeel, onze Nederlandsche honing is niet alleen een smakelijk-, doch zuiver gewonnen, óók een zeer fraai product. De eenige schaduwzijde hebben we al genoemd en dat is de weinige uniformiteit waardoor de consumenten eenmaal aan een bepaald product gewend zijnde, de kans beloopen later een iets afwijkende kleur en/of smaak te bespeuren.

Uniform product bij loonende prijzen.

Onze eerste zorg zal het dus moeten zijn aan te sturen op de bereiding van een zooveel mogelijk uniform product en daaraan zit vast enkele goed geoutilleerde honingzeemerijen, waarin ook honing gemeleerd kan worden. Dat een loonende prijs al bij voorbaat vast moet staan is wel vanzelfsprekend, want de beste organisatie, de modernste werktuigen, de knapste werkers zullen alleen dán voordeel kunnen afwerpen, indien het met veel zorg bereide product loonend van de hand kan worden gezet. Kan dat niet, dan is het volkomen nutteloos aan dit onderdeel meer dan gewone aandacht te schenken.
Tot voor kort was, zooals reeds gezegd, het loonend bedrijven van de bijenteelt zoo niet onmogelijk, dan toch in vele gevallen buitengewoon moeilijk. De invoer van goedkoopen buitenlandschen honing met een bijzonder laag invoerrecht was daarvan de oorzaak, maar ook het gemis aan elke verplichting welke tegenover die royale import stond. De imkers zouden reeds geholpen zijn geweest, indien de importeurs verplicht zouden zijn geworden om een bepaald % van hun benoodigde honing (b.v. 2 %) te doen bestaan uit Nederlandschen honing, vanzelfsprekend tegen een loonenden prijs (zie mijne artikelen in 1938).
Maar dat is thans geschiedenis. Hoewel naar wij meenen te weten, er nog flinke partijen buitenlandsche honingvoorraden waren, toen ons land in den oorlog werd betrokken, zullen deze voorraden eenmaal uitgeput raken en van overzeesche invoer is geen sprake meer. Dat beteekent, dat er groote behoefte zal ontstaan aan honing in eigen land gewonnen en dat we dus met honingverkoopmoeilijkheden niet meer te maken hebben zoolang deze toestand duurt.
Maar dat wil nog geenszins zeggen, dat die honing nu ook prijswaardig verkocht zal kunnen worden. We zullen wel kunnen verwachten, dat de honingprijs zal stijgen. Een bepaalde honingprijs bestond niet. In de winkelzaken werd honing verkocht van 45 cent (en nog minder) tot f 1en zelfs f 1.25 per flacon toe. De imker verkocht hem tegen afbraakprijzen. Het zal stellig niet de bedoeling van de Hamsterwet zijn, dat de imker nu maar tegen die afbraakprijzen blijft verkoopen. Want wat moet feitelijk als norm gelden, de afbraak- of de reëele prijs? Vergissen wij ons niet, dan wordt in Duitschland een pondsflacon honing verkocht tegen den vastgestelden prijs van Mrk. 1.50, dat is ongeveer f 1.08 of rond f 1.-- per flacon. Dat is inderdaad een behoorlijke prijs en zal de imker in den kleinhandel ook wel ongeveer moeten maken, wil hij zijn bedrijf loonend kunnen voeren.

Meer en betere zorg.

Is de honingafzet geregeld tegen een loonenden prijs, dan zal vanzelf de imker meer en betere zorg aan zijn bijen besteden en kunnen besteden. Niet slechts, dat hij zijn immen beter zal verzorgen, hij zal ook trachten meer kennis op te doen en vooral ook de beste bedrijfswijzen willen kennen om meer productie en betere producten te verkrijgen.
Zooals wij reeds in het Septemberno. schreven, ontbreekt het ons niet aan een behoorlijke voorlichtingsdienst, doch bepaalde instituten (b.v. een proefbijenstand) zullen de beste bedrijfsmethoden kunnen uitkienen. Doch ook zal men niet met zijn bijen bij honk blijven. Immers om zijn productie zoo hoog mogelijk te kunnen opvoeren, zal men andere drachtbronnen moeten opzoeken zoodra in eigen omgeving de bijen tot werkeloosheid zijn gedoemd. Dat gebeurt thans ook wel, doch bij lange na niet genoeg. Er was tot nog toe onvoldoende belangstelling voor, omdat het niet iedereen past, goed geld naar kwaad geld te gooien.

Reizen naar de fruitstreken.

We hebben al meermalen betoogd, dat het reizen naar de fruitstreken loonend moet zijn. Reizen met de bijen is riskeeren, vooral in het vroege voorjaar. Er zijn bijen in de fruitstreken noodig en er blijven er veel buiten. Dat ligt o.a. aan de veel te geringe vergoeding, welke gegeven wordt. Wij hebben als minimum per volk al meer dan eens een bedrag van f 2.- genoemd en dat bedrag komt den imker stellig toe. Weliswaar heeft hij kans, dat zijn volken zonder eenige bijvoedering tot op zwermhoogte komen, doch die kans is lang niet zeker en vaak moet de imker met de voederpot zijn bijen bezoeken.
De te geringe vergoeding welke de imkers voor het plaatsen van hunne volken in de fruitstreken ontvangen is meestal aan hun zelf te wijten; door het onderbieden of onwetendheid op dit gebied doen zij niet alleen zichzelf, doch ook anderen schade. Een behoorlijke ordening zal ook hier dienen te komen en heeft in het begin van dit jaar al een begin van uitvoering gekregen. Zoowel fruitteler als imker hebben bij een behoorlijke regeling - welke voor ieder hunner definitief dient te zijn - een zeer groot belang. Nog steeds lijkt ons de beste methode, dat de bijenteelt- en fruittelersorganisaties zich met elkaar verstaan en elkaar adressen voor plaatsing uitwisselen. De bijenhouder en de fruitkweeker dienen echter tijdig contracten met elkaar af te sluiten. Teleurstelling van beide kanten is dan uitgesloten.

De bijenweide.

Het is een bekend feit, dat onze bijenweide hoe langer hoe meer gaat inkrimpen. Boekweit wordt zoo goed als niet meer verbouwd en de heide - voorzoover dit al niet is geschied - wordt ontgonnen en daarop gewassen geteeld welke voor de bijen niet de minste waarde hebben. Sommigen vinden dit niet zoo erg voor de bijenteelt, omdat, zoo redeneeren zij, de heide toch weinig of niets meer geeft. Dat is in zijn algemeenheid onjuist en tal van pondjes heidehoning worden ieder jaar nog wel gewonnen. We mogen echter hier ook geen defaitisme aan den dag leggen, integendeel, wij moeten zooveel in ons vermogen ligt er voor zorgen, dat het aantal drachtbronnen vervangen en uitgebreid wordt. De allerbeste methode is om er voor te zorgen, dat veel honinggevend houtgewas wordt aangeplant, wilg, acacia, linde (in diverse soorten), vuilboom e.d. Zij toch vormen een constante beplanting in tegenstelling met het zaaigoed, dat ieder jaar wisselt. Bovendien zullen de landbouwers ten gerieve van de imkers geen bepaald soort zaad uitstrooien.
De Rijksvoorlichtingsdienst en de organisatie(s) kunnen er veel toe bijdragen om bij de bedoelde instanties er op aan te dringen, dat met de belangen van de bijenteelt rekening gehouden wordt. Dat gebeurt thans ook wel, doch alles is incidenteel of m.a.w. er wordt niet volgens een vastgesteld plan gewerkt en men hangt te veel af van de goodwill.

Ziektebestrijding, proefstation, enz.

Lang hebben onze Nederlandsche imkers gemeend, dat ziektebestrijding niet noodig was. Immers - zoo dacht men - onze bijen zijn onvatbaar voor de ergste bijenziekten en de enkele gevallen van bijenval, zandlooperij e.d. nam men als een noodzakelijk kwaad op den koop toe. Inderdaad kunnen wij er ons op beroemen, dat van alle verschrikkelijke bijenziekten er in ons land alleen Nosema voorkomt en een buitengewoon zeldzaam geval van broedpest en mijtziekte. Van alle bijenziekten zijn echter slechts deze laatsten te genezen; voor de andere ziekten is nog geen geneeswijze gevonden, noch hier, noch in het buitenland. Men zal die ook niet vinden, als men - zooals de struisvogels - den kop in het zand steekt. Alle verdachte gevallen zullen moeten worden onder zoch en elk imker zal daarbij actief behulpzaam moeten zijn. Een en ander geschiedt ook thans, doch de Rijksbijenteeltconsulent met zijn assistent hebben heel wat meer te doen dan alleen laboratoriumwerk en Dr. Winkel, die op dit gebied zeer actief is, doet het slechts min of meer uit liefhebberij, zij het dan ook met de meest mogelijke accuratesse.
Dringend noodig is dus een instituut, waar men zich geheel kan geven aan de ziektebestrijdingsdienst en men kan hier ook plannen opstellen om de ergste ziekten buiten ons land te houden.

Goed georganiseerd, kan er heel wat bereikt worden ten goede van de vaderlandsche bijenteelt waarbij het vanzelfsprekend is, dat de imkers niet slechts als belangstellende toeschouwers kunnen blijven fungeeren. Men mag niet langer zomer- sterfte b.v. beschouwen als het ruien der fruitboomen welke ieder jaar een deel van hun weinig levensvatbaarheid hebbende vruchten laten vallen. Het ruien van fruitboomen mag zijn nut hebben, bij de bijenteelt moet dit zooveel mogelijk worden voorkomen door opsporing van de oorzaken en genezing van de ziekten.

Opleiding.

Van een feitelijke opleiding van imkers is geen sprake. Door het aanschaffen van een bijenvolk wordt men bij het imkersgilde ingelijfd en er is allicht wel een imker te vinden, die voorloopig althans, zijn gids wil zijn. Verder kan men nog cursussen bezoeken, doch in zeer vele gevallen komt het daartoe niet. Het zou wel gewenscht zijn, indien de bijenteelt ook op de lagere land- en tuinbouwscholen meer intensief werd onderwezen en - indien mogelijk - bij die cursussen ook imkers, niet-scholieren, werden toegelaten.
Afgescheiden daarvan zou het in stand roepen van een bijenteeltschool waar speciaal-cursussen (koninginneteelt, bedrijfsmethoden, aanvangerscursussen, honing- en wasverwerking enz. enz) worden gegeven, zeker de. aandacht waard zijn. Vooral de vacantiemaanden zouden zich voor dat doel bijzonder leenen.
Over de opleiding van leerkrachten in de bijenteelt spreken wij hier niet, omdat hieraan veel zorg besteed wordt; er zal echter meer animo voor zijn, indien de vooruitzichten in de bijenteelt beter worden.
Dit alles kost echter geld - veel geld, doch "de Cost gaat voor de baet uit" zooals een oud-hollandsch spreekwoord zegt en die kosten kunnen worden gevonden indien de imkers van hun snipperpolitiek afzien en wat meer offers willen dragen.
Dan is er geen enkel beletsel meer, dat de op- en uitbouw van onze Nederlandsche bijenteelt in den weg staat.

JOUSTRA.