Bestrijding der Nosema-ziekte in ons land.
Bijna zou ik niet meer over Nosema willen schrijven uit vrees, dat de lezer het onderwerp wat vervelend zal gaan vinden. Ik wil dezen tegenzin echter trotseeren, in de meening, dat mijn opmerkingen en raadgevingen van nut kunnen zijn voor hen, die met de ziekte hebben te kampen, er niet af kunnen komen, d.w.z. afwisselend, het eene jaar meer, het andere jaar minder, verliezen en schade van deze plaag ondervinden. Maar ook zij, die de ziekte niet kennen, mogen het volgende beschouwen als een bijdrage tot hun bijenteeltkundige kennis, want een goed begrip van het bijenleven vormt reeds een belangrijke waarborg tegen het optreden der ziekte, terwijl eenig inzicht in de hygiëne van het bijenvolk en wat er mee samenhangt, onder alle omstandigheden een niet gering onderdeel vormt van een doeltreffende verzorging.
Het is niet mijn bedoeling hier veel te schrijven over het parasitisme als zoodanig, slechts op enkele, algemeene punten wil ik wijzen ter inleiding van hetgeen over de bestrijding zal worden gezegd. De heer Lammerink gaf over het onderwerp in een der nummers van den vorigen jaargang van ons blad reeds een overzicht, terwijl men in mijn rapport betreffende Nosema in Nederland (1939) de verschillende kanten der ziekte uitvoerig vermeld vindt, waarheen ik dus verwijzen wil.
Voor een juist begrip van de bestrijding eener ziekte is het noodig, dat men haar wezen kent, haar wegen van besmetting, haar uitbreidingsmogelijkheden, haar verloop, etc. Zou men een vijand met succes kunnen bestrijden als men zijn wezen, zijn strijdmiddelen, zijn kracht en ook zijn zwakte niet kende? Dan wordt bestrijding kwakzalverswerk.
Tot één der voorwaarden, om Nosema *) met succes te kunnen bestrijden behoort in de eerste plaats, dat men de z.g. bijkomende omstandigheden niet verwaarloost of geringschat. Vaak zijn die van evenveel beteekenis als de hoofdzaak, als het eigenlijke proces-zelf. Die bijomstandigheden zijn ook dikwijls in staat dit proces zoodanig te vertroebelen, dat het niet kan worden begrepen en verkeerd wordt uitgelegd. Zoo moeten wij Nosema niet willen leeren kennen bij een volk, dat, zij het in nog zoo geringe mate, lijdende is aan roer. Neen, zelfs niet alleen bij een volk, dat volkomen gaaf is en sterk door den winter is gekomen. Voor een alzijdige kennis van deze ziekte is noodig haar niet alleen in een overigens volkomen gezond, broedloos, maar ook in het broedende volk na te gaan, op het volk van alle leeftijden en onder alle omstandigheden van seizoen en weersgesteldheid. Verschillende onderzoekers hebben blijkens hun mededeelingen met deze bijkomstige omstandigheden te weinig rekening gehouden en kwamen daardoor tot conclusies, welke vaak sterk uiteenloopend waren. Zonder opgave en in rekening brengen van het verloop der omstandigheden, wat betreft volkssterkte, tijdstip, weersgesteldheid, dracht, wordt het verloop van het ziekteproces opgeteekend. Eerst als wij de ziekte kennen onder de verschillende "normale" omstandigheden, is men gerechtigd bijkomende abnormale omstandigheden, waarvan b.v. de roer in alle graden wel één der voornaamste is, in de beoordeeling van het verloop te betrekken. In hoeverre de aanwezigheid van, dus het samengaan met één of meer andere parasietenvormen aan het karakter der Nosema een bijzonder verloop geeft en hierbij denken wij aan de ziekte der z.g. Malpighische buizen, laat ik hier onbesproken. Ik wil er slechts nog op wijzen, dat door éénzijdige beoordeeling de een er toe kwam het boosaardig, zoowel als het goedaardig verloop, uitsluitend aan "disponeerende" factoren, d.w.z. aan de genoemde, uitwendige omstandigheden van klimaat, weersgesteldheid, voedsel, etc. te wijten, de ziekte dus als een gevolg dezer factoren te zien. Andere zagen in Nosema als zoodanig de directe oorzaak van haar wisselend karakter, terwijl weer andere, onder wie zich ondergeteekende schaart, in een samengaan, in een samen- of tegenwerking, in een wisselwerking van beide, ziekteoorzaak en omstandigheden, de verklaring zochten van de verschillende vormen, waarin de ziekte zich voordoet.
Deze bijenteeltkundige opmerking wil ik vooraf laten gaan aan de vermelding van het feit, dat er ook een verschillend oordeel bestaat omtrent de mogelijkheden van bestrijding en uitroeiïng der ziekte, want tegenover mijn standpunt dat Nosema met succes is te bestrijden door het nemen van bijenteeltkundige en hygiënische maatregelen. staat dat van imkers die zeggen, dat "het toch niets geeft". Ik moèt toegeven, dat er, zooals ik reeds opmerkte, imkers zijn, die er tot nu toe inderdaad nog niet afkwamen, ondanks zij jarenlang meer of minder ernstige pogingen deden, terwijl er andere zijn, die na één of twee jaar en na eenige schade, ze zonder meer kwijtraakten.
Mijn meening, dat ze wel bestrijdbaar is, vindt haar grond in een veeljarige controle van het verloop der ziekte bij een groot aantal volken, waarvan men de gegevens op blz. 54-64 van mijn Nosemastudie kan aantreffen en waarvan de conclusie luidt:
De waarnemingen omtrent het verloop der ziekte, zoowel van geheele standen als van de afzonderlijke volken, welke gedurende vier achtereenvolgende jaren hebben plaats gehad, hebben aangetoond, dat in dit verloop éénzelfde, elk jaar terugkeerend type, voorkomt. Hierbij is geconstateerd: 1e dat men in het voorjaar een aantal zieke volken kan aantreffen, dat zeer uiteenloopt; 2e dat er een neiging bestaat van het parasitisme om in den loop van Mei en Juni een sterke stijging te gaan vertoonen; 3e dat deze uitbreiding van het aantal zieke volken gedurende den zomer (Juli, Augustus) gelijk kan blijven, doch in de meeste gevallen afneemt. In September en October is de daling meestal zeer sterk. Deze lage cijfers sluiten dan weer aan bij die van het voorjaar.
In mijn beoordeeling en verklaring van het verloop wijs ik op drie verschillende typen: 1e. sterke uitbreiding der ziekte tot 100 %, gepaard gaande met groote sterfte in den vorm van snelle en volkomen uitsterving, in uittering of in zwakblijven van het volk; 2e. sterke uitbreiding met eveneens een stijging van het Nosema-getal tot 100 %, schijnbaar zonder de geringste verzwakking van het volk, het ontwikkelt zich als volkomen gezond;
3e. sterke daling van het Nosema-getal tot volledige zelfreiniging. En als oorzaken van het verschillend verloop komen de volgende punten in aanmerking: a. de levensduur van de gezonde en de zieke bij; b. het tijdstip of de periode der besmetting; c. de grootte en eventueele herhalingen van de besmetting; d. de aard van de besmetting; e: de invloed van de darm-overvulling en de roerziekte. Op deze punten, welke in mijn werk uitvoerig worden besproken, wil ik hier niet verder ingaan; de belangstellende en belanghebbende imker zal de moeite willen nemen, deze zaken aldaar na te lezen.
Enkele opmerkingen moeten hier echter, in verband met de ervaringen der practijk worden gemaakt en dan haal ik hier een paar punten aan, welke van de grootste beteekenis zijn voor de bestrijding, want als de practische imker zich hiervan niet grondig rekenschap geeft, zoo kan hij alle hoop van de ziekte af te komen, rustig laten varen, tenzij de natuur hem alsnog buitengewoon goedgunstig gestemd zou zijn.
Deze punten zijn:
1e. de wijze van besmetting;
2e. de gang van de besmetting;
3e. de verspreiding van de smetstof.
De besmetting van de bij kan plaats hebben:
a. door onderling belikken;
b. door beknagen van den besmetten bouw;
c. door opname van besmet voedsel, o.a. door roof, evenzeer van besmet water.
Omtrent het eerste punt wijst het volgende proefje op de zekerheid en snelheid waarmee de besmetting kan plaats grijpen. Plaatst men gezonde met Nosema-zieke bijen bij elkaar, dan zijn na 5 dagen reeds eenige, na 8 dagen alle gezonde besmet. De vraag is echter gewettigd, in hoeverre deze snel verloopende infectie onder zulk onnatuurlijk samenzijn der bijen recht geeft aan te nemen, dat onder natuurlijke omstandigheden dit willekeurig contact even zeker en in elke phase van het bijenleven plaats heeft. De veronderstelling dat in een normaal, sterk en actief volk, de aanraking van bijen onderling niet een willekeurig is, krijgt door kennisneming van het proces der arbeidverdeeling in het bijenvolk een groote mate van waarschijnlijkheid, hetgeen door eigen waarnemingen is bevestigd geworden. Het proces der besmetting van de geïsoleerde bij moet goed worden onderscheiden van dat der besmetting in het volk. Indien men het verschijnsel van de uitbreiding der ziekte vanaf de wintermaanden tot in Mei en Juni en daarna de daling beschouwt, bovendien het typisch verschil in verloop, waanbij de eene keer een goed volk snel en totaal uitsterft terwijl een andermaal een volk schijnbaar of werkelijk ondanks een hoog Nosema-percentage, intact blijft, is de vraag op haar plaats, of de opname der smetstof niet volgens een bepaald schema verloopt en aan bepaalde wetten zou zijn gebonden.
Over de beteekenis van deze arbeidverdeeling welke Rösch zeer uitvoerig onderzocht, wil ik het volgende opmerken. Naarmate de levensomstandigheden in het voorjaar gunstiger worden, de broedaanzet toeneemt en steeds meer jonge bijen worden geboren, die de verschillende functies van voedster en bouwster gaan vervullen, treedt er een toenemende differentiatie en verscherping van de arbeidverdeeling in.
Als voldoende groepen voorhanden zijn, wordt ook de aanraking tusschen deze onderling steeds minder en blijft a.h.w. elke groep meer op eigen terrein. Rösch wijst er op, dat de jongste bijen in hun eerste levensperiode van één tot drie dagen, hoewel zij reinigingsdiensten verrichten, niet knagen, dus de randen der cellen niet bewerken. De celverzorging geschiedt door bijen boven den voedsterleeftijd van 12-18 dagen (bouwbijen). Bij eventueele besmetting van de raat, veroorzaakt door Nosemazieke bijen, zal dus alleen de groep der bouwbijen zich bij de celverzorging, indien deze is besmet met sporenhoudende faeces, kunnen infecteeren.
Een andere waarneming van Rösch was, dat in den aanvang der broedontwikkeling als er nog geen jonge bijen zijn, de honing door de veldbijen wordt afgegeven aan elke willekeurige bij, die op de raat wordt ontmoet. Gaandeweg komt er een groote groep van "honing-afneemsters", welke echter eerst nà den twaalfden dag deze functie op zich gaat nemen.
Ook de mogelijkheid van directe besmetting zou kunnen bestaan, doch ook dit contact heeft slechts onder bepaalde omstandigheden plaats, dus pas in het wachtbijenstadium als vliegbijen stoffen meebrengen, welke tot belikken aanleiding kunnen geven.
Men zou kunnen opmerken, dat het contact speciaal tusschen vliegbijen en bouwsters toch zeer innig moet zijn, daar de eerste vooral 's nachts medewerken bij de warmteproductie, noodig voor het waszweeten. Dit geschiedt echter slechts bij bepaalde temperaturen, waarbij dus ook de drachtverhoudingen gunstig zullen zijn. Onder deze omstandigheden vliegen de bijen steeds met een ledig rectum en is van besmetting geen sprake.
Het resultaat van een onderzoek van bouw- en vliegbijen op Nosema is een bevestiging geworden van de waarnemingen van Rösch betreffende de scheiding tusschen huis- en vliegbijen, alsmede van voorgaande verklaring aangaande het uitsluitend ziek zijn der vliegbijen. In November 1934 werden bij een volk, dat langs natuurlijken weg was besmet, de vliegbijen 60-80% ziek bevonden, terwijl de bijen van den raat genomen, volkomen parasietenvrij waren. Het volgend bewijs werd verkregen door controle van het verloop van de ziekte in twee van acht volken, blootgesteld aan besmetting door roof op twee uitstervende Nosema-volken. Deze controle toonde aan, dat onder deze omstandigheden een infectie van jonge bijen kan plaats hebben, doch dat deze vanaf een bepaald oogenblik ophoudt, terwijl de oude bijen nog ziek blijven. Het onderkenningsteeken van oude en jonge bijen was de gevuldheid van het rectum en de aard van den inhoud. Ook onder de sterk met stuifmeel gevulde, dus huisbijen, bleken er bij 8 onderzoekingen in Mei, telkens van 25 bijen talrijke aan Nosema lijdende te zijn. In de eerste week van Mei waren er van de vliegbijen van 30 tot 50% besmet; van de jonge bijen 30%. Gedurende eenige weken bleef het vliegbijencijfer gelijk, terwijl dat van de jonge bijen daalde. Op 21 en 27 Mei bleek het Nosema-cijfer bij onderzoek van 30 bijen van elke categorie in beide volken resp. 20% en 0% te bedragen, welke verhouding bij herhaald onderzoek constant bleef. De jonge bijen hadden dus geen gelegenheid meer tot besmetting; de besmette door roof verkregen suiker was verbruikt en door contact had blijkbaar geen besmetting plaats. Dat besmette suiker aanwezig was, werd bevestigd door het onderzoek op 6 Mei van een gedeelte van het voedsel op één der buitenste raten van het broednest, dat zich reeds belangrijk had ontwikkeld. Aan een 12-tal bijen gevoerd, waren van deze na één week 3 stuks in geringe mate geïnfecteerd.
Deze elkaar aanvullende waarnemingen wijzen er op, hoe de arbeidverdeeling in een normaal, actief volk een zeer belangrijke rol in het verloop der ziekte moet spelen, daar blijkbaar de onderlinge besmetting vanaf een zekere periode pas plaats heeft in den overgangstijd van huis- tot vliegbij.
Het zij nog opgemerkt, dat in een volk, waar de orde verstoord is, zooals b.v. in een moerloos volk of in verzwakte volken, de onderlinge besmetting onregelmatig verloopt en alle bijen treft.
De tweede besmettingswijze kan vanaf de raat geschieden, b.v. bij het beknagen van den celbouw. Deze besmetting heeft op een intensieve wijze plaats bij het heerschen van Nosema, vergezeld van roerziekte. Gezien de vaak zeer lange levensduur van de smetstof op de raten en op het hout (8 maanden), ligt het voor de hand, dat o.a. gezonde zwermen op oude besmette "vellen" gemakkelijk kunnen worden aangestoken.
Behalve door deze wijzen van besmetting binnen de woning, kan deze door uitwendig gelegen bronnen plaats vinden, in de eerste plaats door opname van water uit besmette drinkplaatsen. Er zijn sprekende gevallen, waarin door een sterk besmette drinkgelegenheid alle volken in een streek besmet werden. Toch acht ik deze vorm een weinig voorkomende.
Van veel meer beteekenis, zij mag wel één der belangrijkste worden geacht bij de verspreiding der ziekte, is de besmetting door roof. Als een verzwakt of een moerloos en aan Nosema lijdend volk uitstervende is, kan er binnen enkele dagen een zeer sterke uitbreiding op den stand plaatsgrijpen, doordat de andere en vaak de sterkste volken op dit zieke volk gaan rooven.
Ook door het verstrekken van Nosemahoudenden honing kan de besmetting groote afmetingen aannemen. Daar deze tot 11 maanden bij temperaturen van 18-25° C. infectieus kan blijven, geldt voor den honing hetzelfde als voor besmette raten.

Over de gang van de besmetting een enkel woord.
Als op bedrijven Nosema voorkomt op een wijze, waarvan in vorenstaande tabel een voorbeeld uit de practijk is gegeven (en die in bepaalde voorjaren bij tientallen voorkomen), en waar niet zindelijk, nog minder hygiënisch wordt gewerkt, of men zich niet bewust is van het gevaar, dat alles: korven, kasten, ramen, raten, honing, werktuigen en handen in sterke mate besmet is of kan zijn en dus een voortdurende verspreiding en besmetting plaats heeft, zullen vele van de betreffende imkers telken jare weer het euvel moeten ondervinden. De lange levensduur van de smetstof begunstigt het heerschen van de ziekte bovendien nog in sterke mate. Waar de natuur zelf - zie het verloop en de sterke daling van het Nosema-cijfer tegen den nazomer, óók op standen, waar het in April of Mei er uitziet als in bovenstaande tabel, zulk een sprekende vingerwijzing en belangrijke steun biedt ter uitroeiing, is het de mensch in zijn onwetendheid (en meestal meer dan dat) die dit miskent en Gods water maar over Gods akker laat gaan, tot schade van zichzelf en niet minder van anderen.
Bovenstaande besmettingsvormen geven reeds aan op welke wijze de verspreiding der smetstof moet plaats vinden. In een sterk, normaal doorwinterd volk zou volgens de heerschende meening niets worden ontlast. Dit is niet juist, daar men zelfs bij de meest gunstige wintertijd sporen van ontlasting kan aantreffen. Deze speelt in een sterk en overigens gezond volk bij de verspreiding der ziekte echter een zeer ondergeschikte rol, hetgeen blijkt uit het feit, dat het Nosema-cijfer tijdens den wintertijd niet of zeer gering stijgt.
Anders is het verloop der infectie, als een aan Nosema lijdend volk niet normaal doorwintert en roerziekte optreedt. Welke hoeveelheden faecaliën dan ontlast worden, is bekend. Heerscht in deze roerzieke volken tevens Nosema, dan is het optreden van een algemeene infectie, waaraan slechts weinig bijen ontkomen, een kwestie van eenige dagen. Doch zal ook de roerziekte, in minderen graad optredend, een raatverontreiniging ten gevolge hebben, welke een zeer groot deel van het volk zal besmetten. Over roerziekte is in den treure geschreven. Ik wil er nog slechts van zeggen, dat over dit euvel door de imkers verschillend gedacht wordt en dat een beetje roer feitelijk niet geteld wordt. Maar als er Nosema heerscht, al is het maar voor 1 %, dan mogen de imkers verzekerd zijn, dat de uitbreiding snel om zich heen zal grijpen. Als zij klagen van de Nosema niet af te kunnen komen, maar het optreden van roer niet kunnen beletten, dan speelt hier eigen schuld de grootste rol. Hoe vaardig zij ook met het zomerwerk zijn, als ze het er voor den winter op aan laten komen, verstaan zij "het meesterstuk" niet.
Op de beteekenis van zwakke en moerlooze volken, als bronnen van besmetting, werd reeds gewezen. Zij zijn bij aanwezigheid van Nosema een der ernstigste haarden. Hier toch heerscht niet de orde van het sterke, gezonde volk. Enkele waarnemingen mogen deze uitspraak bevestigen. le. Van een voorjaarsvolk met 100% Nosema, dat sterk verzwakt was, doch geen zichtbare verschijnselen van roer vertoonde, werd een stuk raat eenige dagen in water geplaatst en daarna geschud. Het water werd gecentrifugeerd en de neerslag met honing aan 10 bijen toegediend, waarvan er na 7 dagen 9 zwak en één sterk was besmet. Na den dood van het volk werd de proef herhaald; ook met een brij van raat. Met de hierin aanwezige suiker werden de proefdieren ziek. 2e. Op de raten van twee aan Nosema uitgestorven volken, welke geen roerverschijnselen hadden vertoond, konden in het begin van April, na het wasschen van de raat, microscopisch reeds sporen worden aangetoond, n.l. 5-10 stuks per microscopisch veld. Door een voederproef werd deze bevinding bevestigd. 3e. Met stukken raat uit door Nosema verzwakte volken, welke op aanvrage door imkers waren toegezonden, is deze besmetting nog driemaal aangetoond kunnen worden. Ten allen tijde is dit verschijnsel te constateeren. Ook in September werd ongeveer 10 dagen na het opvoeren, een positief resultaat bereikt met het afknaagsel van de raat uit een verzwakt korfvolk.
Ik heb dus in het voorgaande in hoofdzaak willen wijzen op het verloop en op de beteekenis en den aard van besmetting en alsmede op de verspreiding der smetstof en dit met de resultaten van verschillende onderzoekingen willen duidelijk maken.
Het zijn de noodzakelijke gegevens voor een doeltreffende bestrijding en uitroeiïng der ziekte. In de eerste plaats wijs ik dan op een woord van den bekenden bijenteeltkundige, Prof. Zander, die het "een misdaad" noemt, de ziekte als een onvermijdelijk euvel te beschouwen. Zij moet bestreden worden in kwade zoowel als in goede dagen. Hij zegt er van, dat de bestrijding bij Nosema moeilijker is dan bij broedziekte. Groote oplettendheid, ernstige wil en hygiënisch inzicht zijn noodzakelijk als men resultaten wil bereiken.
Er is gebleken, dat het parasitisme zich zeer verschillend kan gedragen. De graad, waarin gedurende de op elkaar volgende seizoenen van het jaar de ziekte voorkomt, toont een stijging en een daling; zij kan zich in het najaar tot een zeer geringen omvang beperken, zelfs geheel verdwijnen.
De mogelijkheid van totale of gedeeltelijke zelfreiniging van een volk moet worden beschouwd als de hoeksteen voor een bestrijding en uitroeiïng der ziekte.
Het zij opgemerkt, dat reeds uit bedrijfsoogpunt het vanzelfsprekend is, dat de imker werkt met sterke, krachtige volken, die hij, speciaal op een tijd dat ze de hoofddrachten moeten benutten, in goede conditie dient te hebben. Dit vereischt kennis van het wezen van het bijenvolk en zijn ontwikkeling, alsmede van behandeling en verpleging. Indien echter Nosema aanwezig is, wordt het een kwestie van rationeele bestrijding, dat de imker op de hoogte is van de middelen, waarmede hij sterke volken kan kweeken en behouden.
Hierbij moet in het algemeen met het volgende rekening worden gehouden.
A. Een goede inwintering van alle volken.
B. In het voorjaar een stand van volken van gelijke sterkte en kracht.
C. In de lente- en zomermaanden een zoodanige behandeling der volken dat een sterke en snel verloopende generatiewisseling wordt verkregen.
D. Een op gezette tijden verrichte controle op Nosema van alle volken.
E. Toepassing van enkele hygiënische maatregelen.
A. Een goede inwintering is de alles beheerschende factor.
Sterke, jonge volken in een droge, warme woning, op lichtverteerbare en parasietenvrij voedsel (geen heidehoning) dat gedurende den geheelen winter voor de bijen goed bereikbaar is, zijn een eerste voorwaarde. Bij afwezigheid van elke stoornis zullen deze in volkomen rusttoestand den winter zoo noodig 3 à 4 maanden kunnen door brengen en geen spoor van roerziekte gaan vertoonen. Bij de uitwintering zullen zij in een conditie verkeeren, waarbij ondanks meer of mindere stijging van het Nosema-getal, of geen óf slechts geringe schade zal worden opgemerkt.
B. In het voorjaar gelijk sterke volken.
Gelegenheid tot roof door de aanwezigheid op den stand of in de omgeving van zwakke en moerlooze volken moet uitgesloten zijn.
Het geldt dus hier een kwestie van voorzorg, van de toepassing van in hoofdzaak scherp doorgevoerde maatregelen van zuiver bijenteeltkundigen aard.
Als door een verkeerde inwintering alle volken of een deel ervan bestemd zijn aan Nosema ten gronde te gaan, kunnen maatregelen bij de uitwintering weinig of niet baten.
C. In de lente- en zomermaanden een sterke en snel verloopende generatiewisseling, waarbij een snelle uitschakeling dus van oude, besmette bijen, is voor de zelfreiniging een eerste voorwaarde. Volkomen reiniging is meestal echter uitgesloten. Om deze tot stand te brengen moeten middelen worden toegepast, welke een voortdurende activiteit ten gevolge hebben, speciaal in de drachtlooze tijden en bij slechten weerstoestand. Een geforceerde ontwikkeling van sterke, krachtige volken, een overeenkomstige behandeling van de zwermen, zal het mogelijk maken, de zelfreiniging van een groot deel der volken op een besmetten stand in één jaar tot stand te brengen. Bij voortzetting van deze behandeling gedurende eenige jaren zal de reiniging volledig zijn.
Gedurende een drietal jaren is op de Rijksseruminrichting deze vorm van Nosema in het voor en najaar bij een groot aantal volken kunstmatig opgewekt. Door systematische contrôle is het verloop nagegaan en is geconstateerd, dat bij een behandeling als boven omschreven, volledige zelfreiniging is te bereiken. Van een stand, waarop sinds verscheidene jaren in sterke mate Nosema voorkwam, werd een 50-tal zieke volken aangekocht. Terwijl de imker na eenige jaren nog dik in de ziekte zat, waren de aangekochte volken na twee jaren alle er vrij van.
D. De systematische contrôle mag niet achterwege blijven, als men besluit de voorgaande maatregelen toe te passen. Deze contrôle is te beschouwen als de thermometer, die systematisch gebruikt wordt om de graad van een ziekte na te gaan. Een dokter, die geen thermometer gebruikt bij een ernstige ziekte, bestaat niet. Zoo bestaat het ook niet, een oordeel over Nosema te hebben, te weten hoe het er bijstaat, zonder contrôle. Het is de graadmeter, zoowel voor de ziekte als voor den ernst, waarmede de imker zijn maatregelen neemt. Het is prulwerk, waar ze niet wordt aangewend.
E. Enkele hygiënische maatregelen t.o.v. besmette voorwerpen, kasten, raten, voedsel, etc. Bij goede inwintering is roerziekte en dus een besmetting van de raat niet te verwachten. Onderling gebruik van raten, die volkomen vrij zijn van uitwerpselen, behoeft dus niet te zijn verboden. Raten van roerzieke Nosema-volken en van uitstervende Nosema-volken zijn belangrijke smetstof-bronnen. Besmette raten, welke niet binnen het broednest zijn gelegen, ook die met voedsel, moeten worden verwijderd en ingesmolten, het voedsel gekookt en de kasten door afkrabben en door behandeling met kokend sodawater gereinigd worden.
Waar Nosema heerscht zonder roerziekte, is ontsmetting met formaline of door verbranding van materiaal, hetgeen enkele schrijvers aanbevelen, als overbodig te beschouwen.
Het staken der bijenhouderij gedurende een tweetal jaren is aanbevolen, doch moet nutteloos worden geacht, indien de hiervoor beschreven biologische bestrijdingswijze en contrôle daarna niet in toepassing wordt gebracht. Volgt men echter dezen weg, dan is staking der bijenhouderij niet noodig.
En is het gebruik van chemische bestrijdings, middelen hier niet op zijn plaats, zooals b.v. bij het heerschen van de mijtziekte? Het is een klein vraagstuk op zichzelf, waarop reeds vele antwoorden kwamen. In de "Practische Imker" van 1934 kan men een artikel van mijn hand met een serie onderzoekingen betreffende bestrijding met chemische middelen aantreffen. Ik heb daarna nog een aantal beproefd, alle zonder succes. Maar, hoe interessant overigens, is het noodig te wachten waar de natuur ons den weg wijst en een des kundige verzorging uitroeiïng bereikbaar maakt?
WINKEL.
*) Hier wordt steeds bedoeld Nosema in het volk, niet de ziekte van de afzonderlijke bij.