Op den bijenstand.


Wanneer deze letters onder Uw bereik komen, is het bijenjaar ten einde. Een ieder kan, en de meesten Uwer zullen wel reeds balans gemaakt hebben. Over een na- of voordeelig saldo hebben we in ons vorig overzicht reeds het een en ander geschreven. Een feit is, dat de grondslag van het volgende bijenjaar nu weer gelegd is, en dat de omstandigheden gunstig zijn en waren voor een solied fundament. Degenen, die nu - we schrijven op 't moment half October - z'n volken nog voert of wel pas er mee is geëindigd, profiteert van het prachtige herfstweer. De temperatuur loopt 's middags in de schaduw nu reeds dagen achtereen zoo om de 18° C. Er komt nog een stroom stuifmeel binnen. Er is nog volop broed in alle stadia in de volken aanwezig. Ik moet me zeer vergissen of zoowel de doorwintering als ook de uitwintering zal goed zijn. Altijd vooropgesteld, dat men geen fouten maakt of zal maken door grove nalatigheid of anderszins. Wat dat betreft, staat de bijenstapel er heel wat beter voor dan in den herfst '39.

Over de inwintering kreeg ik van verschillende lezers vragen gesteld. Alsook naar aanleiding van het artikel in het October-nummer. Al deze vragenstellers zijn schriftelijk van antwoord gediend.
Op den Bijenstand moet nu absolute rust heerschen. Alles wat deze rust zou kunnen verstoren houde men verre. De mogelijkheid op sneeuw is voor deze maand nog zeer klein; dus baart nog geen zorg. Men geve deze maand z'n volken nog volop gelegenheid tot uitvliegen. Hoe later in het najaar ze dit kunnen doen, hoe beter voor de volken. Ze kunnen den zit dan langer volhouden zonder last te krijgen.

Waar er op 't open veld nu hoe langer hoe minder gading is te vinden voor het muizengilde, trekken zoowel de gewone muis alsook de veldmuis stallen en schuren binnen om daar te overwinteren. Men zij nu op z'n hoede. Het beste is, om in 't laatst dezer maand de muizen zooveel mogelijk met vallen weg te vangen. Men heeft er dan de rest van den winter geen last meer van.

Nu zou ik nog gaarne het een en ander over vreemde rassen en over het nut van deze tegenover dat van ons eigen Inl. ras, willen schrijven. En dan heb ik hier twee importrassen op het oog, en wel het Krainer- en het Cypro-Italiaansche ras, Zooals de naam reeds zegt, is dit laatste reeds een kruisingsproduct van het Cyprische en Italiaansche ras. Dit ras wordt in Amerika op groote schaal gehouden. Zooals we uit de verslagen in ons Groentje konden lezen, worden er met dit laatste ras in Apeldoorn proeven genomen en naar ik meen, niet zonder tevredenheid. Zelf heb ik ook proeven loopen en genomen, zoowel met het Krainer- als met het Cypro-It. ras. Niet met een paar volken, doch met een tamelijk groot aantal van beide rassen. Met de Krainer bij had ik ook reeds voor een 25-tal jaren geleden proeven ge. nomen tegenover ons Inlandsche ras. Ook toen was het resultaat voor de Kr. bij zeer bevredigend, Echter imkerde ik toen nog alleen in boogkorven en ronde korven en was het doel uitsluitend heidedracht. Nu echter heb ik dit ras ook in kasten gehouden. De mogelijkheid was nu aanwezig om de volken veel meer ruimte te geven. Het resultaat was ook nu weer zoo, dat én het Inl. én het Cypro-It. ras het tegen de Krainer wat honingopbrengst betreft moesten afleggen. Ik moet hier echter direct bij vermelden, dat ook ons Inl. ras het verre van het Cypro-It. ras won. Tusschen ons Inl. en het Kr. ras was dit verschil lang niet zoo groot. Ik heb hier natuurlijk de gezamenlijke jaar-opbrengst op het oog.

Wat zomerdracht betreft liepen ze niet zoover uiteen. Het groote verschil zit in de heidedracht. Wel waren de eerste kruisingen tusschen Inl. x Cypro-It. veel beter dan het origineele Cypro-It, doch ook de opbrengst van de eerste kruisingen Inl. x Krainer was prima. 't Was wel opvallend hoe beide kruisingsproducten, zonder uitzondering, door honingopbrengst uitmuntten. M'n tijd laat het me op 't moment niet toe - ik zit in de drukste maand van het jaar - om hier nu verder op in te gaan. Ik beloof U echter, dat ik in m'n volgend epistel over deze zaak uitvoerig zal uitweiden. Ik ben er van overtuigd, dat het de hoogste tijd wordt, dat aan de rassenkeuze meer aandacht moet worden besteed, en dat dit punt ook door de officieele instanties moet worden onderzocht door serieuse proefnemingen.
En dan moet dat geen vasten stand worden, zooals men nu reeds van plan is te Wageningen te vestigen. Het moet een mobielstand worden, opdat de rassen ook werkelijk kunnen toonen, dat ze, als er bloemen en gewin onder hun bereik is, de kunst van honinghalen verstaan. 't Is toch altijd nog waar, dat indien de berg niet bij Mohammed komt, Mohammed bij den berg moet komen, Dit geldt in zeer hooge mate voor bijen en bloemen. Tot de volgende maand!

D., S.