Het bouwen van een observatiekast.


Naar aanleiding van mijn stukje over het kleine volkje op drie ramen, dat ik gezond en wel den strengsten aller winters doorhaalde alleen op borstplaat, kreeg ik van lezers eenige brieven. Ik had toch verteld, dat mijn kleine bijenkolonie oorspronkelijk gehuisvest was in een observatiekast, welke mij in de kamer in staat stelde allerlei belangwekkende voorvallen uit het rijke bijenleven; het eierleggen der koningin, de geboorte van jonge bijen, het optassen van honing en stuifmeel en nog veel meer, vlak onder mijn neus gade te slaan. Hierop waren eenige lezers jaloersch geworden en vroegen nadere inlichtingen. Iemand bezat wel een kast, waarvan een paar wanden van dubbel glas vervaardigd waren met een tusschenruimte van lucht, blijkbaar dus een zoogenaamde lichtkast, waarvan men eenigen tijd geleden nogal ophef maakte; maar hierdoor kon men toch niet elk oogenblik het geheele bijenbedrijf waarnemen, zooals ik dit beschreef van mijn observatiekast. Daar ik van deze laatste reeds tal van jaren zeer veel genoegen beleefde, zullen meerdere lezers wellicht in de komende lange winteravonden ook zoo'n kastje eens willen gaan bouwen. Gaarne wil ik daarbij tot gids zijn en ik voorspel ieder, op grond van eigen ervaring, een uitnemend genot en zeer veel leering van dezen arbeid.

Menig imker heeft zoo'n hooge, smalle observatiekast wel eens aanschouwd op eene landbouwtentoonstelling. Veelal moest ze dan dienen om reclame te maken voor een of anderen honingleverancier. In zoo'n toch al vrij ongeriefelijke woning waren dan tusschen glasruiten een drietal raampjes met bijen, broed, koningin enz. opgehangen, Maar,het geheel stond opgesteld in een zaal; de vliegopening was afgesloten;de bijen, ook al door de hooge temperatuur, krieuwelden in doodsangst tegen het glas.


Foto C.H.J. Raad.
De observatiekast, gesloten, staande voor een venster IN het vertrek. De vorm is eenigszins anders dan de beschreven kast: het bovenste honingruim heeft een paar afzonderlijke deurtjes. De deuren zijn van buiten aardig versierd door opgelegd zaagwerk.



Doch dit merkten de bezoekers niet en ze vonden het prachtig! Of ze echter een juist inzicht kregen in het wondere bijenleven?
Het kan echter ook anders! En beter! Ik heb mijn observatiekast ook wel eens naar een tentoonstelling gebracht, maar dan vooraf bedongen, dat het volk mocht uitvliegen door een opening in een vensterruit. Dan zag het publiek op mooie dagen een bijenvolk aan het werk in volle fleur Driftig zoemden darren en werkbijen naar buiten; de laatste keerden terug met stuifmeelklompjes van allerlei kleur. Dan weer werd een gestorven zusje naar buiten gesleept en kreeg een eervolle begrafenis in de lucht, op eenige tientallen meters van de woning. Ja zelfs heeft eenmaal een geestdriftig publiek een jonge moer op de bruidsvlucht zien gaan en met het bevruchtingsteeken zien terugkeeren!
Ik mag gerust beweren, dat mijn kast de clou van de tentoonstelling was, waar de bezoekers niet van weg te slaan waren, vooral als ik een uurtje per dag erbij kon gaan vertellen. Dat was mooie propaganda voor de altijd belangwekkende bijenteelt, heel wat anders dan zoo'n gesloten gevangenis, waaruit de nijvere diertjes tevergeefs een uitvlucht naar buiten zochten!
Hoewel het natuurlijk mogelijk is een observatiekast ook buiten op te stellen, geef ik er verre de voorkeur aan haar binnenshuis te plaatsen. Het beste voldoet een plekje voor een venster op het zuiden. Door het raam ziet men ook alles, wat buiten plaats grijpt, het af- en aanvliegen ; terwijl men binnen, zonder eenigen hinder, met zijn neus voor het glas, het geheele intieme leven der bijen kan gadeslaan, desverlangd door een vergrootglas en zelfs allerlei kan fotografeeren.

Bij het bouwen van zoo'n observatiekast gaan we uit van de veronderstelling, dat we er in willen hangen drie broedramen boven elkaar en daarboven nog een honingraam of een viertal secties op een rij. De binnenafmeting der woning hangt dus van de gebruikte raammaat bij onze gewone bijenkasten af. Het moet namelijk mogelijk zijn uit deze laatste zonder nadere voorzorgen een aantal ramen in de observatiekast over te brengen.
Ik veronderstel, dat we Simplexramen gebruiken. Deze meten buitenwerks in de breedte 36 c.M. Naast de zijlatjes moet een ruimte van driekwart centimeter open blijven voor bijendoorgang; de binnenbreedte der observatiekast wordt dus 37½ c.M. De hoogte van een raam is buitenwerks 22 c.M. Het onderste raam komt weer driekwart centimeter vrij van den bodem. Tusschen de drie boven elkaar hangende ramen onderling houden we dezelfde ruimte. Op de bovenste toplat komt een streep Herzogrooster ter breedte va 371/2 millimeter; daarboven weer een bijendoorgang van driekwart centimeter; en vervolgens het honingraam, dat 14 c.M. hoog is. Wie vier secties bovenin opstelt, wat nog aardiger staat, vindt zelf de juiste maat der honingverdieping wel.
We schaven nu lathout op maat 37½ X 37½ millimeter. Hiervan zagen we een stuk af van 37½ c.M. voor den kastbodem. De opstaande zijden worden 86,75 c.M. lang. Deze drie latten vereenigen we tot een U vorm. De bodemlat valt tusschen de opstaande in.
In de onderlat, den "bodem" der kast, beitelen we een vlieggat, dat een paar centimeter breedte en twintig centimeter lengte heeft en dus loodrecht staat.
In de opstaande zijlatten maken we op de juiste hoogte - dat volgt vanzelf! - drie rechthoekige keepen, waarin de nokken der ramen ruim passen, met een er omheen geschoven afstandsblikje.
Als grondvlak nemen we nu een plankje 56 c.M. lang en 30 c.M. breed. Wie een mooi meubeltje voor de huiskamer wil vervaardigen, bezige eikenhout van 1 c.M. dikte voor het buitenwerk
der kast.


Foto C.H.J. Raad.
Bevolkte observatiekast geopend.
Links boven twee secties.




Op het grondvlak monteeren we nu onze U van latten, zóó, dat er links rechts evenveel uitsteekt, doch aan den achterkant 8,5 c.M. en van voren 17,75 c.M. Het vlieggat uit onze onderlat correspondeert met een evengroote spleet van het grondvlak. Onder het voorste, breedste deel van het grondvlak brengen we nu een loopje aan in den vorm van een platte 2 c.M. diepe doos, waarin het vlieggat uitmondt en die aan een smallen kant van ons grondvlak een c.M. of 12 Paar buiten steekt. In het grondvlak zelf zagen we juist boven de platte doos een rechthoekig gat, dat we kunnen afsluiten met een glasplaat, waardoor we dus alles kunnen waarnemen, wat in de platte doos voorvalt. Deze vormt namelijk den uitloop voor de bijen naar buiten. Het buiten ons grondvlak uitstekende deel der doos, ook met glas bedekt, vormt dus een soort goot, welke we door een passende opening in een vensterruit, raamkozijn of hieronder geplaatste plank doen uitkomen in de buitenlucht, waarheen straks de bijen zich dus kunnen begeven en weer in onze observatiekast terugkeeren, zonder in de kamer te komen.
Onder het grondvlak bevestigen we een paar stevige overdwarse klampen, waarmee later de heele zaak op een tafeltje voor het venster rust.
Tegen de opstaande latten bevestigen we de smalle buitenkanten der kast. We nemen hiervoor plankjes ter breedte van 13 c.M. De hoogte wordt 93 c.M.De bovenzijde zagen we dakvormig af. Waar deze afschuining begint, verbinden we de opstaande zijplankjes door een paar latjes voor en achter, waardoor ook van boven een stevig verband ontstaat, Deze 3 c.M. breede latjes, lang 45 c.M., vallen juist binnen de hooge zijwanden.
Tegen de latten, waarin de raampjes hangen, komen nu, aan de breedtezijde der kast dus, twee ruiten, welke we met een paar kleine werveltjes op haar plaats houden, maar ook gemakkelijk kunnen wegnemen bij het vullen der kast.
Doordat onze latten 37,5 m.m. breed zijn en de opstaande wanden der kast 13 c.M., is er aan de breedtezijden, dus tegen de glasruiten, plaats voor een paar deuren, welke tusschen de smalle kastwanden vallen. Aan de binnenzijde, die dus naar de ruiten gekeerd is, geven we onze deuren een omlijsting van latjes langs hun buitenomtrek, waardoor de deuren een soort platte doos worden. Deze doos vullen we met een warmtehoudende stof, b.v. droog stroo; en hier overheen spannen we een stevige doek (een stuk overgordijn voldoet best!), vastgespijkerd op de buitenlatjes. Zoo zijn onze deuren dus gewatteerd! Ze bewaren de bijenwarmte tusschen de glasruiten.
We houden ze op haar plaats tegen de ruiten door middel van een viertal platte vioolkisthaakjes, grijpend in oogjes, geschroefd in de houtdikte der smalle kastwanden. Bij het beschouwen van het bijenwerk door de ruiten nemen we één of beide deuren dus geheel af. Dit is beter ze dan met scharnieren te laten draaien.
Tusschen de glasruiten rust op het bovenste honingraam of de rij van secties een passend los plankje, dat den bijen verhindert boven uit de kast te komen.

Onze observatiekast wordt verder afgedekt door een sierlijk los dakje, dat met twee schuine vlakken rust op de afgeschuinde bovenkanten der smalle kastwanden en daar omheen grijpt.

Nu nog een paar opmerkingen over het in gebruik stellen van ons bouwwerk.
Men kan een kleinen zwerm laten inloopen en ramen met kunstraat laten uitbouwen, of ramen met voorbouw, wat een heel aardig gezicht oplevert.
Ook is het mogelijk een broedaflegger in de kast te huisvesten, b.v. met een koninginnecel, hetgeen weer andere waarnemingen oplevert.
In ieder geval is het echter zaak, dat zoo'n klein volkje, wil het gedijen, met wat voer geholpen wordt; zeker in het begin en ook bij eenigszins langdurig slecht weer. Mij beviel de volgende voermethode het beste: Het glas, dat de uitloop bedekt, verving ik voor de helft door een passend stuk metaalgaas. Vlak hieronder legde ik in de uitloop een sigarettenblikje: dit kon ik dan door het gaas heen vullen met honing of suikerwater. Men kan ook op het gaas een met vloeibaar voedsel gevuld jampotje plaatsen, omgekeerd en met een doekje afgedekt. Trouwens, de kast leent zich tot allerlei eigen vindingen.

Ik voorspel U een prettig timmerwerkje en later een intens genot bij het gadeslaan van het intieme leven van Uw volkje.

HILVERSUM, Herfstmaand '40
CHR. H.J. RAAD.