Donkere Zomerhoning.
[vervolg van het artikel in het septemberno. van 1940]
In Nederlandsche Bladhoning doen slechts een paar soorten hun invloed gelden; zoover ik in het betrekkelijk geringe aantal bladhoningmonsters dat mij ter beschikking stond kon nagaan waren het in overgroote meerderheid Dematium en Cladosporium. Een voorgezet onderzoek van veel meer monsters, gepaard gaande met een onderzoek van de betreffende planten, waarop de bladhoning gehaald wordt, zal hier meer kennis en inzicht moeten brengen. In sommige streken zouden b.v. Coniothecium en Gyroceras ook van belang kunnen zijn.
Samenvatting. Voor wie dit opstel tot zoover gevolgd hebben, zal de beantwoording der twee in den aanvang gestelde vraagpunten, niet moeilijk meer schijnen. Toch zal de opzettelijke proef nog moeten uitwijzen, of onze gevolgtrekkingen, welke zoo vanzelfsprekend lijken ; n.l. dat de donkere kleur en de geleiachtige constitutie door de schimmels worden veroorzaakt, wel juist zijn.
Proef 1. Teneinde de invloed der roetdauwschimmels zuiver te kunnen bepalen, is het eerst noodig de andere invloeden, welke bladhoning donker kunnen kleuren, vast te stellen.
1. De door luizen afgescheiden zoetstoffen, de eigenlijke bladhoning, is, zooals reeds werd opgemerkt, niet constant van kleur. Het blijkt namelijk, dat de talrijke luizensoorten vaak sterk uiteenloopende stoffen uitscheiden, ook wanneer zij op dezelfde plant huizen. B.v. Trialeurodes geeft inplaats van Koolhydraten in de uitscheidingen Aminostikstofgroepen. Verder is de stofwisselingsintensiteit van iedere luis anders in verband met de temperatuur en de leeftijd van het diertje, wat van groote invloed is op de kleur en het watergehalte der uitscheiding, en onafhankelijk is van het vochtgehalte van de voedingsplant. Een zeer sterk voorbeeld geeft een Asopinae (een wants verwant aan de luizen) ; bij lage temperatuur zijn de uitwerpselen rood of zwartbruin, bij optimale temperatuur kalk-wit. Deze opmerkingen mogen voldoende zijn om aan te toonen, dat den luizen ook een invloed toekomt op de kleur van den bladhoning.
2. De in de plantensappen voorkomende stoffen, die niet door de luizen worden opgenomen, maar uitgescheiden worden, komt een groote, zoo niet de voornaamste, rol toe bij de kleurbepaling van den bladhoning. Uit de aard der zaak zullen deze chemische stoffen in een relatief hoog gehalte hierin voorkomen in een oneindige wisseling en menging invloed op elkaar uitoefenen, waarbij het licht en de zuurstof uit de lucht en later zeker ook de metalen voorworpen, waarmede de honing in aanraking komt, het hunne bijdragen. Zoo geeft het veelvuldig voorkomende Tannine (noot 1) met het ijzer en de phosfaten, waaraan bladhoning rijk is, alle kleuren van lichtbruin tot zwartig en van de vele galzuren is er één, die in verbinding met ijzer een groenkleuring geeft. Men ziet ; alle kleuren van bladhoning zijn reeds aanwezig. Deze kleuren kunnen tegen gegaan worden, zelfs verdwijnen door andere zuren; b.v. Appelzuur, Oxaalzuur e.a. Vooral deze laatste komt in plantensap veel voor en ook in de nektariën van de linde, zij het dan in den vorm van Calciumoxalaat.
De slijmen hebben eveneens, evenals de lipoiden uit de schimmels, een nog niet geheel bekende invloed op de kleur.
Het uitwerken der chemische samenstelling der bladhoningen moet een latere arbeid voorbehouden blijven.
3. Ook lichtwerking, z.g.n. optische verschijnselen, kunnen een donkere kleur doen zien, welke er eigenlijk niet is. Zoo geeft b.v. Dem. pull. in de kultuurbuizen een groenig-bruine schijn.
4. Blijft tenslotte de rol der zwarte roetdauwschimmels over, de eigenlijke proef 1.
Onder natuurlijke omstandigheden zullen de zwarte schimmeldeeltjes in uiterst fijne verdeeling in den honing terecht komen. Wil men dus kunstmatig roetdauwcultures of afschraapsel van bladeren met honing vermengen dan moet een dergelijke fijne verdeeling worden nagestreefd. Hier voor werden genomen blanke bladhoning van eschdoorn, lindehoning en klaverhoning. Het kleurenbeeld wordt nooit zooals van natuurlijke bladhoning, ook niet na langer staan. Het blijven zwarte puntjes in een andere middenstof, dus geen gelijkmatige verkleuringen. Tenslotte geeft de vergelijking tusschen het aantal der zwarte deeltjes, namelijk de slechts enkelen in echte normale bladhoning, en de enorme hoeveelheden welke kunstmatig moeten worden toegevoegd, om een donkere verkleuring te verkrijgen, de doorslag tot de gevolgtrekking : de donkere kleur der roetdauwschimmels heeft geen invloed op de donkere kleur van bladhoning.
Proef II. De gelatineeringsproef. Dezelfde indeeling volgende als bij de eerste proef, krijgen wij deze paragrafen:
De slijm. De slijm zelf toont met de betreffende reagentiën (o.a. Rutheniumrood, Chloorzink Jodium, Methylenblauw) de typische verkleuringen, welke aantoonen, dat het een mengsel is van Cellulose- en Pektineslijmen. Indien aleens Kalloseslijm aanwezig zou zijn, zou dit afkomstig kunnen zijn uit de afgestorven schimmeldeelen. (noot 2).
Hopelijk neemt een chemiker eens de invloed dezer slijmen in bladhoning ter hand. De bijzondere chemische samenstelling van honingdauwhoning met 19-21 elementen, waaronder zeldzamen, tegenover 9-11 elementen bij gewonen honing, rechtvaardigt de hooge waardeering, vooral uit een oogpunt der moderne voedingsleer.
Ook de oliën, welke uit de schimmels vrijgekomen in den honing terechtkomen, hebben een eigenaardigen invloed. Deze merkwaardige lipoïden zijn vrijzeker oorzaak, dat in bladhoning veel fosfor en ook Lecithine voor kunnen komen. Men denke aan de gunstige invloed van deze honingen op de hersenwerking en op het zenuwstelsel.
Andere gelatineringsinvloeden. De Dextrine, welke met relatief hoog procent in bladvorming voorkomt, heeft een verdikkende, stijfselachtige invloed.
Vele plantensappen bevatten zelf ook slijmstoffen en harsachtige stoffen, vooral de linde, deze komen ook in den honing terecht. De reeds vermelde eencellige Algen (Gloeocapsa) welke met een slijmlaagje omgeven zijn, komen regelmatig in alle bladhoningen voor, maar in te gering aantal om van beteekenis te zijn.
Als laatste komt de bekende slijmvormer, Leuconostoc mesenteroïdes, die de voedersuikeroplossingen, welke eenigen tijd zijn blijven staan in een slijmerige stroop verandert. Onder normale omstandigheden komt deze altijd in honingdauw voor maar schijnt geen of heel weinig invloed op den honing te hebben. Aangezien deze bacterie tot de Streptokokken behoort, waaronder ziektenverwekkers voorkomen, zou een uitgebreid onderzoek gewenscht zijn. Immers oude imkers zeggen, dat zulke slijmsuiker vergif is voor de bijen. Mogelijk is, dat pas alle invloeden tezamen leiden tot het typische beeld van donkeren dikken bladhoning. Voor de eigenlijke gelatineeringsproef werd echter genomen de meest voorkomende en intense slijmvormer Dematium pullulans (Reinculture afkomstig van reeds voren vermeld Centraalbureau V. Schimmelcultures). Van de vele voedingsbodems gaf mouth-agar-pruimen-suiker 30 % de beste resultaten, sterke groei en massa's slijm. De schimmel vraagt: veel lucht, hooge temperatuur, plm. 20-25° C en lage luchtvochtigheid bevordert sterk de vruchtvorming en slijmafscheiding. Deze eigenschappen moesten nauwkeurig inachtgenomen worden bij de proef op honingen en suikers en door parallelproeven de verdampingsinvloed worden geconstateerd.
Er werden gebruikt drie honingsoorten en twee suikers, terwijl de proef verdeeld is in een biologisch- en een physikalisch deel. Om langs zuiver mechanische weg, met gelijk cohaesievlak en constante trekkracht het slijmdradentrekkend vermogen in cijfermaten uit te drukken, mislukte, omdat hierdoor geen gegevens verkregen werden, die de geleiachtigheid uitdrukten.
De biologische proef bestond hierin, dat gelijke hoeveelheden substraat (in dikke druppels en als uitgestreken laagjes op glas) werden geënt met gelijke hoeveelheden (öse) Dematium- entstof. De substraten waren allen op 82% suiker gebracht en gemaakt van blanke eschdoornbladhoning, linde en klaverhoning, rietsuiker en laevulose. De groei was bij 18° C.-22° C. slecht, in de druppels nog slechter dan op de laagjes. Toch bleek na 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 dagen een toenemende gelatineering te hebben plaats gevonden en wel zoodanig, dat na 7 dagen alle substraten duidelijk stijf geleiachtig waren, de niet geënten onveranderd. Door zeer stevig doorroeren werd alles dunner. Deze stoffen aan bijen gegeven, werden gretig opgenomen.
De physikalische proef bestond hierin, dat dezelfde substraten als bij de biologische direkt met een stijgend aantal ösen Dematiumslijm werden vermengd. Reeds direkt treedt dan ook een stijgende gelatineering op, welke na eenige dagen nog sterker wordt.
Hieruit moet besloten worden, dat de slijmen der roetdauwschimmels een groote invloed hebben op de geleiachtige, moeilijk slingerbare, consistentie van den bladhoning.
Dit zijn zeer in het kort de resultaten van een onderzoek, dat eenige maanden in beslag nam, alles samenvattende komt met tot deze gevolgtrekkingen:
1. Evenals men niet enkelvoudig van bloemenhoning kan spreken, maar de groote verscheidenheid dwingt te spreken van bloemenhoningsoorten (-honingen), moet ook voor bladhoning in het vervolg een meervoudsvorm gebruikt worden. Men verstaat onder honing geen verzamelnaam, de leek denk: honing is honing, de imker weet wel anders.
2. Het biologisch-botanisch-chemische karakter van bladhoning (en) maakt het noodig bij een eventueele honingbeschermingswet, de verschillen met bloemenhoningen in acht te nemen.
3. Bladhoningen hebben een hooge waarde.
4. De botanische bestanddeelen in bladhoningen komt slechts een geringe rol toe bij deze waardebepaling.
5. Zij zijn wel oorzaak van de technische moeilijker verwerkbaarheid, door hun invloed op de gelatineering.
6. Zij hebben geen invloed op de kleur.
Noot 1. De bekende Tanninemethode van Delage om eieren (b.v. zee-egeleieren) tot parthenogenetische ontwikkeling aan te zetten, doet de vraag rijzen, of Tannine ook bij de honingbij een invloed in deze toekomt.
Noot 2. Lit. o.a.: Mangin, L., Bull. de la soc. bot. de France 1894, 1898 ; Grafel V., in Abderhalden, Biochemisches
Handlexicon, Bd. II, 1911. S. 1-113; Schmidt, F.W., Bau u. Funktion d. Siebröhre der Angiospermen, Jena 1917.
LAREN (N.-H. )
F.W. BEEKHUIS VAN TILL.