Heide en Bijen.


Nog steeds vormt de struikheide (Calluna vulgaris) in vele streken van ons land de voornaamste drachtplant voor den nazomer. Het is een bekend feit, dat het aantal heidevelden vooral in den loop der laatste jaren aanmerkelijk is verminderd, door het groot aantal ontginningen, die, mede ter bestrijding van de werkeloosheid veelal in werkverschaffing werden uitgevoerd, om tegemoet te komen aan de groote vraag naar nieuwe cultuurgronden. Om slechts naar de cijfers voor Drenthe te zien: het aantal H.A. heidevelden bedroeg in deze provincie in 1890 nog 144.000 H.A., in 1915 nog 115.000 H.A., terwijl deze oppervlakte in 1938 was geslonken tot slechts 60.000 HA., een vermindering dus in die laatste bijna 25 jaren van niet minder dan 55.000 H.A, of een gemiddeld verlies aan heideveld per jaar van ruim 2200 H.A.

Zoo zien wij alom in ons land deze voorname drachtplant steeds meer van het tooneel verdwijnen, tot groote schade niet alleen van onze bijenteelt doch ook van het Hollandsche landschapsbeeld. Gelukkig, dat door de bemoeiingen van de Vereeniging tot behoud van Natuurmonumenten, de Bond Heemschut en meerdere provinciale vereenigingen tot behoud van natuurschoon, zeer veel is en nog bij voortduring wordt gedaan om ook karakteristieke, uitgestrekte heidegebieden als natuurreservaten te bewaren.

Maar hoe is het met de heidevelden gesteld, die er nog zijn? Heel vroeger, toen de schapenteelt nog van beteekenis was, was er wel mooie, jonge heide, die uit flinke, lange scheuten bloeide. De schapen zorgden voor een kort gewas, terwijl de mest van deze dieren er toe bijdroeg, om flinke scheuten te verkrijgen. Deze tijd ligt ver achter den rug, met als gevolg, dat op vele heidevelden een oud, houtachtig, lang gewas is uitgegroeid, dat meestal zeer korte bloeischeuten maakt. Voor we met onze bijenvolken naar de heide trekken, gaat daaraan vooraf een bezoek aan de heidestreken, om een zoo goed mogelijke plaats uit te zoeken en dat valt de laatste jaren niet mee. Door de strenge winters van de laatste jaren heeft vooral die oude heide veel geleden. Zijn het voorjaar en den zomer droog, dan is een zeer schraal scheutgewas het gevolg, zoodat van een rijke bloei geen sprake is. Dan is er vooral in de laatste jaren in verschillende heidestreken de schade door het zgn, heidehaantje veroorzaakt - het bruin worden van soms geheele velden - nog bijgekomen. Het is tegenwoordig een heele tref om mooie, groote stukken jonge heide met lange bloemscheuten te vinden. Daar, waar de heide enkele jaren terug is afgeplagd - welk afplaggen tegenwoordig weinig meer plaats vindt - en vooral daar, waar een paar jaren terug de heide afgebrand is, is weer mooie jonge heide ontstaan en dat zijn de plaatsen die we bij voorkeur opzoeken om onze bijenvolken in de buurt te plaatsen.

In dit verband is bij ons de vraag gerezen, of het niet mogelijk zou zijn, af en toe hier en daar kunstmatig de oude heide te verjongen, om zooveel mogelijk verzekerd te zijn van een goede bijenweide. Wij kwamen op dit idee, toen we onlangs in de krant lazen, dat men in Denemarken er toe was overgegaan, de heide op groote schaal te maaien om daaruit veevoeder te persen. We weten wel, dat op enkele plaatsen in ons land ook afgemaaide heide als veevoeder wordt gebruikt, doch waar wij ook thans nog over vrij voldoende hooi en stroo beschikken en deze heide kunnen vervangen, zal van het afmaaien van de heide voor veevoeder hier wel niet veel gebruik worden gemaakt, terwijl als vervanging van krachtvoer heide ook niet in aanmerking komt.

Maar zou de mogelijkheid niet bestaan, dat men hier en daar, gemeenschappelijk optredend, iets zou kunnen bereiken? De heidevelden als zoodanig brengen hoegenaamd niets op, of het mocht zijn op enkele plaatsen voor wat bezemheide; dus schade ondervinden de eigenaren niet wanneer hun heidevelden, mits systematisch en oordeelkundig, gemaaid of afgebrand zouden worden, integendeel zou zelfs het heide-tapijt een mooier aspect kunnen krijgen.

Terzake van de kwestie afmaaien of afbranden hebben we ons licht eens opgestoken bij de Nederlandsche Heide-Maatschappij te Arnhem. Het afbranden van heide brengt bezwaren met zich mede, In de eerste plaats is daarvoor een vergunning van de betrokken gemeente noodig. Dan dienen er strenge voorzorgsmaatregelen te worden genomen, teneinde het overslaan van het vuur naar andere perceelen te voorkomen. De HeideMaatschappij acht echter bij het treffen van een goede beveiliging afbranden van heide wel mogelijk, De meest geschikte tijd voor dit branden, met het oog op het weder uitloopen van de heide, wordt het voorjaar geacht.

Wat het maaien van heide betreft, diene, dat hooge heide niet met een maaimachine is te maaien, Men moet daarbij gebruik maken van een zgn. plaggen-zeis (een zware zeís). Voor maaien behoeft niet een bepaalde tijd in acht te worden genomen, alleen doet men het natuurlijk niet tijdens de bloeitijd en ook is het beter, het niet in het late voorjaar te doen. Overigens maakt het - aldus de Heide-Maatschappij - niet veel uit of het voor of na den wintertijd geschiedt.
Wie daartoe in de gelegenheid mocht zijn, een aardig heideveldje om of bij huis aan te leggen, dient daarvoor gebruik te maken van dikke plaggen (minstens 10 cM.) van jonge heide, dus getakt materiaal. Men legge deze plaggen tijdig in het voorjaar, waarbij onder de plaggen een laagje vochtige turfmolm wordt gebracht, Dus geen oude of afgemaaide plaggen gebruiken. Om een dergelijk heideveldje mooi te houden, moet men het elk jaar afmaaien, wat met een handmaaimachine kan geschieden. Het zaaien van heide heeft meestal weinig succes, daar de grond daarvoor aan bepaalde voorwaarden moet voldoen.
G.J. Pannekoek