VRAGENRUBRIEK.


Alle vragen worden zooveel mogelijk in een volgend nummer beantwoord. Zij moeten daartoe tijdig bij dhr. G. J. Lankkamp te Bathmen zijn binnengekomen. De vragenredacteur bepaalt of het antwoord direct zal volgen of tot een volgend nummer kan blijven wachten.
In bizondere gevallen (nl. indien een antwoord spoed vereischt en niet tot het e. v. nummer kan wachten), kan een vraag rechtstreeks en schriftelijk worden beantwoord, mits postzegel is bijgesloten.


Vraag 10. Het vorige najaar kreeg ik een paar afgesalpeterde bijenvolken cadeau. Ik heb deze bij elkaar in een kast gedaan en met suikeroplossing gevoerd.
Is het waar, wat men mij verzekerde, dat ik van deze gesalpeterde bijen weinig plezier zal beleven? Tijdens de voedering haalde het verLenigde volk nog volop stuifmeel (en waarschijnlijk dus ook honing) van herik enz. Toen was het volk dus, naar het scheen, nog in goede conditie.
B. D. te A.
Antwoord: Wanneer Uw salpeterbijen bij de herfstvoedering reeds blijken gaven van activiteit, dan zult U stellig geen vrees behoeven te hebben. Er blijkt toch uit, dat het salpeteren goed is gebeurd, d.w.z. niet te lang, en dat, geen te groot percentage der bijen schadelijke gevolgen van de salpeterdamp heeft ondervonden. In dat geval heeft stellig ook de moer niet geleden, omdat deze, zelfs bij te lang salpeteren, minder dan de bijen last ondervindt. Het kan zijn, dat een salpetervolk, ook als het geheel naar de regelen is bewerkt, in 't begin wat bijen verliest die teveel van de bedwelming hebben geleden. Dit verlies zal Uw dubbelvolk wellicht in 't najaar reeds hebben ingehaald. Ik zou over het opgevoerde volk geen zorg maken. Wie U verzekerde, dat U er weinig plezier van zult beleven, heeft misschien ervaring opgedaan met niet goed gesalpeterde volken?

Vraag 11. Dit najaar zag ik voor een korf nog een vrij groot aantal darren. Kan er met dit volk iets verkeerds aan de hand zijn?
K. H. te E.
Antwoord: Als het aantal vliegende darren werkelijk van beteekenis was, moet U dit volk dit voorjaar zeer stellig in 't oog houden. Dat in een volk enkele darren overwinteren komt meer voor dan men wel denkt. Is dit aantal echter zoo als uit Uw vraag blijkt, dan zijn er verschillende mogelijkheden
1e. Kan het volk moerloos zijn en eierleggende werkbijen hebben. In dit geval doet U verstandig, het, zoodra het weer zulks toelaat, bij een ander te voegen, met toepassing van U wellicht bekende maatregelen bij een volk met eierleggende bijen.
2e. Kan het volk zonder dat U het heeft bemerkt van moer gewisseld hebben. Zoolang de dan gekweekte jonge koningin onbevrucht is, houdt het volk zijn darren.
3e. Kan de koningin onbevrucht gebleven zijn of een gebrek hebben, waardoor ze alleen darreneieren kan leggen. In dit geval kreeg U dan najaarsdarren inplaats van werkbijen en moet zoo spoedig mogelijk het volk, na verwijdering dezer koningin, bij een ander.
4e. Is er nog een kleine mogelijkheid, dat door de herfstvoedering, gepaard vooral met stuifmeeldracht nog darreneieren zijn gelegd door de moer.

Vraag 12. Na afloop van de heidedracht 1940 heb ik een flinke partij zware Simplexramen niet kunnen slingeren, zoodat zij nog precies zoo in de bakken staan, als ik ze toen uit de kasten haalde. Vóór half Februari heb ik geen gelegenheid, dit zaakje verder te behandelen. Kan ik die ramen dan nog slingeren en zoo ja brengt dit dan bijzondere moeilijkheden mee, of heb ik dan bijzondere maatregelen te treffen. Indien niet meer geslingerd kan worden, hoe verwerk ik dien honing dan het best ? H. de H. te E.
Antwoord: Indien Uw honing uitsluitend heidehoning is, dan kan het zijn, dat er met slingeren nog wat, en misschien een groot percentage, te redden is. Wanneer de honing niet of maar zeer weinig in de raat is gaan kristalliseeren, dan zou ik slingeren stellig probeeren Heidehoning, die gekristalliseerd is of begint te kristalliseeren wordt meestal een zeer grof-korrelige substantie. Zit in Uw honing nog al wat van andere drachtplanten, dan kan de kristallisatie wellicht te ver gevorderd zijn. Dit hangt zeer veel af van de temperatuur op de bewaarplaats. De toestand van Uw oogst moet U dus zelf beoordeelen, tenzij U mij een stukje in de raat wilt toezenden. Vóór het eventueel slingeren moet U in ieder geval de raampjes een paar dagen in een vertrek met hooge temperatuur brengen, terwijl vooral ook in een zeer verwarmd vertrek moet worden geslingerd, nadat de raampjes extragoed met een kolbtoestel zijn behandeld.
Lijkt U, dat met slingeren niet veel meer te bereiken zal zijn, dan zou ik, indien U liefst de raten wilt behouden, de raampjes na de zomerdracht vrij ruw ontzegelen en ze dan hangen boven de honingkamer van een zeer sterk volk. De bijen verwerken dan Uw honing nogmaals en met weinig verlies. Deze methode heeft mij en anderen steeds goed voldaan ; zorg echter, dat U, om rooverij te voorkomen, de raten slechts geeft aan zeer krachtige volken.

Vraag 13. Kunt U mij een gemakkelijk middel aanbevelen om een volk, dat ik in een korf ten geschenke kreeg, over tel huizen in een kast? En wanneer moet ik dat ongeveer doen?
B. J. K. te L.
Antwoord: Een methode, die steeds succes heeft als er geen al te lange periode van weinig dracht volgt is deze:
Begin in 't voorjaar straks al met Uw korf op de bodem van de kast te plaatsen en maak het vlieggat van den korf dicht, zoodat de bijen slechts over de bodemplank kunnen in- en uitvliegen. Wacht nu tot het volk den korf tot onderin bezet, dus tot het volk de zwermhoogte nadert. Dan zet U op de bodemplank de broedkamer van de kast, liefst met uitgebouwde raten, anders met kunstraat of wat stukjes voorbouw, en hier bovenop den bevolkten korf. Meestal na vrij korten tijd zal het volk in de kast gaan werken en zal meteen ook de moer de gereedgekomen cellen beleggen. Een en ander loopt echter op een tegenvaller uit, als het volk in den korf niet tot op de bodemplank zat Was dit dus niet het geval, dan kunnen onder van de korf één of twee randen worden weggesneden. Zoodra de koningin in de kast aan den leg is, legt men tusschen kast en korf een koninginnerooster, doch niet dan nadat men de koningin in de kast werkelijk gezien heeft. Een en ander moet met zorgvuldigheid geschieden opdat tusschen korf en kast geen "vliegopeningen" ontstaan.
Na verloop van ± een maand is de bovenstaande korf ruim vrij van bijen- en darrenbroed en kan deze bij flinke dracht een mooie honingoogst geven (geperst of geslingerd in labor-doos).
Behalve de hier gegeven methode zijn er voor Uw doel nog andere. Aan de boven omschreven wijze zult U echter waarschijnlijk het meeste hebben.

Vraag 14. Welke methode voor zwermverhindering en gelijktijdig honinggewin is naar U meent het meest aan te bevelen, de separatiemethode of de omhang-methode?
G. S. te E.
Antwoord: Beide methode's zijn goed, maar het hangt er van af, of de volken staan in een streek met voor-zomer- of met late dracht. Zwerm-verhinderend zijn echter geen van beide manieren, wel zwerm-remmend. De separatie-methode is het meest geschikt daar, waar in den voorzomer weinig honinggewin is, terwijl de omhangmethode meer geschikt is voor streken met vroege dracht, al of niet gevolgd door late dracht. Het omhangen geschiedt daar (o.a. in mijn omgeving, waar vroege en late dracht zijn bij gunstig weer) zoodra de volken de broedruimte ongeveer in gebruik hebben, dus vóórdat de volken geheel zwermrijp zijn. Separeeren geschiedt als de volken geheel zwermrijp zijn. Men wacht den voorzwerm af of maakt een kunstmatige zwerm.

Vraag 15. Ik wilde graag van het voorjaar mijn kasten schilderen. Hoe kan ik dat het beste doen, zonder bijen te verliezen en ze toch netjes in de glansverf te krijgen.
D. v. E. te H.
Antwoord: Zie het antwoord op tweede vraag, van H. L. te W. in
dit nummer Kunt U het niet op de aanbevolen manier, dus door af en toe één of meer kasten te verven, dan zal de beste weg zijn, telkens na de dagvlucht één of meer kasten met sneldrogende verf te bewerken.

Vraag 16. Ik moet mijn bijenstand 100 M. verplaatsen en wilde dit doen na de groote reinigingsvlucht. Is het zoo vroeg in het voorjaar - de bijen vliegen dan naar ik verderstel niet zoo ver uit - voldoende als ik ze tijdelijk 3 K.M. van huis breng?
Hoe lang moet ik ze op de tijlijke plaats laten staan?
F. J. W. te N.
Antwoord: Voor Uw vraag verwijs ik U even naar de 1e vraag in het Jan.-nummer behandeld. Kunt U nu reeds de bijen verplaatsen, dan volgt U een nog veiliger weg dan bij verplaatsing na de reinigingsvlucht. Wanneer U de bijen 3 K.M. van huis brengt, dan zal dit bij de 1e verplaatsing stellig zonder bijenverlies verloopen. Gevaarlijker wordt dan echter, een week of 3 à 4 later, de terugbezorging naar Uw bijenstand, omdat dan bijna zeker de bijen op hun tijdelijke standplaats grootere uitvluchten zullen hebben gemaakt.

Vragen voor de lezers (niet ter beantwoording in deze rubriek doch ter overdenking) :
1. Waarom heeft een dar nooit een vader gehad en toch wel een grootvader?
2. Hoeveel grootvaders heeft een koningin gehad ? En hoeveel grootmoeders?
3. Hoe komt het, dat de werkbijen en de koningin hun vader nooit kunnen ontmoeten?
Wie van de lezers zendt mij meer van dit soort vragen (ter overdenking)

G.J. LANKKAMP.