UIT DE JAAGKIEPS.
De chef van de Zwitsersche rassenteelt Dr. Hunkeler ziet de toekomst donker in. Hij begint zijn jaarverslag in de
Schweizerische Bienenzeitung 1941/1 met:
"Wegens afwezigheid van den chef.-— van vele imkers .... in militairen dienst werd het bevruchtingsstation niet geopend", zoo ontving hij talrijke mededeelingen. Door de mobilisatie werd de uitvoering van vele goed bedoelde plannen verhinderd. Deze onderbreking is zeer begrijpelijk. We moeten echter bedenken dat elke onderbreking in de teelt nadeelig werkt op het geheel. Jammer genoeg werd ons werk reeds gedurende drie jaar bemoeilijkt; eerst door de besmettelijke veeziekte en vervolgens door de mobilisatie. Bovendien hielpen nog slechte honingjaren de vreugde in het bijenhouden ondermijnen.
Wat zal het jaar 1941 brengen? Wij willen niet profeteeren, maar het is bijna niet te denken dat dit jaar ons rustig en ongestoord aan de koninginneteelt zal laten. En dan te weten dat een vierjarige onderbreking de moeiten en resultaten van tientallen jaren ongedaan kan maken. Laten wij hopen, dat Dr. Hunkeler's pessimisme niet waar wordt.
In hetzelfde nummer de volgende aardige zin uit een advertentie:
"Wij, imkers, zijn in dezen droeven tijd nog de eenigen, die de menschen het leven verzoeten".
---
Uit diverse Duitsche Imkersbladen blijkt, dat 1940 geen goed honingjaar is geweest. Uit "Die Hessische Biene" is het volgende genomen uit een artikel van een veteraan uit Eschwege (1941/1):
"Het is voor een 81-jarigen imker met 52 jaren practijk geen verheven gevoel, een overzicht van het afgeloopen bijenjaar, het slechtste der 52 te geven. Het was voor vele imkers onmogelijk hun volken in het begin van Juni op de vereischte sterkte te hebben om de zomeroogst binnen te halen. De volken waren door den langen winter zeer verzwakt en teerden in het voorjaar de resten van de winterprovisie snel op en het gelukte hen niet in de komende weken gedurende enkele vlieguren, van buiten het benoodigde voor de ontwikkeling in te dragen, want alle vroegbloeiers als kruis- en trosbessen en pruimen waren bevroren en dor, bovendien waren 70% der appelen pereboomen dood. Enkele bloeiende kersen werden niet bevlogen, de bloesem viel spoedig af, de vrucht had zich niet gezet.
Men moest bijvoeren, maar de suiker was in het najaar opgevoerd. Het raapzaad was ook bevroren. Eerst toen de abrikoos en braam begonnen te bloeien, brachten de bijen iets in, maar het was te laat om de volken sterk te maken. De lindebloei bezielde de imkers met nieuwe hoop, maar het was weer mis; deze keer was het natte gure weer, dat een oogst verhinderde.
---
In de Jaagkieps 1940/2 deelde ik U mede, hoe een imker in Californië met zijn bijen reisde, zonder een reisraam te gebruiken. Indien U uit dit artikel niet gelezen heeft, dat deze imker met open vlieggaten reist, dus de kasten oplaadt, zooals ze staan, alleen eerst wat rook binnen blaast, dan heb ik U verkeerd ingelicht. Ik had het bericht overgenomen uit The British Beeworld, het was zeer beknopt, maar in The American Beejournal 1939/11 komt een uitvoeriger artikel van dezen bijenhouder voor, waaruit ik het volgende weergeef.
De schrijver deelt mede, dat hij in de lente van 1926 600 volken gebracht had naar een streek om de salie te bevliegen. Deze oogst mislukte en door omstandigheden moest hij zijn volken met spoed 85 mijl vervoeren. De kasten stonden aan het einde van een nauwe kloof en de weg daarheen had vele scherpe bochten, zoodat men niet
met den aanhangwagen aan de auto bij de bijen kon komen, Men zou eerst met de auto een vracht halen en deze bij den ingang van de kloof op den aanhangwagen overladen. Om 2 uur in den middag werd hiermede begonnen, daar het warm weer was (Juni) werden, voordat het gaas voor het vlieggat werd geplaatst, de bijen naar binnen gerookt en een kop water naar binnen gegooid om de bijen af te koelen. Op weg naar de aanhangwagen begon men al spoedig de bijen te ruiken, een teeken, dat zij warm liepen. Bij den treiler gekomen werden de kasten hierop vlug overgeladen en de vlieggaten geopend. Toen men vier uur later met de auto terugkwam waren de witte kasten op den aanhangwagen zwart van de bijen, zij hingen in groote trossen aan de kasten en aan het wagenframe. Men probeerde ze naar binnen te rooken, maar dat lukte niet en ten einde raad werd de auto aan de trailer gekoppeld en met een angstig hart de reis ondernomen. Laat in den nacht werd halt gehouden om eenige uren te rusten, De bijen in de gesloten kasten huilden,de andere waren rustiger. Men gaf zich uit angst voor de bijen maar weinig rust en ging spoedig weer op weg, De kasten waren wel niet meer zwart van de bijen maar er hingen nog groote klompen aan. Bij het aanbreken van den dag moesten nog 20 mijl worden afgelegd en de zon scheen toen men op de plaats van bestemming aankwam. De laatste 45 meter moesten met een kruiwagen worden afgelegd. Eerst werden de gesloten kasten vervoerd. Eenige kasten waren niet geheel bijendicht en de bijen die hieruit kwamen waren zeer kwaadaardig. leder liep ongeveer een twaalftal steken op. Voordat men met de open kasten begon werd even gepauseerd om moed te vatten, Bij het naderen van de trailer bleek dat er tal van bijen rond de kasten vlogen en met veel rook werd de karwei aangepakt. Na 5 ritten had men nog geen steek opgeloopen en dat bleef zoo tot dat alle kasten geplaatst waren. Na opening der vlieggaten bleek, dat deze kasten veel meer van het transport geleden hadden dan de andere.
Nadat men nog twee auto-ladingen overgebracht had kwam men op het idee, dat het veel eenvoudiger zou zijn de kasten open te vervoeren. Een proef werd genomen en deze slaagde zoo goed dat men daarna nooit meer een kast sloot.
De schrijver besluit zijn artikel:
"Er zijn imkers die vermoeden, dat er een groot aantal bijen zou afvliegen en verloren gaan. Dit is niet het geval, want zoodra de auto in beweging komt gaan de bijen zitten en schijnen van het tochtje te genieten, hetgeen zeker niet het geval is als zij opgesloten zitten. Neem eens een proef met een paar open ladingen en gij zult ook de reisramen weggooien".
De uitgever van het blad geeft de volgende noot: wij hebben ook bijen over een korten afstand met hetzelfde resultaat vervoerd. Maar wij hebben nooit bijen vervoerd bij daglicht van de eene plaats naar de andere, om zoodoende gevaar te loopen stil te moeten houden voor het verkeer of oliepompen. In dat geval gebruiken we zoowel
boven en onder gaas. We hebben bevonden, dat het verplaatsen van bijen bij koel weer zonder de kast op eenige wijze te behandelen, zeer afdoend is.
Ik geloof niet dat er een Hollandsche imker is, die het aan zou durven eenige kasten met open vlieggat mede te nemen. Toch is het mij overkomen dat ik op een avond een marktkastje achter op mijn rijwiel had geplaatst, waarvan ik het vlieggat met gras had afgesloten. Onderweg was ik afgestapt en had me eenigen tijd opgehouden. Toen ik weer vertrok bleek, dat het vlieggat openstond, zonder dat er bijen naar buiten waren gekomen.
---
In het welbekende Verkade's Album "de Bloemen en haar vrienden" noemt de schrijver ook het werk van den Duitschen onderzoeker uit het laatst van den 18en eeuw C.K. Sprengler "Das neu entdeckte geheimnisse der Natur im Bau und in der Bevruchting der Blumen". Dit boek verscheen in 1793 maar bleef toen onopgemerkt. Het werd later door den beroemden Engelschen onderzoeker Darwin naar voren gebracht. Dr. Koch wijdt in zijn boek "Die Groszmeister und Schöpfer unserer Deutschen Bienenzucht" een hoofdstuk aan zijn landgenoot. Sprengler heeft nog een boek geschreven "Die Nützlichkeit der Bienen und die Notwendigkeit der Bienenzucht, von einer neuen Seite dargestellt". Dit werk dat in 1811 verscheen, verging het als het eerste totdat Prof. Krause het in 1918 opnieuw uitgaf. Sprengler wees reeds op het nut van de bevruchting der verschillende gewassen door de bijen. Hij onderzocht eens het aantal zaden van rijpe boekweit en vond, dat van 355 bloempjes slechts 39 zaden waren gegroeid. Men schreef dit toe aan den slechten grond of aan het weer, maar S. merkte op, dat er slechts weinig bijenvolken aanwezig waren. S. zegt verder: "Zoo vaak men een wit hemd aantrekt, moet men even dankbaar aan de bijen denken, want wanneer deze er niet waren, zou het vlas of in het geheel niet te bekomen zijn of zoo zeldzaam en duur zijn, dat de meeste menschen hennepen hemden zouden moeten dragen". Een eigenaardig gebruik haalt S. verder nog aan: In de Altmark werd veel boekweit verbouwd en de imkers van de Lüneburger-heide kwamen met hun volken elken zomer en gaven deze aan de Altmarkers tegen een klein bedrag in de kost. De Lüneburgers dachten, dat zij het meeste belang hierbij hadden maar zij vergisten zich, het grootste voordeel hadden de Altmarkers. De honingen wasoogst is niet het hoofddoel van de bijenteelt, dat is de bevruchting der bloemen en het voortbrengen van grootere oogsten. De bijenteelt zou zelfs zonder de honingoogst moeten worden uitgeoefend en het zou niet mogen voorkomen, dat in slechte honingjaren het aantal volken verminderde. S. trok ook van leer tegen het afzwavelen der stokken, hetgeen hij een dubbele misdaad noemt; nI tegen de bijen en tegen de gemeenschap.
---
Volgens een krantenbericht heeft Bulgarije de bijenteelt op een postzegel in beeld gebracht. We zien van een bijenstand vijf kasten, op zijn Amerikaansch opgesteld. Bij een geopende kast staat de imker zonder kap of pijp met een raampje met bijen in zijn hand. De maat van dit raampje is grooter dan van onze Simplex (volgens the Beeworld wordt de Dadant-Blatt-kast in Bulgarije gebruikt). De kasten staan vlak voor elkander, maar dat zal wel gedaan zijn om zooveel mogelijk kasten op de postzegel te kunnen vertoonen. Het is een aardige zegel.
Jekavé