Gemachtigde op het gebied van de Bijenhouderij voor de herordening van het Vereenigingswezen.
Van den commissaris voor niet-commercieele Vereenigingen en Stichtingen kregen wij de mededeeling, dat tot zijn gemachtigde op het gebied van de Bijenhouderij voor herordening van het Vereenigingsleven is benoemd dhr. Chr. H.J. Raad te Hilversum en wel met ingang van 25 Augustus 1941.
Naar aanleiding van eenige besprekingen, gevoerd met vertegenwoordigers van de drie samenwerkende bijenhoudersorganisaties, heeft de Commissaris voor niet-economische vereenigingen en stichtingen het noodig geoordeeld om iemand als zijn gemachtigde aan te wijzen, die in het bijzonder de taak zal hebben om de totstandkoming van den Bedrijfsraad, overeenkomstig de zijnerzijds gestelde eischen, te bevorderen. De opdracht aan den Heer Raad beperkt zich mitsdien tot het terrein van de herordening van het vereenigingswezen der bijenhouderij. Gelet op de principieele wilsovereenstemming, welke er tusschen de Zuidelijke bonden en ons ten aanzien van de toekomstige vorm onzer samenwerking bereids is ontstaan, mag worden verwacht, dat de Heer Raad ten deze slechts adviseerend en stimuleerend zal behoeven op te treden. In hoeverre uitbreiding zijner bevoegdheid buiten het kader van het vereenigings- en stichtingswezen, noodzakelijk zal blijken, hetgeen een door den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied of krachtens diens machtiging door het hoofd van het departement belast met de zaken van den Landbouw te verleenen opdracht tot regelende bevoegdheid op het eigenlijke terrein der bijenteelt veronderstelt, zal wel in hooge mate afhangen van de vraag of de thans in de stichting tot cooperatie vereenigde bijenhoudersorganisaties voldoende medewerking zullen blijken te verleenen aan de eischen van voedselvoorziening, welke de oogenblikkelijke oorlogstoestand ook aan de Nederlandsche imkers stelt. Voorloopig ligt het echter niet in de bedoeling om zelfstandigheid der erkende organisaties door het instellen van een super-instantie naast de te stichten bedrijfsraad, tegen hun wil nog meer in te perken of wellicht geheel op te heffen. Dit beteekent echter niet, dat men van de zijde der huidige overheid niet evenzeer als bij ons de meening is toegedaan, dat één nationale vereeniging van bijenhouders, omvattende allen, die bij de bijenteelt betrokken zijn, voor de toekomstige bloei der vaderlandsche bijenhouderij een onmisbare eisch is en blijft. Wij hopen daarom vurig dat een benoeming van een Regeeringscommissaris voor het bedrijfsleven der bijenhouderij niet noodzakelijk zal blijken, omdat de bedrijfsgenooten gezamenlijk tijdig zullen hebben ingezien, dat een algeheele fusie in vrijheid tot stand gebracht, verre te verkiezen valt boven dwang van boven af. Op de consequenties, welke voor onze vereeniging van de benoeming van den Heer Raad te verwachten zijn, hopen wij in ons volgend nummer terug te komen.
Wij kunnen nog mededeelen, dat dhr. Raad Voorzitter is van de afd. Gooiland van onze Vereeniging. Van zijn hand plaatsten wij eenige publicaties in ons Orgaan. Men herinnert zich misschien wel het art. over "De Raad-Tweeling".
De Heer Raad verzocht ons onderstaand schrijven onder de publicatie van zijn benoeming te willen plaatsen. Wij voldoen hierbij aan zijn verzoek. REDACTIE.
IMKERENDE LANDGENOOTENI
Bovenstaande benoeming zie men allereerst als een stap op den weg tot samenwerking en samenbinding van allen, die bijenteelt bedrijven, hetzij om steeds weer te genieten van het wonderlijke leven dezer insecten, hetzij om uit dit bedrijf wat bijverdienste te halen. Op het buitenblad van ons Groentje hebben we het zoo vaak hoopvol gelezen: dat één nationale imkersvereeniging ons ideaal was!
Wat kan er, als we het samen eens zijn geworden, een kracht van ons uitgaan! Wat kan er veel moois en goeds geschieden ten bate van onze geliefde bijenteelt! Wat kunnen we haar vooruithelpen, theoretisch en practisch! En dat zullen we immers, al moeten we er ons opofferingen voor getroosten, opofferingen van geld en van heilige huisjes misschien!
En juist nu we deze idealen koesterden, komt daar de eisch tot inlevering van onzen honing en al wat daaraan vastzit!
Laten we allereerst begrijpen, dat een revolutie welke gansch Europa op zijn oude grondvesten doet schudden, ja welke de heele wereld beroert en verandert, toch onmogelijk alleen in ons kleine landje alles bij het oude kon laten. We moeten mee vooruit! En als goede vaderlanders willen we dit ook. Worden er opofferingen van ons gevraagd, welke toch in 't niet zinken tegenover die van de mannen, die hun leven geven op de bloedige slagvelden, dan willen wij imkers ons aandeel bijdragen en, indien noodig. voor het algemeen welzijn, onzen honing afstaan, waarover we liever naar eigen inzicht hadden beschikt zooals vroeger. Maar ook zijn wij als arbeiders ons loon waardig. Hopen wij, dat over den prijs, waarvoor we onzen oogst moeten leveren en over het gedeelte, dat we zelf mogen houden, nog te praten zal zijn. En laten we dan ons schikken naar wat ons wordt gevraagd, in volle medewerking!
Scharen wij ons vol vertrouwen achter onze leiding. Die heeft al meermalen bewezen onze belangen te willen len en te kunnen behartigen. Dan gaan wij tezamen een ook voor de bijenteelt nieuwen en beteren tijd tegemoet! HILVERSUM, 26 Augustus 1941. CHR. H. J. RAAD.