EEN ZIEKTE VAN DE BIJENKONINGIN.
Van den heer Joh. A. Joustra te Amersfoort werd een koningin ontvangen, in een fleschje met brandspiritus. Deze koningin werd in September 1940 geboren in een moerloos gemaakt volk en legde sedert haar geboorte geen eieren. „Het volk kwam zeer goed en vrij sterk de winter door en bleef een 4-6-tal raampjes bezetten. Het haalt honing en stuifmeel, hoewel niet zoo ijverig, en is van een normaal volk niet te onderscheiden, zij het dan, dat op sommige raten geknoei ontstaat door aanzetten van wat dikke moerdoppen enz." Aldus de heer Joustra in een begeleidend schrijven. Eitjes of broed kwamen in het volk niet voor.


Zieke koningin. Foto J. Mommers.[----------] Gezonde koningin.Naar Snodgrass.
Een merkwaardig geval dus: Een koningin, in een matig sterk volk, die geen eieren legt. Bij onderzoek bleek, dat het ook volkomen onmogelijk was, dat ze ooit eieren zou leggen. Van buiten was aan de moer niets bijzonders te zien. In de achterlijfsopening vond ik een witachtige, harde massa, die de opening gedeeltelijk afsloot. De angel was normaal in vorm en ligging. Bij het verder onderzoek kwam echter nog meer aan het licht. De eileiders, die in normale koninginnen uit vrij dunne buisjes bestaan, waren hier zeer sterk opgezwollen. (Zie afbeelding.) De eierstokken zagen er normaal uit, ze waren alleen wat kleiner dan van een goed leggende moer. Het zaadblaasje was gevuld met normale sperma, zoodat de koningin ook bevrucht was.
Getracht werd nu om vast te stellen wat de oorzaak van het zeer sterke zwellen der eileiders was. Daartoe werd de inhoud van een der eileiders microscopisch onderzocht. Door de zeer vaste opeenpakking was het echter niet mogelijk om eenige structuur er in te ontdekken. Ook het propje in de achterlijfsopening was een structuurlooze, harde massa.
In ons land is tot dusverre, voor zoover mij bekend, nooit een dergelijk geval geconstateerd. In de buitenlandsche literatuur vinden we echter wel enkele gevallen van dergelijke gezwollen eileiders genoemd. Zoo beschrijft Arnhart (2) een geval van een koningin, die geen eieren leggen kon doordat de eileiders sterk gezwollen waren. Ook Fyg (3) behandelt een dergelijk geval.
Beiden geven ook afbeeldingen, die veel overeenkomst vertoonen met ons geval. Als oorzaak voor de verstopping wordt aangegeven, dat de zaadmassa bij de bevruchting niet uit de eileiders verwijderd kon worden, zooals in normale gevallen steeds gebeurt. Zaaddiertjes werden door mij echter niet gevonden. Nu geeft Fyg (4) ook aan, dat verstopping der eileiders kan plaats hebben door eipaketten en vergane eimassa's. Misschien was dat ook hier het geval, Zander (5) noemt alleen het geval van verstopping der eileiders door de zaadmassa.
De verstopping van de achterlijfsopening is ook herhaalde malen beschreven en schijnt vrij regelmatig voor te komen. Arnhart (1) neemt aan, dat het veroorzaakt wordt doordat de koningin haar uitwerpselen, die steeds vloeibaar zijn, niet voldoende ver kan wegspuiten, doordat de endeldarm verzwakt is. De prop groeit steeds aan doordat de vloeibare uitwerpselen aan de lucht verharden. De kleur wordt ook steeds donkerder. Fyg (3) sluit zich geheel bij Arnhart aan. Enkele malen is ook waargenomen, dat de geslachtsorganen van den dar in de achterlijfsopening van de koningin bleven zitten, (Von Buttel Reepen, Zander e.a.) Dit was echter hier niet het geval.
Vanzelfsprekend komt nu de vraag bij ons op: Kon de koningin van den heer Joustra geen eitjes leggen doordat er een prop in de anale opening zat of was de verstopping der eileiders primair en is de prop in de achterlijfsopening maar iets bijkomstige? Ik meen dat de laatste veronderstelling de meest juiste is. De prop in de scheede was n.l. nog vrij klein en licht gekleurd en kon dus nog niet lang aanwezig geweest zijn. Vermoedelijk is dus eerst de verstopping en zwelling der eileiders opgetreden en eerst daarna - misschien ook daardoor - de verzwakking van de endeldarm, waardoor de prop in de scheede ontstond.
Zooals ik al opmerkte, is dit het eerste geval in Nederland, dat van deze koninginnenziekte wordt geconstateerd. Het is echter voor mij een vraag, gezien de vrij talrijke beschrijvingen in het buitenland, of dat komt doordat deze ziekte niet opgetreden is of doordat men een afwijkende koningin eenvoudig dood drukt en weggooit. Dit laatste moet nooit gebeuren! Elke afwijking hoort te worden onderzocht, ook al ziet de imker niet altijd direct het nut daarvan in. Stuur daarom steeds dergelijke gevallen ter onderzoek op, liefst de koningin levend laten en met wat vast voer en wat werkbijen opzenden.
Literatuur.
1. Arnhart, L. Beiträge zur Kenntnis von Krankheiten der Bienenkönigin, die zur Störung der Eiablage führen. A, f. B. X, 3/4.
2. Arnhart, L. Beiträge zur Kenntnis von Krankheiten der Bienenkönigin. A. f. B. XI, 7/8.
3. Fyg, W. Krankheiten der Bienenkönigin. Schweiz. Bienenztg. 1934, H. 8, 9 und 10.
4. Fyg, W. De Bedeutung der Königinkrank-heiten für die Bienenzucht. Schweiz. Bienenztg. 1939, H. 9.
5. Zander, E, Krankheiten und Schädlinge der erwachsenen Biene, 3, Aufl. 1930.
Zusammenfassung.
Von Hernn Joh. A. Joustra in Amersfoort wurde eine Bienenkönigin zur Untersuchung gesandt, die, im September 1940 geboren, keine Eier gelegt hatte bis sic Juli 1941 getötet wurde. Ausserlich war die Königin normal. Die samentasche war gefüllt mit Sperma. Eín zimlich kleiner, weisslicher Exkrementstoppel steckte in der Hinterleibsspitze. Die paarigen Eileiter waren stark ausgetrieben, (Siehe Abb.) Der Inhallt konnte nicht näher bestimmt werden, Samen konnten darín nicht festgestellt werden, Wahrscheinlich war die Verstopfung der Eileiter prim r, der Afterstoppel sekundär.
Summary.
A bee queen, that was born in September 1940 and laid no eggs untill it was killed in Juli 1941, was received from Mr. Joh. A. Joustra in Amersfoort. Externally the queen was quite normal. The spermatheca was filled with spermatozoa. In the genital orifice I found a rather small white stopple. The oviducts were swollen as shown in the figure, The contents of these oviducts could not be determined. Spermatozoa could not be found in it. Probably the constipation of the oviducts was first, afterwards the stopple was formed.