LIGUSTRUM.
C. de Jong
Ligustrum ook wel liguster genoemd is een plant welke bij ons meestal als haaggewas gebruikt wordt. Haar vaderland is Zuid-Europa, althans wat betreft de ligustrum vulgare. Deze soort werd voorheen vooral veel als haagplantsoen gebruikt. Ze was harder dan de thans veel voorkomende Japansche ligustrum of ligustrum ovalifolium.
Vallen bij de eerste de bladeren steeds in den winter af, bij de lig, ovalif. blijven ze zitten, zoodat ze onder de steeds groenblijvende planten gerangschikt worden. Toch is dit laatste betrekkelijk, omdat we wel weten, dat bij ietwat lage temp, de bladeren steeds afvallen. De laatste winters zijn op diverse plaatsen funest geweest voor de minder harde lig. oval., zelfs zóó, dat er vele tot in den grond bevroren waren en sommige tuin- of boomgaardbezitters weer tot de oude mei- of haagdoorn terugkeerden.
Jaarlijks eenige malen gesnoeid geven de ligusters prachtige ondoordringbare hagen. Zij houden van een flinke bemesting; vooral veel stikstof en kalk. Plant ze echter niet als scheidingshaag tusschen twee perceelen; het vee laat ze niet met rust en alhoewel deze er niet van dood zullen gaan, zal de haag steeds een onooglijk aanzien hebben vanwege de gaten die zij er in knagen. Vooral wanneer door hitte of droogte het weiland dor is en de malsche bladeren van de liguster lokken.
Er bestaat de laatste jaren een geweldige handel in ligusters. Voor onze bijen is het een goede drachtbron, doch dan zien we ze liefst arm staan of op schralen grond, waardoor ze veel meer bloeien of als vrij struikgewas in groepen enz.
Ook droge zomers zooals van dit jaar geeft felle bloesemtooi die den bijen flink nectarvoorraad kan schenken, De bloemen welke eenigszins op kleine seringen lijken en tot welker familie de liguster dan ook behoort (Syringeaën), geuren scherp. De bijen zijn bij 't bevliegen dan ook tamelijk steeklustig, Velerlei nieuwe soorten met hoogere sierwaarde, doch die nog prijzig zijn, zijn de laatste jaren in den handel gebracht. Ook zijn er reeds lang bontbladerige variëteiten. De zwarte bessen welke na den bloei verschijnen, schenken gretig voedsel aan de vogels.
Ligusters laten zich gemakkelijk voortkweeken door zaaien en stekken. Alhoewel dit laatste weer kan gebeuren door kruidachtig of houtig gewas, verkiest men meestal deze methode; 't gebeurt in de kweekerijen meestal 's winters.
Men neme bij vorstvrij weer de rijpe eenjarige twijgen ter dikte van een potlood, stroope de bladeren er af, zonder de oogen te beschadigen. Snij de vervolgens onder een oog de stek ter lengte van ± 20 c.m. en legge ze daarna tegen elkaar in vorstvrijen bak of kelder. Tegen het voorjaar ongeveer Maart, wordt de standplaats buiten goed omgespit en bemest en de stekken op rijen die 35 c.m, van elkaar komen, tot op de helft in den grond gestoken. Zoo maken ze het eerste jaar al een tamelijk gewas. Het tweede jaar groeien ze verder; snoei echter de sterke zijscheuten wat in en schoffel geregeld den grond schoon. Het derde jaar komen ze voor verplanting in aanmerking en zette men ze op de plaats van bestemming. Soms gebeurt dit ook wel het tweede jaar.
Bruine plekken op de bladeren worden veroorzaakt door 't seringen- of ligustermotje. De larve verpopt zich tusschen de bladvliezen en is bij bespuiting met insectengif niet te bereiken.