UIT DE JAAGKIEPS.
Jékavé

In de Jaagkieps van Mei hebben we het gehad over een oudHollandsch Bijenboek van 1801, hierin komt bijgaande teekening voor, waarop we de hoofdpersonen voor de „glaze Byen-korf„ zien staan, n.l. de Imker Waanmond, zijn nichtje Leergraag en de Natuuronderzoeker. In den laatsten tijd wordt er veel geschreven over de ziekten der bijen, interessant is hetgeen in dit werkje hierover staat. Ik neem het volgende over en woordelijk, het klinkt misschien iets ongewoon. maar bedenk dat het in 1801 voor NeerIands Jufferschap werd geschreven.
„Natuuronderzoeker: Ik zal de agt hoofdsoorten van ziekten, met de daar toe gepaste geneesmiddelen U opgeven,
Mejuffer: zijnde: (1) Loslyvigheid, voornamelyk ten tyde wanneer de_ linde-boomen bloeyen, omdat de Honing-Byen op deze bloeizels die de loslyvigheid veroorzaken, verzot zyn.
Leergraag: Dan aarden zy naar de kinderen, die zig niet speenen konnen van het geen hun wel smaakt. Maar waar aan ziet men dat zy deze kwaal onderwurpen zyn, en hoe zal men dezelve best genezen?
N.O.: Men kan dit klaar ontdekken uit het vermageren der Byen; en om de ziekte te genezen, zet men versch gemaakte pis, in kleine vlootjes, omtrent de korf neder; ook parfumeert men de korf, die door ziekte aangetast is, met de damp of uitwaseming van heete pis; anderen zetten op een bord een weinigje warme witte wyn daar wat suiker, canel, notemuscaat en kruidnagelen in gekookt zyn, dat zy liefst lusten.
L.: Dan zyn ze niet mal, want dat geneesmiddel zou my ook best behagen.
N.O.: De tweede hoofdziekten der Byen zyn de Mazelen.
L.: De Mazelen; krygen zy dan ook de KinderPokjes?
MO.: Die besmettende ziekte is gevaarlyk genoeg om voor beiden te passeeren, en wordt veroorzaakt door het eten van slegten honing, die zo verre in de Celletje is bedurven, dat het wasch 'er rood van geworden is, en alle de Byen van zodanigen korf lopen gevaar om daar aan te sterven. Om daar in te voorzien, neemt men een schoone leedige korf, die met welriekende kruiden bewierookt is, waar in zy worden overgedreven, en dan voed men ze met half honing en wasch, dog de oude besmette korf moet weg gedaan worden. (3) De Schimmel, die veroorzaakt word door de vochtigheid van de lucht, of dat de korven niet genoeg gedekt zyn geweest, hetgeen men ligtelyk gewaar word, aan de schimmel reuk die men in de korf ontdekt.
L.: Dat moet zeer onaangenaam aan de Byen zyn.
Waarmond: Geen wonder, want daar is geen viezer diertje in de waereld bekent,
N.O.: In de besnoeyng moet men altoos naauwkeurig daar na te zien, en dan moet men de honinggraat zo verre wegnemen, als men bevind dat ze maar in 't geringste, door de schimmel is aangestookt, en dan berookt men de korf met de damp van gedroogde koedrek, die men op het vuur legt en de plank waar op die korf staat moet zo wel als de korf zelfs, met welriekende kruiden, rondom gewreven worden. (4) De Wurm, veroorzaakt door de Wurmen welke in de oude korven voortteelen: hiertegen is niets anders te doen, dan de Byen in een andere korf over te zetten, en die oude korven weg te doen. (5) De Luis, welke byna gelyk is aan die der Hoenders. en zig aan het dons der Byen hechten.
W. Ik heb ondervonden, dat de Byen die veel omtrent mesthoopen vliegen, het meest daarvan geplaagd zyn: dog men is niet eensgevoelend, omtrent het middel, dat men daartegen moet gebruiken.
N.O.: Neem het zaad van Bilsen-kruid, en de bladen van Esschenbomen, en leg die op heete assche te smeulen: Met deze damp bewierookt men van tyd tot tyd deze luizige korven, en de luizen zullen daar dood afvallen gelyk de ervarenheid my geleerd heeft. (6) De Walg of afkeer van het voedsel hetgeen uit verscheidene oorzaak kan ontstaan, voornamelyk; als zig eenig ongedierten in de korf heeft gezet; of dat die korf te ditmaal afgezwermt heeft, en dit ziet men, wanneer veele Byen de korf beginnen te verlaten. Waneer men dit bespeurd, mot men zoodanigen korf naauwkeurig bezichtigen, en al het ongedierte schoon daaruit doen; doch het beste en veiligste is, die Byen in een andere korf over te zetten, en die met ongediert besmetten korf weg te doen, als niet wel ten vollen konnende schoon gemaakt worden: Maar ontstaat deze ziekte door te veel arbeiden zo sluit men den ingang van de korf met een tralie van yzerdraad, of met een stukje schaalie, waar in verscheidene gaatjes geboord zyn, en een weinigje rust zal ze wederom herstellen.
L.: Ik heb Byen gezien die suizebolden en dronken scheenen te wezen.
N.O.: (7) Dit noemt men Duizeling, Mejuffer, en is een gevolg van eene voorige ziekte, en overgebleven zwakheid; ook kan het ontstaan uit al te groote vollyvigheid. Om zulks te genezen, besproeid men de Honinggraat met wat brandewyn, daar men niet alleen wat suiker in heeft laten smelten, maar daar ook eenige citroen-schillen in te trekken hebben gelegen. Hier moet men de Honinggraat mede besproeien, en berooken de korf verder met de welriekende kruiden om te versterken. (8) Een zeker soort tweespalt of oneenigheid onder de Byen noemt men mede een ziekte, wanneer sommige Byen niet meer begeeren te arbeiden dog het beste geneesmiddel daartegen is, haar gevoelig daarover te kastyden, door haar de rook van smeulend oud linnen te doen smaken, dan zullen ze aanstonds eendrachtig wederom aan het werk gaan".
--------------
Men had toentertijd dus ook al heel wat bijenziekten, die we thans ook nog kennen, hetzij onder een anderen naam. Alleen de mazelen doen vreemd aan, maar deze ziekte schijnt in de 18e eeuw ook in andere landen te zijn voorgekomen.