UIT DE JAAGKIEPS.



Jékavé

In The Beeworld 1938/4 neemt de redactrice het volgende over uit het Noorsch bijenblad Birökteren, betreffende het slecht overwinteren van bijenvolken op heidehoning. Op een proefbijenstand werden 22 volken op suiker ingewinterd (8-15 kg,). Slechts één hiervan, en dit was moerloos, kreeg gedurende den winter roer. Negen andere volken, die naar de heide geweest waren, werden op verschillende hoeveelheden heidehoning, met of zonder toevoeging van suiker, opgezet. Van deze volken kregen er zeven roer. Eén van de gezond gebleven volken was in een kelder overwinterd en was den geheelen winter rustig geweest, terwijl de andere begonnen te vliegen, zoodra de sneeuw van de vliegplanken was geveegd. Deze proefneming toont aan dat de overwintering op heidehoning niet safe is in een koud klimaat. De volken in het Oosten van Noorwegen leiden er meer onder dan die in het Westen en Zuiden. De eigenschap van heidehoning om met groote kristallen te versuikeren, zoodat de bijen zich met het eenigszins waterige overblijfsel tevreden moeten stellen, wordt als de waarschijnlijke oorzaak beschouwd.
De redactrice van de Beeworld voegt hieraan toe: In de Zuidelijke heide-districten van Engeland, waar de bijen zelden gedurende twee maanden niet kunnen uitvliegen, worden de volken op flinke hoeveelheden heidehoning (Calluna) ingewinterd en zij hebben zelden of nooit roer.

-0-



In The American Beejournal 1939/5 komt een verslag voor over het bijenhouden op Java, waaruit het volgende; "Bijenteelt wordt voornamelijk beoefend in Midden- en Oost-Java en vooral in de cocosnoot-districten in de laaglanden. Maar er zijn ook farms in de heuvels. Herinnerd wordt, dat de gemiddelde temperatuur in de laaglanden van Java ongeveer 26 gr. C, is. De regenval is zeer verschillend: het Oostelijk deel van Java heeft uitgesproken droog klimaat met een tusschentijd van 6 maanden, waarin weinig of geen regen valt; deze periode wordt korter naarmate men meer naar het Westen gaat. De in Nederlandsch-Indië gehouden bijen behooren uitsluitend tot de kleine soorten (Apis Indica) en het is niet mogelijk geweest de grootere soorten, de groote bergbij (Apis Dorsata) in kasten of korven te houden. De kasten, die in Indië gehouden worden zijn veel kleiner dan die in Europa, maar zij berusten op hetzelfde principe.
De inlandsche bevolking houdt verder de bijen in "Glodocs", dat zijn uitgeholde boomstammen.


De opbrengst van honing hangt geheel af van de aanwezigheid van nectar in de omgeving der bijenstanden en schommelt tusschen 1 en 5 kg.
De meest bekende honingsoorten op Java zijn:
van Cocos nucifera L. donker bruin, dun scherp en licht geneigd tot bederf. Deze soort is het meest algemeen.
b. Kapoc-honing van Ceiba pentandra Gaert, geel-achtig bruin, tamelijk dik en kan gedurende langen tijd bewaard worden.
c. Doerian-honing van Durio zibethinus Murr, donker geel, dun.
d. Orange-honing van Citrus maxima Murr, geel, dun, heeft soms een bittere smaak.
e. Koffie-honing van Coffey Spec, lichtgeel, dun, blijft langen tijd goed.
f. Dadap-honing van Erythrina spec, donker rood, dun.
g. Semboeng-honing van Veronica arbores, bruin en dik. Dit is de eenige bekende honing, welke spoedig versuikert, Hij kan langen tijd bewaard worden en is de beste Nederl.-Indische honing.
De soorten onder a-d worden in de laaglanden, die onder e-g in de bergstreken gewonnen.

Daar de meeste honing in kleine hoeveelheden geoogst wordt en niet lang bewaard kan worden, is er geen handel mee te drijven, deze wordt dan ook plaatselijk verbruikt. Het is slechts een bijproduct voor de landbouwers. De bijenteelt wordt hoofdzakelijk voor de productie van bijenwas gedreven, dit artikel wordt in groote hoeveelheden voor de batik-industrie gebruikt.

Besmettelijke ziekten van eenige beteekenis zijn onbekend bij de inlandsche bijen. De grootste plaag is de wasmot (galleria mellona). De bijen worden beschermd tegen de talrijke mieren door de bijenkasten op banken te plaatsen. Een andere groote moeilijkheid, waarmede de imkers te kampen hebben, is, dat de bijen in de lage landen spoedig geneigd zijn tot zwermen. Daar bijenziekten betrekkelijk onbekend zijn in N.O.I. is de invoer van vreemde bijen alleen toegestaan nadat de zendingen terdege onderzocht zijn. Dergelijke zendingen moeten gedekt zijn door een gezondheids-attest van het land van afkomst.

Jaren geleden werden proeven genomen om Europeesche bijen in te voeren, maar deze stierven spoedig uit en de proefnemingen werden een mislukking. De levensvoorwaarden voor bijen in een tropisch land als Java schijnen geheel verschillend te zijn aan die in sub-tropische landen als Florida en Hawaï, waar Apis Mellifica met meer of minder succes werd ingevoerd. (Dit artikel was overgenomen uit „Foodstuff Round Commerce". Supplied by the American Trade the World, United States Department of Commissioner. Batavia November 23, 1937).

De teekening van een "glodoc" heb ik overgenomen uit een Maleisch schoolboekje over de bijenteelt, hetwelk ik van een mede-lid ter inzage ontving, tot mijn spijt kon ik het niet lezen. Volgens de teekening bestaat de bijenwoning uit een in tweeën gespleten stam, welke zoodanig tusschen touwen is opgehangen, dat men de bovenste helft kan oplichten. In dit boekje kwamen ook afbeeldingen van de kleine kasten met losse bouw voor.

-0-


In hetzelfde tijdschrift vinden we eenige getallen betreffende den handel in honing en was in de Vereenigde Staten. Export van 1938. Volgens het halfjaarlijksche honing-rapport was de uitvoer van honing in 1938 totaal 3.441.000 (Amerikaansche) pound of ongeveer 900,000 meer dan in 1937. Nederland kocht meer honing dan elk ander land, gevolgd door het Vereenigde Koninkrijk (Engeland), in 1937 was de volgorde andersom. Duitschland, op de derde plaats, verhoogde zijn inkoop.
Invoer van honing uit Porto Rico en Hawaï in totaal 2.424.000 pounds tegen 2.381.000 in 1937. De invoer van bijenwas was 3.037.000 pounds, een groote teruggang met 1937 toen er 5.440.000 pounds werden ingevoerd. De invoer van Brazilië en Portugal waren alleen reeds 1.650.000 pound minder dan in 1937.

-0-


In een ander Amerikaansch bijentijdschrift Gleanings in Bee Culture 1941/1 geeft de Heer Frank E. Todd, Californië, verslag over zijn studie inzake pollen en nectar, waaruit het volgende:
Door gebruik te maken van pollenvallen aan kasten met normale volken werden dagelijks pollen verzameld en gewogen. Als men de halfjaarlijksche perioden gaat vergelijken blijkt het af- en toenemen van het broednest samen te gaan met het inbrengen van pollen.
In 1939 werden de in de vallen ingebrachte pollen tusschen 15 Februari en 1 November geteld en het gemiddelde per dag berekend. Eén volk bracht gemiddeld 7.800 ladingen per dag of in totaal 1.8 millioen ladingen. Gedurende een dag tijdens het hoogseizoen van de fruitbloei werden 29.000 ladingen ingebracht, hetwelk de bestuivingswaarde van een bijenvolk bewijst, daar nagerekend is dat voor elke lading 80 of meer bloemen bezocht moeten worden.
De maximum-hoeveelheid pollen dat van een volk werd afgevangen was 42,9 pound, Men neemt aan dat voor een volk 44 pound noodig is. dat is ongeveer 5.200 vierkante inches of 135.200 cellen gevuld met pollen, dat zijn de cellen van 22 standaard-ramen.

De kleur van de pollen is van groot economisch belang voor den imker. Eenige der in de pollen gevonden kleurstoffen zijn in olie oplosbaar en dus ook in was. Zij geven de gele kleur hieraan. Andere kleurstoffen zijn in water oplosbaar en het schijnt dat deze verantwoordelijk zijn voor de donkere kleur van den honing. Voor zoover de versche nectar onderzocht is, zelfs van planten die een donkere honing geven, schijnt deze kleurloos te zijn. Verder is aangetoond, dat andere kleuren in bijenwas veroorzaakt zijn door de vaten, waarin het gesmolten wordt of door de propolis. Verder kunnen andere kleuren in honing ontstaan, zooals het donker worden, door ouderdom of oververhitting.

-0-


Van een belangstellend lezer van de Jaagkieps kreeg ik het volgende uittreksel uit het boek "Shackleton's leven en reizen" toegezonden. Shackleton voer in het begin van deze eeuw, tijdens den Boerenoorlog met een schip tusschen Kaapstad en Engeland. Op 8 Mei 1900 kwam te Kaapstad een bijenzwerm aan boord. Wij maakten, aldus de schrijver, zoo goed en zoo kwaad als dat ging, een korf en daarin bleven ze geheel tevreden zeven dagen lang. Op 20 Mei voeren we ongeveer 9 mijl afstand voorbij Kaap Verdi; toen ik 's morgens ging kijken naar de kleine kolonie was deze verdwenen. Dat de bijen zich gedurende de dagen dat het land ver af, zich rustig hielden en plotseling vertrokken, toen we bij de kust waren, kan slechts verklaard worden door een onbedriegelijk instinct. Ik vraag mij verbaasd af hoe de bijen zich in hun nieuwe omgezulk een vrijwillige verplaatsing eener soort van de ééne plaats naar een andere zou gezegd hebben.

(Mijn hartelijke dank voor deze toezending, ik hou mij voor dergelijke gegevens ten zeerste aanbevolen). Een analoog geval vertelde ons eens dhr. Wilhelmus, Oud-Gezagvoerder der K.P.M., te Ugchelen. Red.

Zwermende bijen kunnen eigenaardige plaatsen opzoeken om zich te zetten, hetgeen ook blijkt uit het volgende bericht uit de Leipziger Bienenzeitung 1938/9. De kranten meldden, dat een zwermende bijenzwerm in Juni het dorpsooievaarsnest overvielen. De jonge eibers werden daarbij aardig toegetakeld. Eén viel uit het nest, terwijl de ander door omstanders naar beneden werd gehaald; zij werden door een dierenarts behandeld. Nadat de bijen door een waterstraal waren verdreven en het nest schoongemaakt was, werden de dieren, die bijna niet konden zien, naar boven gebracht.

-0-


In het Maandblad van onze Zuidelijke collega's St. Ambrosius 1939/12 schrijft Pater Vroenen over de bijenteelt bij de negers in Z.O. Afrika o.a. het volgende; "Om zwermen te lokken leggen de negers stukjes hout in de klaar gezette woningen, deze zouden dan de zwermen lokken. Of dit alleen op bijgeloof berust heeft schrijver niet kunnen vaststellen. De negers houden de houtsoorten geheim en verkoopen wel de stukjes hout. Verder hebben zij nog een natuurlijk middel om den honing uit de volken te nemen. Zij gebruiken hiervoor de bebladerde takken van een klimplant. deze hebben hetzelfde resultaat als onze salpeterlappen. Een flinke tak wordt onder de woning gelegd, deze wordt goed afgesloten en door de uitwaseming gaat het volk "slapen".

-0-


Volgens The Beeworld 1938/2 is het verplaatsen van bijenvolken in sommige landen een kostbare geschiedenis indien men er niet zeker van is dat deze volken goed gezond zijn. Onlangs werd een Deensche imker niet alleen beboet, maar hij moest aan twee collega's schadevergoeding betalen omdat hij zijn bijen, die aan vuilbroed leden, in hun district gebracht had, waardoor de standen dezer imkers besmet waren geworden.(Een dergelijke handelswijze zal veel controle eischen, daar de benadeelde imkers ook zullen moeten kunnen bewijzen, dat hun volken gezond waren, voordat de andere volken in hun omgeving geplaatst werden.)

-0-


In Zwitserland wordt veel gedaan voor de aanplanting van wilgen, zoo leest men in Schweizerische Bienenzeitung 1938/1:
"Wilgenactie. De aanplanting van wilgen zijnde de belangrijkste plant voor de voorjaarsontwikkeling der bijen, zal door uitbreiding der subsidies sterk bevorderd worden. De Centrale Kas zal voortaan niet alleen de aankoop door vereenigingen, maar ook die van afdeelingen en afzonderlijke leden steunen. De bijdrage wordt verhoogd tot 75% van de aanschaffingskosten, verpakking en transport inbegrepen".
Idem 1939/1
"Aanplanting van wilgen. In het jaar 1938 werden aan subsidies voor aanplanting Frs. 5000 uitbetaald. Een groot gedeelte van dit bedrag was besteed voor de aankoop van 1-3 jarige bestelde stekken tot den prijs van 30-70 rappen. Ook werden wel wat grootere boomen gekocht, maar dit is niet de bedoeling, daar de opzet is met de beschikbare geldmiddelen tot een zoo groot gelijke aanplanting te komen. Het maximum bedrag per wilg zal dan ook voortaan Fr.1 .- bedragen. De afdeelingen zijn verplicht, alle met subsidie aangelegde aanplantingen, te beschermen.
Idem 1941/4.
"Ter navolging. Door bemiddeling der imkersvereeniging Bern-Mittelland verscheen de volgende mededeeling herhaaldelijk in een krant te Bern-Stad.
Bekendmaking betreffende de bescherming der wilgenkatjes. De wilgenkatjes zijn in het voorjaar het eenige voedsel der bijen en andere nuttige insecten. Het publiek wordt dringend verzocht, geen in het wild groeiende katjes te plukken om aldus mede te werken om in dezen oorlogstijd, den bijen aan voedsel te helpen. Artikel I van de Verordening inzake bescherming van planten van 7 Juli 1933 verbiedt het aanbieden, koopen, verkoopen, in groote hoeveelheden plukken en verzenden van in het wild groeiende wilgenkatjes. Het verbod geldt ook voor uit andere kantons in te voeren katjes. Overtredingen worden gestraft met een boete tot 200 Frs, of met 3 dagen hechtenis.
De verkoop van gekweekte wilgenkatjes is eveneens verboden op de Berner-weekmarkt. Personen die zich hieraan niet houden, wordt direct de staanplaats ontnomen, Daarentegen is de verkoop van deze katjes in winkels vrij. De controleerende beambten moeten inzage kunnen krijgen van de bewijzen van oorsprong".

-0-


Het bijzetten van een koningin schijnt niet zoo heel eenvoudig te zijn. In The Gleaning 1941/4 vinden we de volgende mededeeling;
"Wij hebben juist een exemplaar van een boek "De invoering van koninginnen" door Snelgrove-Bleadon-Engeland ontvangen. De schrijver heeft het onderwerp op een bevattelijke manier in een fraai gebonden boekwerk van 200 bladzijden behandeld."