Uit de jaagkieps.
Jékavé
Naar aanleiding van mijn Jaagkieps in het Maartnummer, waarin ik iets mededeelde over de bijenteelt in Zweden, ontving ik van een (Deensch) lid van onze Vereeniging, wonende in ons land, een brief, waaruit het volgende:
"Het zal U misschien interesseeren te hooren, dat dit (de zorg van den Rijksbond v. d. Zweedsche Bijenhouders, de gemeenschap zuivere, prima honing te verstrekken) ook zoo is in Denemarken en dat ik als lid van "Danmarks Biavlerforening" zulk een etiket hier heb laten komen, hetwelk ik U ingesloten toezend. Om dergelijke etiketten te kunnen betrekken, moet de imker een formulier onderteekenen, waardoor hij zich verplicht alleen prima Deensche honing te leveren van eigen bijenteelt; dit wordt door controleurs en steekproeven gecontroleerd en indien fouten worden begaan, is de imker verplicht een boete van 100 Deensche kronen te betalen."
Het toegezonden etiket, een eenvoudig maar mooi etiket, draagt op een ondergrond, welke een honingraat voorstelt, rechts met zwarte letters het opschrift: Aechte Dansk Honning Avlet i egen Bigaard, gevolgd door een naam en adres van den imker, terwijl links in een groote zeshoek, welke omgeven is door een viertal der bekendste honinggevende bloemen, drie koninginnen in een cirkel voorkomen, waarom het randschrift: Danmarks Biavler Forening-Indregistreret Faellesmaerke.
Naar aanleiding van dezen brief, vroeg ik den afzender eenige nadere inlichtingen, o.a. over de inlevering van honing in zijn Vaderland, waarop ik het volgende antwoord mocht ontvangen: "...dat er in Denemarken geen sprake is van inlevering van honing, maar dat iedere imker, zooals vroeger, over zijn eigen honing kan beschikken naar eigen goeddunken, n.l. verkoopen aan privé-klanten of aan handelaren.
Door het Bestuur van de Deensche Ver. voor Bijenteelt zijn de prijzen als volgt vastgesteld: Voor handelaren f 1.20 per kg., voor verbruikers f 1.45 per kg., incl. emballage, behalve glas-emballage.
In het Maartnummer van mijn Deensch blad lees ik, dat reeds in die maand de leden suikerbonnen konden aanvragen en dat zij voor ieder volk 5 kg. krijgen voor het voorjaar en 10 kg. voor het najaar, in bonnen van 15 kg. Deze bonnen mogen gebruikt worden tot uiterlijk 20 October a.s. en zijn vanaf dien datum niet meer geldig.
Op de laatste algemeene vergadering van bovengenoemde vereeniging is de mogelijkheid besproken van het oprichten van een honingcentrale, maar in hoeverre dit werkelijkheid zal worden, weten wij nog niet.
De bedoeling is drie Coöp. Honingcentrales op te richten. Deze centrales zullen coöp. maatschappijen zijn met beperkte aansprakelijkheid, zoodat de leden economisch niet aansprakelijk zijn voor meer dan het door hun gestorte kapitaal. Men rekent er op, dat iedere centrale wordt begonnen, wanneer het ingelegde kapitaal 60.180 à 80.000 Kr. bedraagt. Dit kapitaal moet worden opgebracht door een contributie per jaar van 50 öre per voor elk overwinterd volk. Men denkt, dat op deze wijze na verloop van 4 à 5 jaar met een centrale kan worden begonnen. In den tusschentijd wordt over het gestorte kapitaal gewone bankrente uitgekeerd."
-0-
In het Amerikaansche blad Gleanings 1939/8 schrijf: de Ier Michael O'Carrell over het bijenhouden in zijn vaderland het volgende:
"Ierland heeft veel landbouw en is zeer geschikt voor bijenteelt. Doorgaans is er een goede zomeroogst op wilde witte klaver en weideplanten, welke met een tusschenruimte van 14 dagen in de bergen gevolge wordt door de heidedracht. Het klimaat, ofschoon vochtig in den winter, is zacht genoeg om de bijen het gehele jaar op den zomerstand te laten staan zonder eenige beschutting, behalve eenige stukken tapijt op de broedkamers om het vocht op te nemen.
Ondanks deze goede vooruitzichten is het aantal bijenhouders bedroevend klein. Hiervoor zijn verschillende redenen. De Iersche boer is bekend om zijn conservatisme in zijn manier van doen, en daar zijn vader en grootvader geen bijen op groote schaal hielden, is hij ook niet geneigd dit te doen.
In Ierland bestaat weinig vraag naar honing en deze werd tot voor kort gedekt door de invoer van meest Australischen honing, welke in het klein goedkooper te leveren was dan het eigen product. Voor eenigen tijd heeft de regeering op honing een invoerrecht gelegd en gaf zoodoende den imkers gelegenheid hun product beter te plaatsen. De handelaren kunnen echter in jaren wanneer de honingoogst mislukt, toestemming krijgen honing vrij in te voeren, maar de imkers verdenken de heeren handelaren ervan, dat zij dan te veel inslaan.
De voornaamste reden van den slechten toestand der bijenteelt zijn de kleine kasten. Algemeen is een bijenkast in gebruik, welke voor jaren door een commissie als de beste werd aangeprezen; het is een kleine zeer samengestelde kast, ongeschikt om er mede te reizen. Toch is deze kast nog verre te verkiezen boven die, welke algemeen door de imkers wordt gehouden en welke bestaan uit ledige boterkistjes en de oude barbaarsche gewoonte om de bijen af te zwavelen wordt nog uitgeoefend.
Deze stand van zaken is voor den vooruitstrevenden imker goed, daar hij deze kisten goedkoop kan overnemen; de volken zijn wel klein, maar wanneer zij vroeg in het voorjaar worden overgezet, kunnen zij nog een flinke oogst opleveren.
In het laatst van Juli, begin Augustus levert de heide (calluna vulgaris) waarmede de Iersche bergen bedekt zijn, de meest heerlijken en voedzamen honing, dien men zich denken kan. Deze wordt meestal gewonnen in secties, welke in de steden grif worden verkocht. In Engeland worden deze heidehoning-secties als een groote luxe beschouwd en ze brengen in Londen tweemaal zooveel op. De Schotsche imkers zenden hun honing naar Londen, maar ofschoon de Iersche heuvelen met heide bedekt zijn, zijn er niet genoeg imkers om een hoeveelheid honing te winnen die naar Engeland vervoerd kan worden.
-0-
Een lezer van de American Beejournal (1939/8) zond aan de redactie van dit blad het reisverhaal van een Don Selchow, welke op een reis in Noord Rhodesia kennis maakte met Kambole, den honingmarter en Mayimba de honingvogel, welke dieren samenwerken bij het zoeken naar honing. Hier het verhaal: "Selchow trok door het kreupelhout toen de inlandsche dragers hem riepen om in een hol te kijken. „Kambole" riepen zij en noodigden hem uit om te ruiken. Hij deed dit en uit het hol kwam de geur van gistenden honing. Toen vernam hij voor het eerst de geschiedenis van Kambole en Mayimba. Kambole is een grappig uitziend wezen met een zwarte rug en grijze buik en korte machtige pooten, voorzien van klauwen. Hij is een geducht graver en baant zich overal een weg door. Van ijzeren staven zou men moeilijk een kooi voor hem kunnen maken, ofschoon hij zich in gevangenschap netjes gedraagt. Zijn grootste lekkernij is honing en het gegiste sap ervan. Maar zijn korte pooten verleenen hem geen vlugge gang en hij is te lui om ver te gaan om deze lekkernij op te sporen.
Zoo is Maiymba, de honingvogel, de ideale helper. Mayimba vliegt mijlen ver over het struikgewas om de raten der wilde bijen op te zoeken, welke meestal zijn ondergebracht in holle boomen met geen grootere openingen dan van een vinger. Als hij zoo'n nest gevonden heeft, gaat hij naar Kambole en maakt deze met veel gesnater wakker. Mayimba is een bruine vogel, niet veel grooter dan een spreeuw. Hij haalt Kambole over hem te volgen, totdat de honingbron bereikt is. Dan gaat Kambole aan het werk, de bast van den boom scheurende, ongevoelig voor de steken, terwijl Mayimba, snaterend, op een tak van den boom in veiligheid zit.
Eindelijk is de honing bloot gelegd en worden de raten uit elkaar gerukt. Mayimba neemt dadelijk zijn deel. Kambole verbergt zijn portie in den grond, waar het door den regen wordt bevochtigd en tot brei gaat gisten, hetgeen Kambole lekker vindt.
-0-
Over gistende honing gesproken wil ik even terug komen op het medegedeelde in een vorig Groentje, dat de mede thans beter gemaakt kan worden doordat de honing zuiverder gewonnen wordt. In een of ander tijdschrift heb ik eens gelezen, dat men de mede niet zoo goed meer kon maken als voorheen, daar door de losse bouw de honing veel zuiverder gewonnen werd dan vroeger uit de korven, waarvan de inhoud met doode bijen, broed enz. in vaten werd uitgestort, welke vieze massa natuurlijk meer geneigd was tot gisten.
-0-
De middelen tegen bijensteken zijn legio, toch komt men zoo nu en dan weer nieuwe tegen. Het volgende werd mij toegezonden, hetgeen overgenomen werd uit: Met de camera door Nederlandsch-Indië door E. W. Viruly.
" . . . naar de woning van zekeren Kapôjas. Dit heerschap kwamen wij op zijn paardje tegen; welwillend als de Minahassers zijn, keerde hij met ons terug naar zijn woning. Er kwam een tikertje (matje) te voorschijn, waarop wij moesten plaats nemen en toen we draalden, uit angst voor de vele bijen, die in het rond zwermden, kregen we als probaat middel tegen een bijensteek te hooren: Het vuil van de tanden afkrabben en op de gestoken plek smeren! Wij zeiden „tida ada" (is er niet) maar geven het middel voor wie er zijn voordeel mee wil doen . . .brrr."
Dit middel vormt een waardige tegenhanger van het oorsmeer, dat in ons land wel eens wordt aangeraden.