Nederlandsche Landstand.
Het rijkscommissariaat maakt bekend:
De rijkscommissaris voor de bezette Nederlandsche gebieden heeft bij de in het verordeningenblad van heden verschenen verordening no. 196/41 den "Nederlandschen Landstand" in het leven geroepen. Aan het hoofd daarvan staat de boerenleider van den "Nederlandschen Landstand". Bij de tegelijkertijd verschijnende verordening no. 197/41 heeft de Rijkscommissaris zich de benoeming van den boerenleider voorbehouden. Op grond van deze verordening heeft hij den heer E.J. Roskam in Lunteren tot boerenleider van den Nederlandschen Landstand benoemd.
Tekst van de Verordening.
's Gravenhage, 24 Oct. - Zooals elders op deze pagina gemeld is in het thans verschenen verordeningenblad opgenomen een verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, betreffende de oprichting van den Nederlandschen Landstand. Deze verordening luidt als volgt:
Artikel 1.
(1) De Nederlandsche Landstand is een openbaar lichaam in den zin van artikel 152 der grondwet en is gevestigd te 's Gravenhage,
(2) De Nederlandsche Landstand heeft verordenende bevoegdheid in den zin van artikel 153 der grondwet.
Artikel 2.
De Nederlandsche Landstand heeft in verantwoordelijkheid tegenover het Nederlandsche volk tot taak:
1) de belangen van de landelijke bevolking te behartigen en te waken over de eer van de standgenooten.
2) In het kader der door den staat te geven richtlijnen de bedrijfseconomische aangelegenheden der landelijke bevolking te regelen en daarover te waken.
3) Aan de voedselvoorziening van het Nederlandsche volk mede te werken,
Artikel 3.
(I) Tot den Nederlandschen Landstand behooren:
1) Alle personen, die door hun werkzaamheid of door het ter beschikking stellen van perceelen grond of water deelnemen aan het productief maken van den Nederlandschen bodem met inbegrip der binnen- en kustwateren.
2) De familieleden der onder 1) genoemde personen, voor zoover dezen geheel of gedeeltelijk voor het onderhoud van genen zorgen.
(II) Vereenigingen, lichamen, instellingen en stichtingen kunnen, onafhankelijk van hun rechtsvorm en rechtspersoonlijkheid, voor zoover zij geen openbaar lichaam zijn en
1) Voor zoover zij op het in artikel 2, onder 1) omschreven gebied werkzaam zijn, door aan wijzing van den in artikel 1 der verordening no. 41/1941, teneinde te komen tot een herordening op het gebied der niet commercieele vereeni- gingen en stichtingen genoemden commissaris.
2) Voor zoover zij op het in artikel 2, onder 2) omschreven gebied werkzaam zijn, door aan wijzing van den boerenleider in den Nederland schen Landstand worden opgelost of daarbij aan gesloten dan wel worden ontbonden.
Artikel 4.
(1) Aan het hoofd van den Nederlandsche Landstand staat de boerenleider. Hij vertegenwoordigt den landstand zoo in als buiten rechte.
(2) De boerenleider regelt de inwendige organisatie van den Nederlandschen Landstand door het geven van een statuut.
Artikel 5.
(1) Het staatstoezicht op den Nederlandsche Landstand berust bij den secretaris-generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij.
(2) De secretaris-generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij vaardigt de ter uitvoering dezer verordening noodige voor-schriften uit. Deze worden in de Nederlandsche Staatscourant afgekondigd.
-0-
Komt de bijenteelt bij de Landstand?
Hierboven lieten wij de tekst van de verordening afdrukken betreffende de Landstand, om dat het niet onmogelijk is, dat men ook de bijenteelt hierbij zal willen indeelen, althans art. 3 wijst wel in die richting.
Hoewel de bijenteelt als een onderdeel van de landbouw kan worden beschouwd en dan ook ressorteert onder het Departement van Landbouw, zijn er onder de beoefenaren van de bijen- teelt duizenden menschen, die dit verband slechts matig aanvoelen en hun bijen uitsluitend houden uit natuurliefhebberij, uit een oogpunt van studie e.d. Het is dus geenszins een beroep en in ons land tellen we dan ook geen beroepsimkers; in ieder geval zijn deze op de vinger van één hand te tellen.
Uit de toelichting welke op deze verordening werd gegeven meenen wij te mogen concludee- ren, dat alleen zij tot de Landstand behooren die in de Landbouw hun beroep uitoefenen, zij het dan in den meest uitgebreiden zin.
Of men dit zal uitstrekken ook tot de juffrouw met één bijenvolkje, den villabewoner met zijn tuinkastje of den arbeider, die zijn ledige uren vult met de verzorging van zijn paar bijenvolk jes, dat is een vraag welke wij hier niet kunnen beantwoorden. Wij hopen echter, dat zij, die in de toekomst geroepen zijn de bijenteelt te leiden genoeg begrip zullen toonen voor de uiteenloopende categorieën van imkers, die qua imker wel harmonisch bij elkaar passen, doch zich moeielijk in een grooter verband zullen thuisgevoelen.
-0-
En hoe staat het met onze vereeniging?
De boerenleider deelde in zijn radiorede het volgende mede:
N.A.F. en landbouwcrisis-organisaties verdwijnen. De boerenleider deelde mede, dat het N.A.F. zal worden opgelost en opgenomen in den Nederlandschen Landstand. Dit geldt voor alle bestaande land- en tuinbouworganisaties. Geen liquidatie dus, maar opneming en ombouw in het natuurlijk verband, dat de landstand is. Allen, die in deze organisaties werken moeten tot nader order rustig doorgaan met hun arbeid.
Indien de bijenteelt ook bij de Landstand wordt gerekend, dan zou deze worden opgenomen in de Landstand en een onderdeel er van uitmaken. Nadere gegevens ontbreken nog, doch groote gebeurtenissen werpen hun schaduwen vooruit.
Hoe wij ook gissen, de tijd zal leeren of de imkers al of niet bij den landstand worden ondergebracht. Een nadere publicatie (10 Nov.) maakt de kans wel grooter, zooals uit de onderstaande regelen blijkt. Toch lijkt het ons wel wat te ver gaand, dat ook de imkers en al hun familieleden tot de landstand gerekend zullen worden. Hier volgt een deel der publicatie:
Wie vallen onder den landstand?
Boeren en visschers en al hun familieleden.
boeren en visschers en al hun familieleden.
Wie zijn nu lid van den Nederlandschen Landstand? Artikel 3 lid 1 van de verordening zegt: allen, die deel hebben aan het productief maken van den Nederlandschen bodem met inbegrip van binnen- en kustwateren, ten volgend lid betrekt tevens alle familieleden van voorgenoemden daarin. Dit zijn dus alle boeren met hun gezinnen, alle visschers met hun gezinnen, al-degenen die in min of meer verwijderd verband, met boeren en visschers te maken hebben.
Het enkelvoudige feit dus, dat men boer is, dat men visscher is, doet iemand van nature tot den Landstand behooren. Hij is Nederlander en daarnaast lid van den Landstand. Van zich al of niet aanmelden is dus geen sprake. Aan het boer zijn zit onafscheidelijk de plicht lid van den Landstand te zijn.
***
Moge de bijenteelt, die vooral in de laatste tien jaar met sprongen vooruit ging en de belangstelling heeft van vele duizenden, haar zegenrijk werk kunnen blijven verrichten, zoowel in directen als in indirecten zin.