Naar aanleiding van ...
Joustra
Naar aanleiding van het bericht, dat misschien ons Groentje
voorloopig niet meer zal verschijnen wegens papierschaarschte, kregen wij van verschillende leden brieven. Brieven van spijt, dat dit orgaan de huiskamer niet meer binnenkomt en bovendien raadgevingen om toch nog weer te kunnen verschijnen. De meeste schrijvers stellen voor om zooveel oud papier te verzamelen, dat er ruimschoots voldoende zal zijn voor het veilig stellen van ons blad. Anderen willen het blad in zeer beknopten vorm doen verschijnen, doch missen willen geen van allen het.
Een tijdelijk invalide, die de zorg van zijn bijen aan een ander moest overlaten en nu ook het Groentje moet missen, opperde de gedachte om de leden per radio op de hoogte te houden en zoo werden middelen aan de hand gedaan om de imkers toch niet zonder voorlichting te laten.
Wij weten het, dat ons Groentje op prijs werd gesteld en wij weten ook, dat het staken van de uitgave door velen als een ramp wordt gevoeld.
Dat alles te lezen en te hooren is voor redacteur en medewerkers een bewijs, dat hun arbeid gewaardeerd wordt. Wij hebben ons allen ingespannen om te geven wat wij dachten, dat noodig was, al zullen we natuurlijk niet aan ieders verlangen hebben kunnen voldoen. Bij zoo'n verscheidenheid van menschen en van ontwikkeling zal er altijd wel wat te wenschen overblijven. Dat het niet meer verschijnen als een gemis gevoeld wordt is echter wel een bewijs, dat mei een goed begrip had in de moeielijkheid van de leiding van het orgaan, een orgaan, dat geen slecht figuur maakte tusschen de andere in Europa verschijnende bijentijdschriften.
Dat wij alles in het werk stellen om het Groentje tóch regelmatig te doen verschijnen behoeft zeker geen betoog en er wordt ook niet ander van ons verwacht. Het zal al die schrijvers wel verheugen, dat nu ook weer het Decemberno. in hun handen komt. Wij hebben n.l. weer voor een maand toestemming gekregen om papier voor onze uitgave te betrekken en te gebruiken. Wij zijn daarvoor erkentelijk en wij kunnen dit als een bewijs beschouwen, dat de betrokken instanties voelen dat een geschrift als het onze niet blijvend gemis kan worden.
Hoe het in het vervolg zal gaan weten wij op het oogenblik, dat wij dit schrijven nog niet, doch mogelijk, dat wij van maand tot maand vergunning bekomen; laten wij het beste er maar van hopen.
En ach beste vrinden waarom zouden we den moed laten zinken. Is de hoop van den imker niet spreekwoordelijk geworden? Heeft hij niet voldoende met tegenslag te kampen gehad, dat hij door nóg meer niet in de put zit? Neen, het optimisme van den imker is niet spoedig aan het wankelen te brengen en op hem zijn de dichtregelen van Shelly van toepassing:
O, wind,
als winter naakt,
kan Lente verre zijn?