Verplaatsen van bijenvolken.
Dr. L. Peeters S.J.
Mijn waarnemingskast, 2 1/2 raam boven elkaar, staat op een afstand van ongeveer 12 m. van de bijenhal. Een koker, van een meter lengte, tusschen de takken van een boom heenstekend, dwingt de bijen tot een flinken tippel uit en in; bezoekers echter kunnen naar hartelust kijken, zonder gevaar voor steken.
Vroeger begon ik half September te verplaatsen in de richting van de bijenhal, elke dag ruim 1 meter. Eerst ging de koker er af en kwam de
opening van de kast op de plaats van de kokeropening. Ik had dus ruim 10 dagen noodig, om het volkje naast de kast te krijgen, waarmee ik het wilde vereenigen. Zoo handelde ik gedurende eenige jaren, tot ik in April '39 in Gleanings of Beeculture de vraag las: hoe moet ik te werk gaan, om mijn bijen 200 meter te verplaatsen? Is er geen gevaar, dat door het terugvliegen naar den ouden stand, de volken erg verzwakt worden? In de streek hier (Noord-Carolina) gaat er 's winters geen week voorbij, of er vliegen bijen uit; wegens de koude blijven ze zelden langer dan 3 of 4 dagen binnen. Het antwoord op de vraag komt in 't kort hierop neer: zorg, dat op de oude plaats niets staat, wat op een kast gelijkt en breng dan met een gerust hart de volken naar het nieuwe terrein. De bijen vliegen terug naar de oude omgeving, maar er niets meer vindend, keeren ze terug naar haar woning. Dit geldt zoowel voor den winter (in die streek, L. P.) als voor de lente, volgens den antwoordgever.
Mijn besluit stond vast: dat zou ik navolgen. In September `39 had ik nog een oude moer met een paar honderd bijen in een bevruchtingskastje (Zander-model) op een 10 m. afstand van de hal staan. De moer in dat kastje had de jonge bevruchte vervangen, Ik zette nu op een zonnigen morgen het kastje boven op een gewone kast in de hal. Wat voorspeld was, gebeurde. De bijen vlogen terug, in steeds grooter kringen met de kop naar het kastje gericht zich verwijderend. Met "hangende pootjes" streken ze spoedig weer neer op het bekende vliegplankje, het vorig jaar en dit heb ik het toegepast èn op de bevruchtingskastjes èn op de waarnemingskast, met even gunstigen uitslag. Er mag echter niets blijven staan, wat aan de vroegere woning herinnert. Ik zette na 2 dagen de bovengenoemde koker tegen den paal, waarop de kast gestaan had; 's avonds vond ik een partijtje bijen er in.
Van verplaatsen in den winter heb ik geen ondervinding.
Dat de bijen de oude plaats niet spoedig vergeten, bleek mij bij de terugkomst van de hei, 13 Sept. l.l. Zij werden er heengebracht 23 Aug. 's morgens. Na deze 3-weeksche afwezigheid kregen de meeste een plaats in de hal. Den heelen zomer hadden zij verspreid gestaan over het grasperk er voor. Toen de vlieggaten opengingen, vlogen vele op haar oude standplaats rond, om na een korte poos weer naar huis te gaan.
Wie de lezing van Von Frisch in ons land gehoord of zijn boekje gelezen heeft, weet natuurlijk, dat hij bij verplaatsing van eenige kasten aan de onderlinge volgorde niets mag veranderen.
Om de bijen van de bevruchtingskastjes te behouden, bedwelmde ik ze vroeger tegen den avond, met een brandend salpeterlapje, stopte ze dan met wat honing-suikerdeeg in een "Haerens"-voederbak, staande boven de voeropening van de kast, waarin ik de bijen wilde hebben. De voeropening was door gaas afgesloten. 's Anderendaags trok ik het gaas weg en alles ging goed; geen vechterij, geen terugvliegen. Tot die bedwelming had mij de lezing gebracht, dat bijen het geheugen er door verliezen. Toen ik mijn bijenhal eenige jaren geleden een andere plaats gaf, gingen de volken naar elders, op een afstand van 3 km., in rechte lijn, Den volgenden dag kwam een heele partij thuis; ik ving ze op in een leege kast, bedwelmde ze en bracht ze terug. Zij bleven weg.
Dat opvangen van bijen in leege kasten, de bijen van elk volk in een afzonderlijke kast, vindt ook toepassing bij een verplaatsing over korten afstand in voorjaar en zomer op de volgende wijze. Domenico Barone, een vermaard Italiaansch imker, die een tijd in de Ver. St. van Amerika woonde, beschreef ze in American Bee Journal, Juni '28. In L'Apicoltore d'Italia van Juli '40 vond ik ze in haar geheel overgenomen.
Kort samengevat luidt de beschrijving aldus. Bijen, eenigen tijd moerloos geweest, dan opgesloten in een kast boven een gewoon volk en daarvan gescheiden door een vel krantenpapier, keeren, na zich hier doorheen geknaagd te hebben, niet meer naar haar vroegere stand terug. Als de bijen nu op de gewone wijze vliegen, zet dan op de nieuwe standplaats evenveel kasten als er staan op de oude. Neem van elk volk alle raten met broed, met de bijen, die er op zitten ook de moer, en hang ze in de andere kasten. 's Avonds is dus het aantal volken verdubbeld; de helft er van bevindt zich moerloos en zonder broed op de oude standplaats, Om zekerheid te hebben, dat alle vliegbijen teruggekeerd zijn, blijft, al naar het weer, de nieuwe inrichting een paar dagen zoo staan. Op den 3den dag komt bij zonsondergang een dubbel vel krantenpapier op de ramen van het nieuwe volk. Door het vlieggat van het moerlooze blaast men een beetje rook, om de bijen, die op de bodemplank rondscharrelen, naar boven op de raten te drijven, Met groote behoedzaamheid, om de moerlooze volken zoo min mogelijk te storen, brengt men elke kast over op de overeenkomstige van den nieuwen stand. Na een week hebben de bijen het papier bijna geheel weggeknaagd en het oorspronkelijk aantal volken hersteld, Gedurende eenige dagen na het overbrengen vliegen er nog wat bijen op de oude plek rond, doch het getal vermindert met den dag, Vermoedelijk zijn het de bijen, die op de bodem van de oude kasten achterbleven.
Een paar opmerkingen zou ik gaarne hieraan toevoegen.
1. Dat de bijen, die eenige dagen op de oude standplaats komen rondvliegen, achterblijvers zouden zijn, lijkt mij niet zeer waarschijnlijk, Zonder een enkele achterblijver zouden er toch wel rondgevlogen hebben (zie boven).
2. Men moet te beschikken hebben over een dubbel stel kasten, al kan men zich ook behelpen met een tweede broedkamer en een bodem met vlieggat, hoe dan ook aangebracht.
Naschrift Redactie.
Bij het lezen van deze bijdrage herinner ik me een geval op eigen stand.
In 1917 verhuisde ik naar een nieuwe standplaats, ongeveer 150 meter schuins tegenover mijn oude woning gelegen.
Mijn eigenlijke stal bleef staan, omdat ik verhuizing met mijn plm. 40 bijenvolken dit in het late najaar niet aandurfde, op zoo'n korte afstand.
In mijn voortuin stond echter een W.B.C. en die zou ik verplaatsen.
Twee helpers, echter zonder de minste bijenkennis, zouden mijn kast dragen en ik gaf instructies. Als de last te zwaar werd, geen handen verplaatsen, doch de kast voorzichtig op de grond plaatsen en na een rustpauze weer voorzichtig opnemen, De kast was n.l, niet van sluitingen voorzien.
Het begin was goed. Voorzichtig werd de kast opgenomen en weggedragen, doch na een 50 mr, geloopen te hebben, werd het een van de helpers te machtig en zonder aan mijn waarschuwingen te denken, verplaatste hij zijn handen, met het onvermijdelijke gevolg, dat het heele zaakje uit zijn handen viel, dak en rompen over de weg tolden en wat het ergste was, de bijen in drommen de vrijheid zochten. Ik plaatste de kast aan de kant van de weg en bracht alles weer op z'n plaats, hopende, dat de bijen weer op kast zouden terugvliegen; heel veel moed had ik er niet op. Het was ongeveer 3 uur zomertijd en het weer was, hoewel niet zonnig, toch ook niet slecht.
Inderdaad vlogen verschillende bijen weer op de kast terug; anderen verwijderden zich, doch schenen later weer teruggekomen te zijn, althans op de oude plaats trof ik er geen enkele meer aan.
Toen het donker werd kwam de kast op haar nieuwe standplaats en van terugvliegen heb ik niets meer bemerkt.
Daar staat tegenover, dat bij het verplaatsen van eenige bijenvolken naar een heidestand, op meer dan 3 km. van de oude standplaats gelegen, tal van bijen terugkwamen en daar ook bleven en ten slotte op de grond verkleumden.
Bij deze gevallen ging het om een sterk ingewinterd volk en om een paar sterke heidevolken.
Ik schrijf het verschil aan houding toe aan de mindere activiteit van het wintervolk, terwijl de heidevolken een intensief leven onderhielden.