VRAGENRUBRIEK.
Alle vragen worden zooveel mogelijk in een volgend nummer beantwoord. Zij moeten daartoe tijdig bij dhr. G.J. Lankkamp te Bathmen zijn binnengekomen. De vragenredacteur bepaalt of het antwoord direct zal volgen of tot een volgend nummer kan blijven wachten. In bizondere ,gevallen (n.l. indien een antwoord spoed vereischt en niet tot het e.v. nummer kan wachten), kan een vraag rechtstreeks en schriftelijk worden beantwoord, mits postzegel is bijgesloten.
Vraag 122. In verband met het antwoord op vraag 111 in het nummer van November deed ik met eenige gegiste potjes zooals door U aangeraden. Nu bereikte ik er echter geen voldoende succes mee, want de inhoud der flacons blijft zuur. Kan ik op een of andere wijze een fout hebben gemaakt ?
B. G. te Z.
Antwoord: Waarschijnlijk deed U niets verkeerd. Uit het zuurblijven van den honing blijkt, dat U geen honing had, die pas begon te gisten. Het zuur-zijn wijst hier duidelijk op. Uw honing was al twee scheikundige veranderingen aan het doorloopen: le gisting, waardoor suiker wordt omgezet in alkohol, en 2e oxydatie van de reeds aanwezige alkohol door een bacterie, welke er azijnzuur en water van maakt. Honing, die begint, de eerstgenoemde omzetting te doorloopen, wordt vrij gemakkelijk weer bruikbaar hij verwarming, omdat alkohol, die reeds gevormd is, snel verdampt bij iets verhoogden temeratuur. Honing, waarin alkohol reeds is omgezet tot azijnzuur, blijft zelfs na vrij lang koken nog iets zuur. Alleen goed doorkoken kan zulken honing weer geschikt maken voor bijenvoeder.
Vraag 123. Wij hadden van afdeeling Velsen in den afgeloopen zomer een excursie op den Bijenstand "Mellona"; daar toonde ons de eigenaar darren met witte oogen. Ze waren normaal, doch de eigenaar had ze tot dusver nog niet zien vliegen. In denzelfden korf waren ook darren met normale oogen. Weet U er een verklaring voor? Op den hand genomen vlogen zij niet weg. Waren zij blind?
A. R. te IJ.
Antwoord: De afwijking, die U bij deze darren zag, komt meer voor, ook wel bij werkbijen. Tusschen de duizenden facet-oogen ontbreekt dan de zwarte kleurstof, zoodat niet meer elk oogje een apart instrument is. De oorzaak van het verschijnsel is mij niet bekend. Wel staat vast, dat bijen met zulke afwijkende oogen geen duidelijke gezichtswaarnemingen kunnen doen. Hoogstens zien zij van de wereld: licht en niets anders, tenzij de 3 pu-oogen nog wat waarneming mogelijk maken.
Vraag 124. Als opzetters heb ik o.a. 5 kasten, waarvan er 2 nogal zwak zijn, doch welke ik graag door de winter zou willen hebben. Zou het mogelijk zijn, om zulke kasten in een verwarmde kamer te zetten, om ze dan op te voeren, waardoor ze nog goed broed gaan aanzetten? Voor de andere kasten heb ik borstplaat gemaakt, welke ik in leege ramen heb gegoten en zoo in de kasten gehangen. Kunt U mij ook zeggen, of deze manier goed is?
G. v. D. te S. (T.B.)
Antwoord: Aan het in den winter voederen is het groote gevaar verbonden, dat het volk nog een te laat broednest maakt. Komen daarna koude dagen, dan zou het kunnen zijn, dat het volk het voedsel niet volgt, omdat het broed niet wordt verlaten. Verhongeren van het geheel kan dan het gevolg worden.
Aan het hangen van borstplaat in de kasten is geen gevaar verbonden. Borstplaat is echter meer bestemd voor nood-voedsel (In het voorjaar).
Vraag 125. Zou U mij een adres kunnen aanwijzen, waar vierkante bijenkorven te koop zijn; maat ongeveer 27 x 29 c.m. (binnenwerks) met br. en honingramen. Wat dacht U wat de prijs is?
H. Bolsenbroek. Deventerstr. 164, Apeldoorn.
Antwoord: Wie onzer lezers kan vrager van dienst zijn? Daar het verder verschijnen van ons M.S. twijfelachtig is, stelle hij zich dan rechtstreeks met hem in verbinding. Voor dit doel werd het volledig adres van vrager vermeld.
Vraag 126. Kan ik nu reeds beginnen broedkamerraampjes (nieuwe) in orde te brengen door: draad tusschen te spannen en kunstraten aan te brengen? of moet ik dat korter voor het moment van inhangen doen?
Antwoord: Dit alles kan gerust in de wintermaanden geschieden.
Raampjes met kunstraat kunnen echter, zonder gevaar, niet vlak worden neergelegd. Ze moeten dus in een kast of op andere wijze worden opgehangen.
Vraag 127. Bij het verplaatsen van een stal in den winter, moet men, als men onderdeelen van den ouden stal wil gebruiken, bij weer, dat kans geeft op uitvluchten, de bijen, die men tijdelijk ergens anders heeft neergezet, korten tijd opsluiten? Dus het vlieggat sluiten. Maar komt er dan geen luchtnood? Wat is: Korten tijd opsluiten?
J. H. E. v. B. te S.
Antwoord: De opsluiting der bijen kan veilig geschieden zoolang dat werkelijk noodig is. Luchtnood zou alleen kunnen ontstaan bij een hermetische afsluiting. In het koude jaargetijde vindt echter (door het verschil in binnen- en buitentemperatuur) bij bijna volmaakte afsluiting, nog wel ventilatie plaats.
Vraag 128. Ondanks het ongunstige weer tijdens den bloei der heide, haalde één mijner volken nog wat honing binnen, werkelijk van de heide naar de kleur gezien, en dit terwijl alle andere, ook die in beteren toestand waren, sterk in honingvoorraad achteruit gingen.
Wat kan van dit raadsel de oorzaak zijn?
S. J. te U.
Antwoord: Verschil in resultaat vindt men steeds bij bijenvolken. Hier is het verschil echter zoo groot, dat het onmogelijk lijkt. Waarschijnlijk waren de andere volken wel even sterk of sterker in aantal bijen, doch minder sterk in aantal vliegbijen.
Een volk, dat op het juiste moment over een groot aantal haal-bijen beschikt, kan wat binnenhalen, terwijl volken met veel bijen, die echter nog te jong zijn, den imker radeloos maken. Het fokken van bijen, die op den juisten tijd drachtbijen zijn, is één van de zaken, waardoor de goede imker zich doet kennen. En voor hem die 't weet, 'n klein kunstje!
Vraag 129. 1. Bestaat er, nu de tabak zoo buitengewoon schaarsch wordt, nog een ander middel om de bijen met behulp van de pijp te berooken? 2. Levert het gebruik van antiwasmottabletten eenig resultaat op?
B. T. te V.
Antwoord: 1. In prijscouranten van imkersartikelen vindt U wel vervangingsmiddelen voor de tabak, o.a. Buskol-briketten. Maar ook zonder pijp kunnen we de bijen beheerschen, n.l. door de carbollap. Leer de behandeling van dit reuklapje maar eens. U zult er geen spijt van hebben.
2. Anti-wasmottabletten zuilen waarschijnlijk paradichloor-benzol be-vatten. Deze stof is uitstekend tegen wasmot. Zie in het Oct.no. het aanvullend antwoord op vraag 90.
Vraag 130. Juist ontving ik van 2 verbouwers (de een met koolzaad, de ander met mergkoolzaad) een uitnoodiging, om a.s. zomer bij hun te willen komen met mijn bijen.
Nu is dat veengrond; geeft veengrond wel voldoende en is de kwaliteit ook even goed als kleigrond?
H. A. te V.
Antwoord: Zoowel het koolzaad als de mergkool kunnen op de genoemde grondsoort een rijke dracht leveren bij goed vliegweer.
Naar ik meen bloeit mergkool ongeveer een maand later en langer dan zomer-koolzaad. Informatie bij een landbouw-onderwijzer kan mij hiervan echter geen zekerheid geven.
Steek zelf Uw voelhorens eens uit om wat van de bloeitijden gewaar te worden! Waarschijnlijk is mijn meening juist en in dat geval raad ik U aan, beide gelegenheden aan te grijpen.
Vraag 131. In verband met vraag 117-2, schrijft de heer J. S. te De K. ons een wel-meenende kritiek, waaruit we het volgende overnemen:
Ik heb n.l. loopgat onder, ventilatiegat boven en iets ruimte in tusschendek; alles aan de voorkant, waardoor ik dan geen tocht in de bakken krijg, wat wel het geval is bij Uw antwoord (aan achterkant). Voor tocht ben ik zeer bang.
Zoo is ons b.v. in kippenhokken ook steeds geleerd: zorg voor alle openingen aan één kant, b.v. voorkant, om tocht te vermijden.
Zooals U bedoelt, komt de koude trek onder uit loopgat door of om de tros, door U bedoelde opening, om boven door luchtgat te verdwijnen. Oude imkers hebben mij er op attent gemaakt geen gat van achteren (boven), toen ik begon te imkeren.
J. S. te De K.
Antwoord: Op de door U aangegeven manier krijgt ge zeer stellig luchtverversching en zelfs meer, dan wanneer de opening in het dekkleedje achter ligt; maar condensatie-water, dat het meest ontstaat in den koudsten hoek der woning, wordt lang niet voldoende verwijderd. Het is juist om deze reden, dat de lucht op deze plaats moet kunnen uittreden. Dan pas weren we vocht, ter voorkoming van schimmel! Oudere imkers zijn werkelijk wat al te bang voor tocht. Zijn U de overwinteringsproeven van Dr. Minderhoud bekend? Bovendien kunnen we een bijenvolk niet vergelijken met een kip. Evenals in vele gevallen moeten we ook hier het bijenvolk als een geheel beschouwen, als één beest, net als een kip. Ons bijen-beest gaat zich echter als het koud wordt gerust binnenstebuiten keeren, om de huidbijen gelegenheid te geven, zich binnenin te warmen. En dit kunstje kan de kip ons bijenbeest van duizenden levende wezens niet nadoen.
Vraag 132. Waarmede kan ik mijn Dathe-pijp vullen, nu tabak niet of bijna niet te koop is? Een carbollap bevalt mij niet. Ik legde deze op de bovenkant van de ramen. De bijen trokken zich hier weinig van aan en m.i. verbrandde ik ze meer dan dat ik er plezier van had. En door zoo'n lap te gebruiken, heb ik m'n beide handen niet vrij om de kast te behandelen. Dus prefereer ik de bijen te berooken.
J. J. te K. a. d. Z.
Antwoord: Een antwoord op een andere vraag in dit nummer geeft U de gewenschte inlichting. Wat de carbollap betreft, verwijs ik naar vr. 8 in het nr. van Febr. '41.
Waarschijnlijk heeft U de carbollap eens geprobeerd in 't vroege voorjaar; dan vindt geen voldoende verdamping van het carbolzuur plaats, zoodat de bijen er niets van ruiken, maar wel voelen, als ze met de vochtige lap in aanraking komen! Door de carbollap te bezigen houden we juist wel beide handen vrij. Wanneer de bijen even zich boven in de kast vertoonen, wordt weer de lap in functie gebracht en werken we rustig verder.
*
De steller van vraag 60 (Augustus) kan de brochure der Wollfenbüttler Kuntzsch-Zwilling bij secretariaat aanvragen.