ROODE ZOMER-CALVILLE.

Afbeelding 28a, 28b, 28c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

oode Zomer-Calville   (knoop, Tab. l, serrurier , deel I, pag. 80).

Rother Sommercalville

Madeleine rouge.

Calville rouge d'ÚtÚ  (Catalogue of the Fruits, 117).

Pigeon rouge d'ÚtÚ

Passe pomme rouge d'ÚtÚ

FrŘher rother Calvill   (volgens serrurier).

Sommer-Erdbeerapfel   (volgens serrurier).

Calville d'ÚtÚ de Normandie  (volgens serrurier).

Calville hatif   (volgens serrurier).

Calville royal d'ÚtÚ   (volgens serrurier).

Calville, Roode Zomer    (Beschrijving der vruchtsoorten, eerste reeks, No. 22).

 

afkomst: niet meer na te vorschen; reeds knoop kende dezen appel, dien wij ook in de oude registers onzer kweekerijen opgenomen vinden.

 

vorm: als de afbeelding, of iets hooger.

grootte: meestal van de vierde, aan jonge boomen van de derde.

kelk: gesloten, met meestal groene, wollige, lange, spitse, over de holte teruggeslagene kelkbladeren; de kelkholte is naauw, omgeven van ongelijke, ribachtige verhevenheden, die zich over een klein gedeelte der vrucht uitstrekken.

steel: vrij lang, dik, houtachtig, bij de vrucht somtijds eenigzins vleezig, in eene ondiepe, wijde, regelmatige holte zonder roest.

kleur: de grondkleur is geelachtig, maar zelden zigtbaar, daar de geheele vrucht meestal met karmozijnrood overdekt is, waarin men stippen en somtijds nog donkere vlammen en strepen bespeurt; aan den boom is de vrucht met een blaauw waas bedekt.

Het vleesch is wit met lichtroode aderen onder de huid en om de cellen, tamelijk fijn, zacht, weinig saprijk, doch zeer geurig; de cellen zijn vrij groot, vol lichtbruine pitten.

tijd van gebruik: Augustus; de vrucht verkrijgt eerst volkomen haren smaak, wanneer men ze aan den boom laat, totdat de sterke geur hare volle rijpheid aanduidt; zij is voor het dessert van den eersten rang, vooral ook omdat zij zoo vroeg rijpt.

De boom groeit zˇˇ slecht, dat men hem daaraan terstond herkent, doch draagt zeer spoedig; men plante hem liefst als piramide, minder als leiboom en in het geheel niet als hoogstamde; men snoeije hem slechts matig en dunne de overvloedig gezette vruchten; in een kouden, natten grond en bij regenachtig weder scheurt de vrucht niet zelden.