FRAAS' SOMMER-CALVILL.

Afbeelding 29a, 29b, 29c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

raas' Sommer-Calvill    (Handbuch, I, S. 39, l. müller, Obstkunde, S. 48, Beschrijving der vruchtsoorten, derde reeks, No. 158).

Fraas' weisser Sommer-Calvill.

 

 

afkomst: volgens het Handbuch is de moederboom in de pastorijtuin te Balingen, in Württemberg, te vinden.

 

vorm: doorgaans vindt men van vijf tot zeven vlakke ribben, waarvan meestal één meer verheven is, zoodat de meeste vruchten scheef zijn.

grootte: van de tweede; de afbeelding is genomen naar de vrucht van eene pyramide op paradijsstam; aan hoogstamden blijven de vruchten iets kleiner.

kelk: digt gesloten, met lange, spitse, meestal groene en wollige kelkbladeren, in eene naauwe, vrij diepe, van ribben en vouwtjes omgevene holte.

steel: kort, vleezig, dikwijls slechts een vleeschknobbeltje, in eene vrij diepe, onregelmatige, met lichtgraauwen, straalvormigen roest bekleede holte.

kleur: als in de afbeelding, meestal nog meer witgeel, aan de schaduwzijde met een weinig groen-achtig wit, aan de zonzijde somtijds met een klein rooskleurig blosje; fijne, graauwe, met een groen kringetje omgevene stippen vindt men vooral aan de zonzijde; de schil is iets glanzig en, even als bij de meeste andere Calvillen, vettig.

vleesch: wit, zacht, niet fijn, eenigzins los, niet te zuur, bij ons zonder geur, welken zij, volgens het Handbuch, in Württemberg wel schijnt te bezitten; de cellen zijn zeer groot, de pitten onvolkomen.

tijd van gebruik: September; — voor de tafel van den tweeden of derden rang; zeer goed om tot moes te worden gekookt.

De boom groeit sterk en is zeer vruchtbaar; de eenjarige takken zijn wollig, de bladeren groot en mede zeer wollig. Deze soort is als hoogstamde en ook als pyramide aan te raden in groote tuinen, bij overvloed van andere soorten *). Ook in nieuw aan te leggen boomgaarden zoude men ze kunnen beproeven, daar de vrucht wegens hare schoonheid op de markt wel aftrek zal vinden.

 

*) Ofschoon wij wel weten, dat wij hier het woord soort niet in den wetenschappelijk botanischen zin kunnen gebruiken, daar wij strikt genomen van rassen of verscheidenheden (variëteiten) zouden moeten spreken, gelooven wij toch dat de uitdrukking soort in de hier bedoelde beteekenis genoegzaam door het gebruik gewettigd is, om te kunnen worden gebezigd, waar zij, zoo als hier, geen aanleiding tot verwarring kan geven.