SCHOONE VAN BOSKOOP.

Afbeelding 43a, 43b, 43c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

choone van Boskoop (Beschrijving der vruchtsoorten, tweede reeks, N. 145).

Belle de Boskoop.

Reinette belle de Boskoop.

 

afkomst : reeds voor eenige jaren gewonnen in de kweekerij van de familie OTTOLANDER en veelvuldig verspreid.

 

vorm: deze verschilt naar den stam, waarop de soort gent is; op wilden appel zijn de vruchten meestal gelijk aan de afgebeelde, op paradijs zijn zij in den regel meer platrond, breeder en niet zelden een weinig geribd, vooral om de kelkholte.

grootte: van de tweede, aan jeugdige boomen en op paradijsstam nadert zij dikwijls tot de eerste.

kelk: meestal gesloten, langbladerig, grauw, wollig, in eene wijde en diepe holte, omgeven door verhevenheden, die zich over een gedeelte der vrucht uitstrekken.

steel: middelmatig, somtijds lang, bruin, houtachtig, ook wel een weinig vleezig, in eene matige holte, die meestal met dunnen, straalvormigen roest bekleed is.

kleur: niet zelden levendiger geel dan in de afbeelding, aan de zonzijde helderrood gevlamd, bijna altijd met dunnen, lichtbruinen roest overdekt, zoodat de grondkleur hier en daar slechts zichtbaar is.

vleesch: geelachtig, tamelijk fijn, zacht, bij volle rijpheid aangenaam, zoetachtig zuur, zeer saprijk; de cellen zijn tamelijk groot, met middelmatige, bruine pitten gevuld.

tijd van gebruik: vruchten van paradijsstam zijn meestal in November en December volkomen rijp; die, welke van wildstam afkomstig zijn, duren tot Maart en bij goede bewaring tot April; van den eersten rang voor tafel en huishouding.

De boom groeit zeer sterk en vormt eene groote kroon; de eenjarige takken zijn lang en betrekkelijk dik, grijsbruin, met vrij groote, langwerpige stippen; de bladeren zijn zeer groot en gegolfd; de bloemen eveneens zeer groot. Deze soort is vruchtbaar, maar verlangt als hoogstamde een beschutten stand, daar de vrucht niet zeer vast aan den boom hangt.