KEIZER-TAFELAPPEL

Afbeelding 47a, 47b, 47c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

eizer tafelappel (Beschrijving der vruchtsoorten, tweede reeks, N°. 113).

Kaiser Tafelapfel.

 

 

 

afkomst: ons onbekend; wij ontvingen deze variëteit reeds in 1846 of 1847 van de heeren james booth & SÖHNE te Hamburg. Op de tentoonstelling te Görlitz meende de heer oberdieck, dat de door ons aldaar ingezondene Kaiser Tafelapfel dezelfde zoude zijn als de gestreifte Sommer-Parmäne (onze Pippeling Pearmain); dit nu is eene onmogelijkheid; men kan zich hiervan gemakkelijk overtuigen, door de schil van beide soorten te voelen; die van den Keizer tafelappel is zacht (geschmeidig), die van den Pippeling Pearmain ruw op het gevoel; bovendien zijn er nog andere onderscheidingsteekenen, zoowel van den boom als van de vrucht.

 

vorm: somtijds naar den steel veel breeder en de vrucht dus platter dan de afgebeelde.

grootte: van de derde; aan jonge boomen aanzienlijk grooter dan de afgebeelde.

kelk: gesloten, lang- en spitsbladerig, meestal grijsgrauw, somtijds groenachtig, wollig, in eene fraaie, ondiepe, tamelijk wijde, regelmatige holte.

steel: van matige lengte, houtachtig, grauwbruin, in eene fraaie, middelmatige, zelden met roest bekleede holte.

kleur: het rood aan de zonzijde is veeltijds minder gestreept dan in de afbeelding, maar meer gelijkmatig verdeeld; de huid is zeer fijn, glad, somtijds met waas, zelden met roest bedekt; daarenboven bespeurt men kleine, grauwachtig grijze stippen.

vleesch: witachtig, onder de schil eenigzins rooskleurig, zeer fijn, zoetachtig zuur, saprijk, behalve wanneer de vrucht op paradijs is gekweekt, daar ze dan spoedig melig wordt; de cellen zijn middelmatig en bevatten vrij groote, bruine pitten.

tijd van gebruik: September—November; — van den tweeden rang voor de tafel.

De boom groeit matig; de eenjarige takken zijn slank, violetbruin, een weinig gestipt; zij divergeeren iets meer dan die van den Pippeling Pearmain, welke zeer fraai pyramidaal opgroeit, wiens eenjarige loten ruw zijn op 't gevoel, en welks bladeren veel kleiner, langwerpiger en spitspuntiger zijn; wanneer men de beide boomen bij elkander ziet is er alzoo genoeg verschil te bemerken. Wij bevelen den Keizer-tafelappel alleen voor den pyramidenvorm aan, en wel op wilden appel, niet op paradijs.