VLAAMSCHE SCHIJVELING.

Afbeelding 49a, 49b, 49c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

chijveling, Vlaamsche   (Beschrijving der vruchtsoorten, eerste reeks, N°. 91).

Banket-Schijver. Fransche Schijver   (Noord-Brabant).

Doppelter Zwiebelapfel.

Court-pendu d'automne.

Court-pendu d'été.

Rouelle de Flandre.

Pomme de France.

 

afkomst: onbekend, voor zoo ver wij weten nergens beschreven, vermoedelijk eene Vlaamsche vrucht, door een groot gedeelte van ons land verspreid en ook wel onder bovenstaande Fransche en Duitsche benamingen naar het buitenland verzonden; wij bezitten ze reeds zeer lang en vinden ze in onze oudste registers vermeld.

vorm: dikwijls nog platter dan de afgebeelde vrucht, meestal aan de eene zijde hooger dan aan de andere.

grootte: van de derde.

kelk: open, met meest onvolkomene blaadjes, in eene tamelijk diepe, vrij wijde en regelmatige holte.

steel: middelmatig, houtachtig, in eene wijde en vrij diepe holte, bijna altijd met eene dikke laag roest omgeven, dikwijls nog meer dan in afbeelding 49 c is voorgesteld. Dit kenmerk is zeer standvastig.

kleur: het rood is dikwijls meer gestreept en gevlamd en het geel daardoor meer zichtbaar dan in onze afbeelding.

vleesch: sneeuwwit, fijn, vast, niet zeer saprijk, matig zuur, spoedig melig; de pitten zijn klein, zwartbruin, de cellen middelmatig.

tijd van gebruik: September en October; — van den eersten rang voor de huishouding, uitstekend om te droogen; volgens sommigen van den derden rang voor de tafel.

De boom groeit sterk, wordt groot, is zeer vruchtbaar en moet als hoogstamde op zwaren grond gekweekt worden. De zomerloten zijn licht violetbruin met een weinig grauwe wol en ronde, grauwe stippen, de knoppen staan vlak, de bloem is van middelbare grootte. Deze soort verdient op groote schaal aangeplant te worden, omdat de vruchten op de markt zeer gezocht en daarvoor zeer geschikt zijn.