NIEUWE ENGELSCHE PlGEON.

Afbeelding 72a, 72b, 72c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

ieuwe Engelsche Pigeon (Beschrijving der vruchtsoorten, tweede reeks, N°. 115).

Neuer Englischer Pigeon (Handbuch, IV, S. 251; L. MÜLLER, Obstk., N°. 93, S. 68).

Grosser böhmischer Jungfernapfel (Zuid-Duitschland).

 

 

afkomst: volgens het Handbuch onzeker; misschien een Engelsche, mogelijk ook wel een Amerikaansche vrucht. Zij is door den heer schiebler te Celle in Hannover gevonden bij den heer lockhardt te Londen onder den naam Pigeon en van Celle door Duitschland verspreid; wij ontvingen ze van de firma booth en zonen te Hamburg.

 

vorm: dikwijls lager dan de afgebeelde vrucht; somtijds naar den kelk meer spits afgerond.

grootte: van de tweede, aan oude boomen van de derde.

kelk: gesloten, somtijds half open, smal en spitsbladerig, lang groen blijvend, een weinig wollig, in eene fraaie, vrij diepe holte, van vlakke ribben omgeven, om den kelk meestal lichtgroen gekleurd.

steel: 0.02, dun, houtachtig, in eene tamelijk wijde, vrij diepe, met dunnen, groengrauwen, straalvormigen roest bekleede holte.

huid: dun, glad, glanzig, zeer fijn, doorgaans nog fraaier rood dan de afgebeelde vrucht, met nauw merkbare stippen, aan den boom met een dun, lichtblauw waas bedekt, dat bij aanraking verdwijnt.

vleesch: zuiver wit, met gele aders om het klokhuis, vrij fijn, bijna vast, saprijk, zeer zoet, een weinig anijsachtig gekruid.

klokhuis: aan de grootte der vrucht geëvenredigd, met middelmatige cellen en fraaie, lichtbruine, volkomene pitten.

gebruik: October-Februari, somtijds tot Maart; een voortreffelijke zoete appel; van den eersten rang voor de keuken, als sieraad ook voor het dessert te gebruiken.

De boom groeit gematigd, geeft eene fraaie pyramide en eene hoogronde kroon; de twijgen zijn stevig, naar den top slechts weinig in dikte afnemend; donker bruinviolet, zeer weinig en fijn gestipt; de knoppen breed, plat, wollig, op weinig verhevene, van kleine ribben voorziene dragers; de scheuten middelmatig, wollig, bijna geheel met eene dunne, grauwwitte opperhuid bedekt; de bladeren groot, bijna vlak, rond-eivormig, somtijds ovaal, met eene vrij lange, een weinig opgebogene punt, stomp en vrij diep getand. Wij bevelen deze variëteit aan als pyramide op paradijs of op wilden appel, minder als hoogstam, daar de vruchten zeer los aan den boom hangen, en daarom door een matigen wind spoedig afgeworpen worden.