DUITSCHE GOUDPIPPELING.

Afbeelding 100a, 100b, 100c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

eutscher Goldpepping (Handbuch, I, S. 133; L. MÜLLER, Obstk., S. 43, N°. 23; oberdieck, Anleitung, S. 157; Deutsches Obstcabinet, II, Taf. 2).

Herrenhäuser deutscher Pepping.

Pepping allemand (in Hannover).

Hoyaischer Goldpepping  (OBERDIECK).

Von Duvens Nonpareil  (OBERDIECK).

Teutscher Gold-Pepping  (CHRIST).

 

afkomst: volgens het Handbuch onbekend; hij schijnt het algemeenst verspreid te zijn in Hannover; wij ontvingen hem van verschillende zijden uit Duitschland overeenstemmend.

 

vorm: altijd zeer regelmatig en standvastig; volgens het Handbuch zou de vrucht ook wel hoogrond voorkomen, 't geen wij nog niet hebben waargenomen.

grootte: van de vierde.

kelk: gewoonlijk gesloten, ook half open, met lange en spitse blaadjes, die dikwijls afgebroken zijn, zoodat de kelk zich dan open vertoont; deze staat in eene wijde, bijna vlakke, van fijne vouwtjes en een weinig roest omgevene holte.

steel: zeer kort, nauwelijks 0.01 lang, dikwijls niet meer dan een vleeschknopje, in eene ondiepe, groen gekleurde holte. Dikwijls is de steel door een vleeschknobbel scheef op zijde gedrongen.

huid: met grauwe, stervormige stippen en eenige roestvlekjes; rood zagen wij nooit.

vleesch: bijna geel, fijn, tamelijk vast, later aangenaam zacht, saprijk, zoetachtig zuur, zeer geurig, bijna gelijk dat van de gewone Goudpippeling.

klokhuis: middelmatig, met kleine cellen en fraaie, koffiebruine pitten.

gebruik: laatst van December tot April, niet voor 10—15 October te plukken; — van den eersten rang voor het dessert.

De boom groeit fraai als pyramide, kroon- en leiboom; hij is vruchtbaar; de twijgen zijn matig lang, stevig, olijfgroen met bruin, met ovale, onregelmatig verspreide stippen; de knoppen afstaande; de scheuten olijfgroen met bruin, wollig; de bladstelen 0.02—0.03; de bladeren langwer­pig ovaal, regelmatig en fijn getand, spits, dofgroen, eenigszins wollig. De geheele boom is zeer kennelijk aan den netten, regelmatigen bouw van al zijne deelen. Zeer aan te bevelen, vooral voor pyramiden en leiboomen (palmetten, cordons enz.), ook voor den hoogstamden vorm.