KLEINER STEINPEPPING.

Afbeelding 101a, 101b, 101c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

earmain, rouge d' Hiver d' Angleterre (Beschrijving der vruchtsoorten, III, N°. 178).

Kleiner Steinpepping (Handbuch, I, S. 323).

 

 

 

afkomst: volgens het Handbuch heeft diel door den heer DELLNER deze vrucht als Stone Pippin uit Engeland ontvangen. Bij Engelsche schrijvers vinden wij verschillende Stone Pippins (b. v. Catalogue of the Fruits, pag. 42, N°. 803 en 804), maar wij kunnen niet beslissen of onze soort tot een daarvan behoort. Onze kleiner Steinpepping is afkomstig van den heer OBERDIECK, terwijl wij van den heer DAUVESSE te Orléans reeds voor eenige jaren de Pearmain rouge d' hiver d' Angleterre ontvangen hadden, waarvan het, op onze tentoonstellingen en bij onderzoek der vegetatie in onze kweekerijen, bleek, dat zij met de eerstgenoemde soort identiek was.

 

vorm: meestal als de hier afgebeelde vrucht, dikwijls ook als die van het Handbuch, altijd zeer net en regelmatig.

grootte: van de vierde.

kelk: geheel of half open, met breede, lang groen blijvende, later bruingrauwe blaadjes, in eene nauwe en ondiepe holte, omgeven van eenige kleine ribjes, die zich zelden tot buiten de kelkholte uitstrekken.

steel: 0.02—0.025, houtachtig, in eene ondiepe holte zonder roest, meestal door een vleeschuitwas op zijde gedrongen, dikwijls slechts een vleeschknobbeltje, in dit geval bijna vlak geplaatst.

huid: dun, fijn, glad, met vele fijne, ongelijk verdeelde, bruine en groene stippen; roest zagen wij nog nooit.

VLEESCH: wit, met geelgroene aderen, vooral bij den kelk en om het klokhuis, fijn, vast, niet knappend, zoetachtig zuur, eenigszins geurig.

klokhuis: middelmatig evenals de cellen, met vele koffiebruine, gedeeltelijk onvolkomene pitten.

gebruik: December—Februari, volgens het Handbuch tot in den zomer; — van den eersten of tweeden rang voor het dessert.

De boom groeit gematigd, vormt eene fraaie kroon en pyramide en is buitengewoon vruchtbaar. De twijgen zijn slank, dof donkerbruin met olijfkleur en met een zilverachtige opperhuid, fijn gestipt; de knoppen vlak; de scheuten vrij dik, met wol bedekt; de bladstelen 0.02—0.03, dun; de bladeren veranderlijk, somtijds breed en rond, somtijds langwerpig ovaal, scherp getand, stomp aan den top, die doorgaans scheef en een weinig opgebogen is. Wij bevelen deze variëteit niet sterk aan; men plante ze als pyramide.