GOLDEN NOBLE.

Afbeelding 106a, 106b, 106c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

Golden Noble (Beschrijving der vruchtsoorten, II, N°. 112; Handbuch, I, S. 377; oberdieck, S. 118; l. müller, Obstkunde, N°. 52, S. 52; Catalogue of the Fruits, N°. 230, pag. 17; hogg, the Fruit Manual, 3d. ed., pag. 20).

Gelber Edelapfel.

Waltham abbey Seedling (Catalogue of the Fruits, N°. 853, pag. 44; rivers, Catalogue).

Doctor Harvey; volgens hogg door sommigen aldus genoemd.

 

afkomst: volgens het Handbuch uit Engeland; wij ontvingen deze soort van verscheidene zijden overeenstemmend; volgens RIVERS is de Waltham abbey Seedling synoniem; vermoedelijk ook de Appel van Rosande, door wijlen den heer wttewaal te Voorst algemeen verspreid; wij kunnen, noch in vrucht, noch in vegetatie, eenig onderscheid zien.

 

vorm: standvastig, zelden met eenige zeer vlakke verhevenheden.

grootte: van de tweede, aan oude boomen van de derde.

kelk: gesloten, klein, met fijne, spitse, groengrauwe, aan den top zwarte blaadjes, in eene nauwe, ondiepe holte, van vouwtjes en eenige wol omgeven.

steel: nauwelijks 0.01, houtachtig, groen met bruin, een weinig wollig, in eene nauwe, ondiepe holte, bekleed met groengrauw, straalvormig roest, dat zich eenigszins over de vrucht uitbreidt.

huid: dun, fijn, glad, glanzig, groenachtig geel, aan de zonzijde dikwijls goudgeel, zonder rood, met schaarsche, fijne, grauwbruine of groene, van wit omgevene, onregelmatig verdeelde stippen, zelden met eenig roest.

vleesch: wit, met eenige groengele aders, matig fijn, zacht, saprijk, tamelijk zuur, bij ons niet zoo aangenaam en geurig als het Handbuch opgeeft.

klokhuis: vrij groot, open, met ruime cellen en lichtbruine, dikwijls onvolkomene pitten.

gebruik: October—December, niet zeer duurzaam; van den eersten rang voor de huishouding, zeer goed tot het koken van moes.

De boom groeit sterk, vormt eene fraaie kroon en is vruchtbaar. De twijgen zijn stevig, bruin met olijfgroen, met kleine, ronde stippen; de knoppen afstaande; de scheuten violetbruin, wollig; de bladstelen 0.015—0.025; de bladeren groot, ovaal, scherp en regelmatig getand, kort toegespitst. Deze soort is geschikt voor den hoogstamden vorm, maar in veenachtigen grond veel aan kanker of wrakken onderhevig; zij is eene goede marktvrucht, vooral omdat vorm en kleur altijd zeer fraai zijn.