GOLDZEUG-APFEL

Afbeelding 110a, 110b, 110c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

rap d' Or (Beschrijving der vruchtsoorten, II, N°. 108).

Goudlakensche Appel (J. F. SERRURIER, Fruitkundig Woordenboek, deel I, fol. 96).

Goldgestickter Apfel (OBERDIECK, Anleitung, S. 125).

Vrai Drap d' or.

Reinette Joseph II.

Goldzeug-Apfel (Handbuch, I, S. 263).

Donauers Reinetten-Rambour (Abb. Württ. Obstsorten, S. 13).

Oberdiecks grosse gelbe Zuckerreinette.

Berlinger (bij Heilbronn).

Weisser Stettiner (in Meklenburg, volgens L. müller).

Ananasapfel (in Hongarije, volgens denzelfden).

 

afkomst: onbekend; eene zeer oude, alom gewaardeerde soort.

 

vorm: in den regel zooals de afbeelding dien voorstelt.

grootte: van de derde, somtijds tot de tweede naderend.

kelk: gesloten, met spitse, lang groen blijvende blaadjes, in eene ondiepe, somtijds bijna vlakke holte, omgeven van fijne vouwen, ribjes en vleeschparels.

steel: 0.015-0,02, vleezig, in eene wijde, niet zeer diepe, geheel roestige holte.

huid: glad, bij het plukken geelachtig lichtgroen, tot in de steelholte met donkerder groene vlammen, welke later, behalve in de steelholte, geel worden; de algemeene kleur gaat dan tevens meer in het groengele over. De naam Goldzeug Apfel is dus voor ons land minder juist dan voor Duitschland; slechts in zeer heete zomers verkrijgt de vrucht hier te lande het koloriet, dat haar in Duitschland eigen is, dan verandert namelijk het groengeel in goudgeel. Verder vertoont de vrucht vele fraaie, fijne stippen, groote of kleine, donkerbruine roestvlekjes en dikwijls zwarte regenvlekjes.

vleesch: groenachtig geel, los, saprijk, zeer aangenaam, zacht zuur, van een verheven, geurigen smaak.

klokhuis: meestal open, eenigszins calville-achtig, met ruime cellen en langwerpig ovale, toegespitste, donkerbruine pitten.

gebruik: November—Maart; vooral niet vóór October te plukken, daar de vrucht dan te spoedig rimpelig wordt; — van den eersten rang voor het dessert, ook zeer geschikt voor huishoudelijk gebruik.

De boom groeit goed en vormt eene vrij ronde kroon. De twijgen zijn middelmatig, stevig, lichtbruin met violet, met fijne, ronde stippen; de knoppen kegelvormig, eenigszins afstaande; de scheuten violetbruin, fijn gestipt, met fijne wol bedekt; de bladstelen 0.025—0.03, matig dik; de bladeren langwerpig ovaal, een weinig gegolfd, scherp getand, met eene lange en spitse punt, donkergroen, van onderen wollig. Wij bevelen deze uitmuntende soort voor alle vormen aan.