FEDERAL PEARMAIN.

Afbeelding 112a, 112b, 112c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

ederal Pearmain (Catalogue of the Fruits; hogg, the Fruit Manual, 3d ed., pag. 17)

Staatenparmäne (Handbuch, I, S. 493; oberdieck, Anleitung, S. 148).

 

 

 

afkomst: hoogst waarschijnlijk uit Amerika in Europa ingevoerd, zooals wij uit den naam opmaken; bepaalde opgaven bestaan er tot nog toe niet, daar zoowel de Amerikaansche als de Engelsche schrijvers hieromtrent het stilzwijgen bewaren.

 

vorm: zeer regelmatig en standvastig.

grootte: van de derde.

kelk: gesloten, met lange, fijn toegespitste, grauwe blaadjes, in eene middelmatige holte, omgeven van roest, kleine ribben en een groen kransje.

steel: 0.02, dik, houtachtig, in eene ondiepe, met straalvormig roest bekleede holte.

huid: glad, bij het plukken nog iets groener dan ze is afgebeeld. Het rood is een weinig gevlamd, met grove stippen, die veelal, even als het roest, zeer verspreid voorkomen.

vleesch: geelachtig wit, fijn, matig vast, aangenaam saprijk zoolang de vrucht duurt, van een verheven geurigen, zoet rinschen smaak.

klokhuis: middelmatig, met groote, ruime cellen en kleine, donkerbruine pitten.

gebruik: December—April; — van den eersten rang voor het dessert, voortreffelijk.

De boom groeit sterk en is zeer vruchtbaar; de twijgen zijn lang en van geëvenredigde dikte, violet-bruin, met ovale stippen; de knoppen afstaande; de scheuten violetkleurig, wollig; de bladstelen 0.02—0.03, zeer dik, stevig, sterk gesleufd; de bladeren bijna rond, onregelmatig en scherp getand, met eene kleine, spitse punt, donkergroen, van onderen wollig. Wij bevelen deze soort aan als hoogstam en houden ze voor eene belangrijke en voortreffelijke marktvrucht.