BRADDICK' S NONPAREIL

Afbeelding 116a, 116b, 116c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

raddick' s Nonpareil (Beschrijving der vruchtsoorten, II, N°. 116; Handbuch, I, S. 473; oberdieck , Anleitung, S. 147, met het synoniem Braddick' s Sondergleichen; L. müller, S. 39, N°. 12; HOGG, the Fruit Manual, Catalogue of the Fruits, 465).

Ditton Nonpareil.

 

afkomst: volgens het Handbuch door den heer john braddick, Esq., te Thames Ditton in Engeland gewonnen.

 

vorm: zeer standvastig.

grootte : van de vierde.

kelk: meestal open, met fijne, spitse blaadjes, in een regelmatige, ondiepe holte, voorzien van roest en van eenige vlakke verhevenheden.

steel: 0.015—0.02, vleezig, in eene middelmatige, roestige holte.

huid: eer stroef dan glad, fijn, aan de zonzijde bruinrood, met vele fijne, grauwe, roestachtige stippen en over hare geheele oppervlakte van eenig roest voorzien.

vleesch: geelachtig wit, fijn, vast, saprijk , geurig, aangenaam.

Klokhuis: middelmatig, gesloten, met kleine cellen en donkerbruine pitten.

gebruik: December—Maart; — van den eersten rang voor het dessert.

De boom groeit matig en is zeer vruchtbaar. De twijgen zijn olijfkleurig met violet, fijngestipt; de knoppen kegelvormig, weinig afstaande; de scheuten slank, olijfkleurig, van dunne wol voorzien, met fijne, ronde stippen; de bladstelen 0.03—0.04; de bladeren eirond, stompgetand, dof lichtgroen, aan den top gedraaid en opstaande. Wij bevelen deze voortreffelijke soort voor alle vormen aan, hoofdzakelijk echter als pyramide, palmette, cordon, dwerg- en leiboom,