BORSDORFER.

Afbeelding 73a, 73b, 73c.

Rassenlijst.

Oorspronkelijke plaat.

 

 

orsdorfer (Beschrijving der vruchtsoorten, eerste reeks, N°. 14, knoop , tab. 10, serrurier, I, pag. 67).

Edelborsdorfer (Handbuch, I, S. 303; L. MÜLLER, Obstk., N°. 30, S. 45).

Edler Winter-Borsdorffer.

Witte Leipziger Reinette (knoop).

Marschansker   (Oostenrijk).

Maschansker

Borsdörffer (Catalogue of the Fruits, N°. 73, pag. 7; HOGG, the Fruit Manual).

Garret Pippin. — King George III. — Queen's. — Reinette bâtarde.

Reinette de Misnie (downing, the Fruits etc.). — King.

Le grand Bohemian Borsdörffer. — Ganet Pipin.

Reinette d' Allemagne (Ann. de Pom., VIII, met het synoniem Postophe d' hiver, dat niet bij deze soort, maar bij onze N°. 69 behoort).

 

afkomst: volgens het Handbuch uit Saksen; de vrucht ontleent haren naam aan een dorp, Borsdorf geheeten, van welken naam er echter een bij Leipzig en een bij Meiszen ligt. Zij is in geheel Duitschland overvloedig verspreid, inzonderheid ook in Bohemen, waar zij reeds in 1450 algemeen gevonden werd. aeneas silvius, als kardinaal met eene zending aldaar belast, roemde dezen appel zeer; toen hij later als PIUS II den pauselijken stoel bekleedde, werd hem jaarlijks, door den vorst van Bohemen lobkowitz, een vrachtwagen vol van deze vruchten naar Rome gezonden.

 

vorm: zeer regelmatig en standvastig.

grootte: van de vierde, aan jonge boomen iets grooter dan de afgebeelde vrucht.

kelk : open, meestal kortbladerig, in eene vrij wijde, bijna vlakke, zeer regelmatige holte.

steel: 0.02, dun, houtachtig, in eene diepe, dikwijls met roest bekleede holte

huid: fijn, glad, glanzig, wasachtig, witgeel, aan de zonzijde fraai glanzig rood, met fijne, grauw bruine, onregelmatig verdeelde stipjes, hier en daar met dunne, fijne roestfiguren.

vleesch: fijn, vast, knappend, saprijk, aangenaam, zoetachtig zuur, van een eigendommelijken geur; op eene zeer warme standplaats en in warmere streken is het minder aangenaam.

klokhuis: aan de vrucht geëvenredigd; de cellen zijn middelmatig, met lichtbruine, volkomene pitten gevuld.

gebruik: December-Februari; — van den eersten rang voor elk doel, vooral ook voor de bereiding van appelwijn.

De boom groeit matig, wordt zeer oud en groot, bloeit laat, is in zijne jeugd matig, op gevorderden leeftijd zeer vruchtbaar en aan de vegetatie gemakkelijk te kennen. De twijgen zijn slank, lichtbruin en olyfkleurig geel, met fijne, langwerpige stippen; de knoppen klein, bijna vlak geplaatst; de scheuten bloedrood, aan de toppen met een weinig fijne wol bekleed; de bladstelen middelmatig; de bladeren zeer glanzig, lichtgroen, niet groot, bijna gaafrandig. Deze soort is vooral voor den hoogstamden kroonvorm geschikt, minder voor pyramiden en leiboomen; zij verlangt vooral een zwaren grond.